woensdag 17 december 2014

In Alle Staten: Missouri


De 51 Amerikaanse staten hebben ieder zo hun eigen favoriete en succesvolle artiest.
In de komende 51 afleveringen komen alle staten aan bod met een kort overzicht van de artiesten die, behalve er geboren zijn, zich het meest met die staat identificeerden. Bekende voorbeelden: Arkansas-Johnny Cash, Californië-Brian Wilson (Beach Boys), Georgia-Ray Charles en Texas-Buddy Holly.
Maar wie vertegenwoordigt Hawaii, Alaska, Florida of New York ?

In deze 26e aflevering:
Missouri
USA
We moge natuurlijk Sheryl Crow en Big Joe Turner niet onvermeld laten bij de grootsten uit Missouri. Normaal gesproken was er nu ook extra aandacht geschonken aan artiest nummer 1 Chuck Berry, maar speciaal voor Krekel Coen (een andere reden om Missouri prominent Eminem te vermelden op deze site is er niet) het volgende clipje:



dinsdag 16 december 2014

The fiddle

Het meest prominente instrument in de traditionele Ierse muziek is, tot op de dag van vandaag de viool (fiddle, Iers: fidil). In het begin van de 18e eeuw waren vader en zoon Neal uit Dublin de vroegst bekende importeurs, en zelfs mogelijk de eerste bouwers van de viool in Ierland. Daarbij is het evident dat zij een graad van vaardigheid in het spelen van het instrument bezaten. Het is niet uitgesloten dat er reeds eerdere importeurs van het instrument bestonden. Doch het is bekend dat de Neals in de jaren 1720 in violen hebben gehandeld, die ofwel door anderen of door henzelf waren gemaakt of bij anderen waren besteld.
Nog vóór de invoering van de in Italië ontwikkelde fretloze barokviool, bestonden er vroegere versies van soortgelijke strijkinstrumenten. Deze waren reeds sinds de middeleeuwen zowel in het continentale Europa, als op de insulaire gebieden, waaronder ook in Ierland in gebruik. De 'moderne' viool werd aan het einde van de 16e eeuw in Engeland ingevoerd en verspreid, en kwam vanaf 1650, vooral rond 1660 na de 'Restoration', in de mode. In de periode van vóór 1680 is er melding gemaakt van de populariteit van de viool in Schotland. Er wordt gemeld dat in 1604, een 'fiddle' en een paar virginalen vanuit Londen naar Ierland waren uitgevoerd met Earl of Thomond (noordelijk gebied van Munster) als bestemming. Zo zijn er ook de meldingen van de viool in Christ Church Cathedral in Dublin (1636/37), alsmede van niet-kerkelijke beroepsinstrumentalisten (1673/74).

Het mag duidelijk zijn dat het instrument niet alleen populair was bij de sociale middenklasse. Er is bewijs dat de 'fiddle' het reeds in de 17e eeuw uitstekend deed bij het 'gewone' volk. Zo wordt in een rekening aan het einde van de 17e eeuw wordt vermeld, dat de burgers van Cork, zelfs in het geval dat zij zich niets anders konden veroorloven, hun kinderen naar verschillende activiteiten konden brengen, zoals dansen, schermen en 'fiddle'-spelen.



De in Ierland geboren Engelsman Richard Head (1637?-1686?), schreef (1674) op onsympathieke wijze over de fiddle als instrument :

"Their Sunday is the most leisure day they have in which they use all manner of sport: in every Field a Fiddle and the Lasses footing it till they are all of foam."
"..... play'd on an Instrument that makes a worser noise then a Key upon a Gridiron"

In 1681 verscheen 'The Journal of Thomas Dineley (†1695), met een verwijzing naar de Ierse muziek met oude en nieuwe instrumenten en de dans van het gewone volk ("ye Vulgar Irish") :

"At these meetings the young frye viz. Darby Teige Morogh Leeam Rinell Allsoon Flora Shevaune More Katleene Ishabeal Nooulla Maurych Timesheen Shinyed &c. appeare as gay as may be with their holyday apparell and with Piper, Harper or Fiddler, revell and dance the night throughout, make love and matches."

Er blijken meerdere meldingen te zijn, met verwijzingen naar het nieuwe instrument, in combinatie met de harp. Met als voorbeeld uit een gedicht van Laurence Whyte uit 1740 : Van de jonge zoons van een hereboer uit de Midlands wordt gezegd dat zij: "play the Bagpipes, Harp, or Fiddle" , terwijl de dochters door zijn vrouw werden onderwezen in "dance the Irish Trot at night".
's Zondags of op feestdagen de dochters:
"danc'd a Jig or Hornpipe,
Play'd on a Fiddle or Cornpipe"
.

Twice as Much

Vocaal duo, David Skinner en Andrew Rose uit Engeland dat in de jaren ’60 vier singles uitbrengt.

Het grootste succes hebben Dave Skinner en Andrew Rose met ‘Sittin’ On A Fence’. Andere singles:"Step Out of Line"; "True Story" en "Crystal Ball" en twee elpees: Own Up enThat's All tussen 1966 en 1968.



"Sittin' on a Fence" uit 1966 is geschreven door Keith Richards en Mick Jagger, die het zelf met The Rolling Stones een jaar later uitbrengen.


zaterdag 13 december 2014

Maggie May

Maggie May met op de B-kant Reason To Believe van Rod Stewart komt op 2 Oktober 1971 op de eerste plaats in de Billboard Hot 100. Ook het album waar de single opstaat, Every Picture Tells A Story komt op 2 Oktober 1971 op de eerste plaats in Amerika. Maggie May gaat over de vrouw die Rod Stewart op 16 jarige leeftijd tot een man maakt. De platenmaatschappij vindt Maggie May echter maar niets, en plaatst het nummer als B-kant op de single Reason To Believe, geschreven en in 1965 op plaat gezet door folkzanger Tim Hardin. Disc jockeys in Amerika denken er echter anders over en beginne massaal de eigenlijke B-kant, Maggie May, te draaien waardoor het nummer uitgroeit tot Stewart's eerste solo nr 1 hit. Op het album Unplugged... And Seated uit 1993 speelt Ron Wood op Maggie May acoustisch gitaar. Het is dan voor het eerst in 22 jaar dat Ron Wood en Rod Stewart, die samen in The Faces hebben gespeeld, weer samen op een podium staan. Rod Stewart verteld tijdens dit optreden het publiek dat, toen Maggie May uitgebracht werde, zijn huidige vrouw (Rachel Hunter) slechts 1 jaar oud was.

woensdag 10 december 2014

It's a long way to Tipperary





It's a long way to Tipperary is een lied dat beroemd werd in de Eerste Wereldoorlog. Het werd in 1912 geschreven door de Engelsman Jack Judge, wiens grootouders uit county Tipperary in Ierland (zie: locatie) kwamen. Hijzelf was echter nog nooit in Ierland geweest.

Het lied symboliseerde voor iedere soldaat het verlangen naar huis. Het lied werd in de Eerste Wereldoorlog eerst vertolkt door Ierse soldaten, maar later werd het geadopteerd door zowel de Russen als de Fransen.

Ook in de Tweede Wereldoorlog werd het lied vaak gezongen. In de film Das Boot (1981) wordt het door de Duitse onderzeebootbemanning gezongen.

Tekst ? Klik op Meer Lezen

maandag 8 december 2014

Only the lonely

Een aantal artiesten die bij Sun Records in Memphis hun eerste platen opnamen, kenden pas nadien een grote doorbraak. Elvis Presley mogen we bovenaan dat lijstje plaatsen zonder daarbij sterren als Johnny Cash en Jerry Lee Lewis te vergeten. Roy Orbison moet ook vermeld worden. Hij had al in diverse groepjes meegespeeld alvorens hij zich bij Sam Phillips van Sun Records aanmeldde. Na een auditie bij Sam kreeg hij in 1956 een platencontract angeboden en scoorde iets later een hit met Ooby Dooby. Orbison voelde zich niet echt thuis bij Sun Records. Hij vond dat Sam Phillips na het vertrek van Elvis richting RCA méér aandacht besteedde aan Jerry Lee Lewis dan aan hem. Hij vond dat er méér had gezeten in het succes van Ooby Dooby, want veel storm had dat nummer niet veroorzaakt.
Roy ging zich dan maar profileren als songwriter. Zo schreef hij op zekere dag een liedje opgedragen aan zijn toenmalige vrouw Claudette en speelde dat door aan The Everly Brothers die het als b-kant gebruikten voor hun single All I have to do is dream, een 45-toerenplaat die haast moeiteloos de eerste plaats in Billboard’s Hot One Hundred inpalmde. Dit zorgde ervoor dat Roy zijn naam als songschrijver beter in de etalage kon plaatsen. Roy is zich altijd blijven herinneren dat hij het nummer Only the lonely in zijn auto schreef die buiten op de oprit voor zijn huis geparkeerd stond. Ze waren té klein behuisd en schrijven is toch iets dat je in je eentje doet, dus eenzaam in de auto zitten pennen, deerde hem niet echt. Dat gevoel stimuleerde hem wel tijdens het schrijven van Only the lonely. Mensen hebben nu eenmaal mensen om zich heen nodig.
Na een show waarin The Everly Brothers in Indiana hadden opgetreden, stelde Roy Only the lonely aan Don en Phil voor, maar nadat Roy het hun had voorgespeeld, vond Don dat Roy het zelf moest inzingen, dat het echt iets voor hem was. Wat ik haast nergens lees, is het verhaal dat Roy het nummer in 1960 aan Presley wilde laten horen. Ik heb het verhaal van hem persoonlijk gehoord tijdens een gesprek dat ik ooit met Roy voerde. De studio was geboekt. Orbison reed van Texas waar hij toen woonde naar Nashville, arriveerde daar ‘s ochtends om zes uur, maar merkte dat Presley pas veel later zou opduiken. Uiteindelijk kwam van die hele sessie niets in huis en was Orbison zo aangedaan dat hij die energie absoluut kwijt wou en het nummer uiteindelijk dan maar zelf opnam.
Hij schreef de song samen met zijn toenmalige producer Joe Melson en nam het op voor diens Monument Label. Dat label was in 1958 in Washington opgericht door Fred Foster en Buddy Deane. Nadat Deane het label verlaten had, verhuisde Foster naar Hendersville, een stad aan de rand van Nashville. In de maand mei van 1960 werd Only the Lonely op single uitgebracht. De 25ste juli stond het nummer op de tweede plaats in Billboard’s Hot One Hundred, pal achter Brenda Lee. Haar single I’m sorry bleek té sterk om gepasseerd te worden.
Het succes van Only the lonely bezorgde The Big O nogal snel het imago van een melancholische zanger. Daarover zei hijzelf: “The sadness idea has a lot to do with my image over the years I guess: the black clotches and the shades. Also, it has to do with the fact that Only the lonely was the first hit and that was an incredible sad song. It’s synonymous with my name now. People obviously assume that my life is like that song, which is not really true at all. For the most part it’s been a glorious life”.
Toen Only the lonely in Engeland werd uitgebracht, bleef de single bij een eerste poging op de 36ste plaats haperen in de toenmalige top veertig, maar bij een tweede poging, ongeveer een maand later, schoot het nummer als een pijl uit een boog midden in de hitroos. Apetrots stond Roy te schitteren op de eerste plaats nadat Rickie Valance aan de kant was gezet die eind augustus nog op één stond met Tell Laura I love her. In de Nederlandse top veertig zat er voor Orbison een zevende plaats in en in België klom hij naar de zesde positie. Hier was het wachten tot in 1964 om met Pretty Woman de hilijsten aan te voeren.


In 1969 zou de legendarische countryzanger Sonny James op één geraken in de countrycharts met een geslaagde cover van Only the Lonely. Jaren later was het Chris Isaak die een hommage bracht aan zijn idool Roy Orbison door die eerste hit van The Big O op zijn repertoire te zetten en in te blikken.

zaterdag 6 december 2014

When I’m Sixty-Four

In EMI-studio 2 van Abbey Road in Londen beginnen The Beatles op 6 december 1966 met de opnamen van Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band. When I’m Sixty-Four is het eerste nummer dat op de band wordt vastgelegd. Het is geen nieuw liedje. The Beatles hebben When I’m Sixty-Four al begin jaren zestig in de Cavern Club gespeeld. Paul wil het liedje nu opnemen, omdat zijn vader James 64 jaar is geworden in juli 1966. Within You Without You is op 3 april 1967 de laatste track die voor Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band wordt opgenomen. Op 1 juni 1967 wordt het album uitgebracht.




donderdag 4 december 2014

Canon van de Nederlandse Popmuziek: 1973

De jaren zeventig is een periode waarin de Nederlandse rockmuziek ook internationaal erg populair is. Bands als de Golden Earring, Earth & Fire, Shocking Blue, Tee-Set en Sandy Coast scoren wereldwijde hits. De personificatie van dit succes is gitarist Jan Akkerman. Hij speelt in 1972 in de symfonische rockgroep Focus als hij door de lezers van het Engelse toonaangevende muziekblad Melody Maker wordt uitgeroepen tot beste gitarist ter wereld, beroemde collega’s als Eric Clapton, Jimmy Page, Carlos Santana en Rory Gallagher achter zich latend. ‘Het heeft me eerder geremd in mijn ontwikkeling’, zal hij later zeggen. Jan Akkerman wordt op 24 december 1946 geboren in Amsterdam. Op zesjarige leeftijd krijgt hij accordeonles, maar na een paar jaar raakt hij in de ban van de gitaar. Zijn eerste band is Johnny and his Cellar Rockers met wie Akkerman op veertienjarige leeftijd zijn eerste single maakt. Met de band The Hunters scoort hij in 1966 een hit met Russian Spy And I, waarop zijn gitaartalent al duidelijk vorm krijgt. In 1968 komt Talent For Sale uit, het eerste soloalbum van Akkerman. Vervolgens speelt Akkerman in het succesvolle Brainbox en verovert hij met Focus wereldfaam, ook mede dankzij zijn uitverkiezing. Tot op de dag van vandaag is Akkerman populair in Engeland. In 2005 ontvangt hij een Gouden Harp.

dinsdag 2 december 2014

De tin whistle



De tin whistle (letterlijk 'fluit van blik'. Iers: feadóg stáin) of penny whistle ('fluitje van een cent')(soms abusievelijk: flageolet) is het instrument dat in de Ierse traditionele muziek waarschijnlijk het meest gespeeld wordt. De voordelen liggen voor de hand, ze zijn goedkoop, gemakkelijk te hanteren en mee te nemen. Vanwege deze voordelen, wordt er wel eens minderwaardig over dit instrument gesproken als zijnde een speelgoedinstrumentje. Doch als er serieus ermee wordt omgegaan, blijkt het een volwaardig instrument te zijn, waarmee veel musici hun spel ingenieus en virtuoos kunnen botvieren. De tin whistle is van het type bekfluit ('bek', vanwege het snavelvormig mondstuk), waaronder ook de blokfluitenfamilie behoort. Het is niet uitgesloten dat voordat de ontwikkeling van de tin-whistle plaatsvond, de blokfluit een rol in Ierse stedelijke middenklasse speelde. Er is een tenorblokfluit bekend van het merk 'Neale', dat in verband wordt gebracht met de 18e eeuwse muzikale aspiraties van John Neal in Dublin. De uitvinding van de tin whistle wordt geclaimed door de firma Clarke en zou in 1843 zijn gedaan door Robert Clarke in het Engelse dorp Coney Weston. Nadat hij van een nieuw soort materiaal, 'tinplate' (= blik) had gehoord, paste hij het toe om dit instrument maken. Nadat het in productie werd genomen werden ze over de gehele wereld geëxporteerd, met name naar Ierland. Ierse arbeiders die in Engeland aan de spoorwegen en kanalen werkten waren daarbij belangrijke afnemers.

Het naam flageolet voor de tin whistle zorgt nogal voor verwarring. Het is niet duidelijk waarom deze als zodanig wordt aangeduid, een mogelijkheid is vanwege de hoge tonen die ermee kunnen worden geproduceerd.
In de 13e eeuw is reeds een instrument met de naam flajolet of flajol genoemd, waarmee een rietfluit werd bedoeld, maar de 'echte' flageolet was pas aan het einde van de 16e eeuw uitgevonden door Le Sieur Juvigny (Munrow, 1976).
Het instrument was van de 17e tot de 19e eeuw populair in Frankrijk en Engeland. Het had naast vier tot zes vingergaten, ook twee gaten voor de duim. Flageoletten uit de 17e eeuw waren bovendien uitgerust met een mondstukkamertje, die was voorzien van een spons om het mondvocht van de speler op te vangen. In de 18e eeuw werd het snavelmondstuk vervangen door een tuit van been of ivoor. Tot de 19e eeuw bleek het instrument vooral populair bij amateurs, met name in bands of orkesten om doorgaans de hoogste partij te spelen. Vanaf 1804 werd een nieuw type instrument ontwikkeld van Engelse makelij door William Bainbridge, die onder naam 'flageolet or English Flute'. Deze werd ca. 1807 onder het merk 'Bainbridge and Wood' op de markt werd gebracht. Het speciale mondstuk en de vorm bleef naar Frans voorbeeld behouden, alsmede in veel gevallen het sponskamertje. Er waren zes vingergaten aangebracht, die zoals bij de D-tin whistle de D-toonladder gaven, inclusief een extra duimgat, zoals bij de blokfluit. Sommigen hadden nog met een zevende vingergat door het bereik met C♯ in het lage gebied uit te breiden. Nadat deze z.g.n. 'single'-flageolet was ontwikkeld, werden door Bainbridge ook nog de 'double'- en 'triple'-flageoletten op de markt gebracht, die voorzien waren van resp. twee en drie fluitlichamen.

vrijdag 28 november 2014

Muziek in het tijdperk van de fonografie

In 1877 vond Edison de fonograaf uit. In de bijna honderdvijfentwintig jaar die sindsdien zijn verstreken, heeft de geluidsregistratie het muziekleven drastisch veranderd. Een oeroude droom van de mensheid - de opslag van het akoestisch signaal - werd werkelijkheid; geconserveerde muziek is doorgedrongen in de muziekpraktijk, het muzikale bewustzijn is verrijkt met een historische dimensie en de leer van de uitvoeringspraktijk heeft een hoorbaar demonstratie object gevonden.
Deze en tal van andere aspecten geven ons recht en reden om te spreken van cultureel nieuwe elementen van de “Muziek in de epoche van de fonografie”.
Slechts een waanzinnig klein gedeelte van de muziekgeschiedenis is voor onderzoek toegankelijk. Reeds het ontcijferen van getuigenissen van de Europese middeleeuwse muziek levert grote problemen op. Archeologische vondsten die tussen 1954 en 1962 in de Oekraïne werden gedaan, tonen echter aan dat in het Paleolithicum, zo’n 20.000 jaar geleden, een “slagwerk orkest” bestond, dat werkte met geprepareerde mammoetbotten. Naar de manier waarop deze instrumenten werden gebruikt, blijft het  gissen.; de relatie tussen uitingen van de menselijke stem, de dans en het gebruik van instrumenten kan in het beste geval bij benadering worden vastgesteld met behulp van muzieketnologisch onderzoek. Kortom, de vroegste geschiedenis van het menselijk musiceren zal wel altijd duister blijven.
Eigenlijk pas laat stuiten we op pogingen om de vluchtige klank met schriftelijke symbolen vast te leggen. Het vroegchristelijk denken heeft naar het schijnt zelfs de Griekse notatie verworpen om pas veel later in verschillende etappes tot die notatie te komen, die tenslotte bepalend werd voor de beschaving van het avondland. Aan het begin van die christelijk-avondlandse ontwikkeling stond echter de onwrikbare overtuiging van de vluchtige vergankelijkheid der tonen:
“De tonen vergaan als ze niet in de herinnering van de mens worden bewaard omdat ze niet kunnen worden opgeschreven.” Deze zin is te vinden in de “Sententae de musica” welke Isidor van Sevilla rond 620 na Christus formuleerde. De voor het gebruik van de liturgische muziek geleidelijk aan ontwikkelde tekens, de neumen, kwamen aanvankelijk nog tegemoet aan de opvatting dat muziek niet op schrift kon worden uitgedrukt, want ze dienden niet primair om het gecomponeerde te fixeren, maar als geheugensteun bij de uitvoering. Het grootste deel van de wereldgeschiedenis van de muziek is derhalve de geschiedenis van de notatieloze muziek.
Deze muziekpraktijk van de eerste historische orde heeft slechts geringe sporen nagelaten: instrumenten, afbeeldingen, overleveringen van allerlei soort. De ontwikkeling van het notenschrift kondigt een dialectische sprong in de muziekgeschiedenis aan. Max Weber heeft op die kwantumsprong gewezen toen hij noteerde: “Het notenschrift heeft voor de muziek een veel grotere betekenis dan het letterschrift voor de literatuur. Men zou zich een heel drama van Ibsen kunnen voorstellen door louter mondelinge overlevering. Maar de conceptie van een symfonie in ondenkbaar via alleen mondelinge overlevering.”
Zonder het notenschrift is ook het ontstaan van de componist ondenkbaar. Nu gaat het schrift vooraf aan de klank. De renaissance kende dat begrip reeds en daarmee de plaats van de componist als schepper van een “werk”. Daarmee begint de muziekpraktijk van de tweede orde. Daarnaast blijft die praktijk van de eerste orde bestaan, maar het in schriftelijke vorm vastgelegde werk bepaalt tenslotte letterlijk de hele muziekcultuur. De Europese kunstmuziek zoals we die algemeen kennen, staat op deze historische trap. Het muzikale denken werd tenslotte in de negentiende eeuw vrijwel volledig beheerst door deze kunstmuziek met het daaraan ten grondslag liggende toonsysteem en de bijbehorende notatiewijze. De concrete historische vormen van de muzikale schoonheid werden omgemunt tot esthetische wetmatigheden.
Het was de muzikale volkenkunde die deze gangbare gedachte ondermijnde. De schok werd ingeleid door de Engelsman Alexander John Ellis (1814-1890) die in 1814 de Londense Royal Society een studie voorlegde, welke met de volgende zin afsloot: “De conclusie luidt, dat de muzikale toonladder niet uniek is en op zichzelf staat. Evenmin is deze ‘natuurlijk’. Er bestaan heel verschillende, erg capricieuze schaalvormen.”
Met zijn studie, die onder de titel “On the Musical Scales of Various Nations” verscheen, heeft Ellis het geloof aan de enige juistheid van het met ons notenschrift gerelateerde toonsysteem ter discussie gesteld.
De mogelijkheid om de verscheidenheid van de in de wereld voorkomende toonsystemen vast te stellen en te produceren, werd pas in de praktijk mogelijk dankzij de uitvinding van de fonograaf van Edison in 1877. Al gauw werd namelijk dit apparaat ook voor muzikaal veldonderzoek gebruikt, te beginnen in de Verenigde Staten. Aan het begin van de 20e eeuw werd onder andere het Phonographische Archiv in Berlijn gesticht. De eerste directeur, E.M. von Hornborstel, verzorgde in 1922 bijvoorbeeld ook een  Duitse vertaling van het werk van Ellis.
Met de fonografie werd niet alleen het fundament gelegd voor de etnomusicologie, maar ook meteen ook principieel voor de mogelijkheid om tot de “wereldmuziek” door te dringen. Ondanks later ontstane misverstanden over dit begrip is dat hier bedoeld als analogie van het door Goethe geïntroduceerde begrip “wereldliteratuur”. Dat omvat zowel een wereldwijde uitwisseling als de gedachte van het gemeenschappelijk literatuurbezit van alle volken.
Het is veelzeggend dat het idee van een wereldmuziek niet tegelijk met het begrip wereldliteratuur tot ontwikkeling kwam. Dat hangt in hoge mate samen met het feit dat ons notenschrift ongeschikt is voor het vastleggen van muziek uit buiteneuropese culturen. Pas de overgang van het noten- naar het klankschrift, van de schriftelijke notatie naar de fonografie heeft hier voor verandering gezorgd. De betekenis van de fonografische registraties die Bartók op de Balkan, in Turkije en Noord Afrika maakte, ligt onder andere mede daarin besloten.
De studie van de boerenmuziek, schreef de veertigjarige Bartók in een autobiografische schets, “was daarom van beslissende betekenis voor me, omdat deze me op de mogelijkheid van een volledige emancipatie van de alleen heerschappij van het bestaande majeur- en mineur systeem attendeerde.”
Zo heeft de fonografie een voortgaande ontwikkeling van het inzicht over de wereldmuziek mogelijk gemaakt. De apparatuur die de etnomusicologen aanvankelijk ter beschikking stond om op te nemen en weer te geven, was nog vrij primitief. In elk geval was die apparatuur nog ongeschikt om het muziekleven zelf en het publieke bewustzijn van muziek te veranderen of te beïnvloeden.
Pas de electrificatie van de geluidsregistratie en -weergave maakte dat mogelijk. Op grote schaal gebeurde dat na de tweede wereldoorlog. Muziekconserven vormen thans het dominerend grote deel van het muziekaanbod. Geregistreerde muziek vormt de hoofdschotel van de muziekconsumptie. Hel wat muziekoptredens danken hun primaire bestaan zelfs aan de geregistreerde vorm. Dat geldt met name voor het grootste gedeelte van de popmuziek. Er zijn ook werken, die helemaal niet meer in schriftelijke vorm worden geconcipieerd, maar die meteen in fonografische gestalte verschijnen: elektronische muziek, musique concrète, tape music.
Dat biedt ons het recht om over een muziekpraktijk van de derde orde te spreken. Ook hier weer dient te worden opgemerkt dat de oude praktijken - notatieloze overlevering en genoteerde muziekwerken - blijven voortbestaan. Niettemin ging de gefonografeerde muziek een kwantitatief steeds grotere rol spelen; hij kreeg geleidelijk een dominant karakter en veranderde de struktuur van het muziekleven kwalitatief:
1) Voor het eerst in de geschiedenis is de muziekweergave in het tijdsdomein losgekoppeld van de uitvoering door de mensen.
2) De elektro-akoestische registratie maakt het mogelijk om muziekvormen te realiseren die in de normale “live” muziek onmogelijk zijn.
3) De compositie kan wat het eindresultaat betreft toe zonder zingende of musicerende mensen omdat elektrische impulsen naar wens van een componist als zodanig kunnen worden gebruikt. In plaats van een “muzikale interpretatie” is dan sprake van een “technische realisatie”.
4) De vastlegging op magnetische band of computerschijf maakt het mogelijk om vrij te beschikken over gedeelten van het opgeslagen materiaal. Daardoor worden allerlei bewerkingen mogelijk: collage, montage, vervreemding enzovoorts. Anders gezegd: zo ontstaat een elektro-akoestische redactie. Het technische medium houdt op om louter overdrachts medium te zijn en wordt een “instrument” in muzikaal-esthetische betekenis. Dat wil zeggen: een werktuig ten dienste van de artistieke expressie.
Afzonderlijk zijn al deze aspecten wel doorgedrongen tot het bewustzijn van brede lagen van muziekliefhebbers. Zo’n honderdvijfentwintig jaar na de uitvinding van de fonografie mag echter best wat meer aandacht worden besteed aan het doordingen van dat bewustzijn van de totale culturele innovatie die de fonografie heeft teweeg gebracht.
Voor het eerst beschikken we over documenten die meer over de artistieke wil van een componist aantonen dan de opgeschreven noten: bijvoorbeeld platen, cd’s en banden, waarop te horen is hoe Hindemith, Stravinsky en Strauss eigen werken dirigeerden of hoe Saint-Saëns en Ravel piano speelden. Voor het eerst blijven documenten bewaard over de uitvoeringspraktijk en de ontwikkeling daarvan gedurende de afgelopen vijfenzeventig jaar. Latere generaties kunnen die ontwikkeling bestuderen en er hun voordeel mee doen.
Het is moeilijk aantoonbaar, maar de belangstelling voor zo authentiek mogelijke uitvoeringen van oudere muziek is waarschijnlijk erg gestimuleerd doordat zoveel uitvoeringen ter vergelijking beschikbaar waren. Zelfs als die stimulans vanuit het negatieve kwam: op die manier doen we het voortaan niet langer.
In een toekomstig muziekmuseum moeten alle vormen naast elkaar te vinden zijn. Van de eigenzinnig romantische aanpak van de Matthäus Passion door Mengelberg tot de meest academische authentieke uitvoering.
De fonografie heeft de van nature vluchtige muziek aan banden gelegd en dienstbaar gemaakt voor de mensheid. Daarbij  werd het muzikale bewustzijn aanzienlijk verrijkt, er werd een historische en haast planetaire dimensie aan toegevoegd, nieuwe kwaliteiten van de vormgeving en de belevenis werden ontsloten.