zondag 15 augustus 2021

Jazz en Nedeerland (deel 8): Bimhuis

Het Bimhuis werd gaandeweg het belangrijkste Nederlandse podium voor jazz en geïmproviseerde muziek. Het kreeg ook een grote internationale reputatie, zoals onder meer zou blijken uit het boekBimhuis 25, dat in 1989 onder redactie van de Amerikaanse jazzscribent Kevin Whitehead verscheen. Naast tientallen Nederlanders leverden ook Amerikanen als Von Freeman, Gerry Hemingway, Steve Lacy, Sam Rivers, Cecil Taylor en Bobby Watson en vele Europese musici bijdragen aan deze Engelstalige jubileumbundel.

In 1984 werd het Bimhuis ingrijpend verbouwd. Bij de heropening op 16 november 1984 waren op zeker moment zo’n duizend mensen aanwezig. De pils raakte uitverkocht en het zal duidelijk zijn dat in die drukte Misha Mengelbergs compositie Keerkring van de gezadelde zeekip voor symfonieorkest en vier improvisatoren niet zo tot zijn recht kwam.

De SJIN zag het Bimhuis niet zozeer als een Amsterdams podium, maar als een centrum dat een broedplaats met een nationale, zo niet internationale uitstraling moest worden. Die landelijke uitstraling kreeg een extra cachet door de October Meeting in 1987. In samenwerking met Piet Hein van de Poel van de NOS-radio bracht initiatiefnemer Huub van Riel, coördinator bij de SJIN, meer dan vijftig vooraanstaande improvisatoren uit Europa en de VS bijeen. Vanuit het Bimhuis waren er vertakkingen naar veertien podia in andere steden, onder andere in Nijmegen, Rotterdam, Groningen en Breda.

Het idee was vernuftig. Van Riel had een aantal musici, onder wie niet alleen pianist Cecil Taylor, gitarist Derek Bailey en altist John Zorn, maar ook cellist Ernst Reijseger en de pianisten Guus Janssen en Misha Mengelberg, in staat gesteld om zelf deelnemers voor hun projecten uit te kiezen. Dat leverde verrassende muzikale ontmoetingen op: van zeer geslaagd (bijvoorbeeld Cruise Button, een idee van Ernst Reijseger, met funkbassist Gerald Veasley en slagwerker Eddy Veldman als ritmesectie voor een wisselende pool van blazers) tot teleurstellend (zoals Cecil Taylor & Band, een project in het Concertgebouw dat leed onder een ergerlijke geluidsbalans).

Zo’n initiatief vroeg om een voortzetting, en die kwam er in de vorm van een tweede October Meeting in 1991. In de zomer van 1990 vonden in het Bimhuis de succesvolle Summersessions rond Cecil Taylor plaats. De rol van gitarist Franky Douglas in een trio met Taylor en slagwerker Sunny Murray oogstte veel lof; inmiddels is het een legendarisch concert geworden.

De eerste October Meeting had uitnodigingen opgeleverd aan slagwerker Han Bennink, tenorist Peter van Bergen en trombonist Wolter Wierbos om deel te nemen aan het tweede Europese orkest van Cecil Taylor, die in de zomer van 1988 twee maanden in Berlijn doorbracht. Na een week van intensief repeteren gaf het orkest twee daverende optredens, die door het Duitse label Free Music Production in een monumentale doos met alle Taylor-opnamen uit die twee maanden zijn uitgebracht. Die doos bevat ook de opname van een duo-concert dat Bennink in die periode met Taylor gaf.

donderdag 15 juli 2021

Jazz en Nederland (deel 7): Modern Jazz

In de periode 1966-1974 maakt de jazz in Nederland hectische tijden door. De opkomst van een nieuwe jazzvorm, die afwisselend avant-garde jazz, free jazz, ‘the new thing’ of (in Amerika) ‘new black music’ wordt genoemd, brengt vrijwel alle geledingen van het jazzmilieu in heftige beweging. De oudere jazzvormen blijven uiteraard voortbestaan (de dixieland zal zelfs doorbreken naar een nieuw, massaal carnavalspubliek, en ook de traditionele blues wordt voor het eerst in wijdere kring bekend). Maar met name de sector die voorheen ‘moderne jazz’ heette, waarvan veel beoefenaren inmiddels hun bestaan hadden gevonden in de Hilversumse omroeporkesten, komt soms in pijnlijke botsing met de opkomende jonge rebellen, van wie rietblazer Willem Breuker, pianist Misha Mengelberg en slagwerker Han Bennink de belangrijkste voortrekkersrollen spelen.

De bloeitijd van de grote nachtconcerten in het Amsterdamse Concertgebouw (vaak voorafgegaan door avondconcerten in het Scheveningse Kurhaus) loopt omstreeks 1965 ten einde. Amerikaanse jazzgroten zijn vanaf 1966 in Nederland voornamelijk te horen tijdens het jaarlijkse Newport Jazz Festival in Europe in de Rotterdamse Doelen, en vanaf 1971 op het Internationaal Jazz Festival dat NOS en VARA elk jaar organiseren, eerst in Loosdrecht (als uitbreiding van het Loosdrecht Jazz Concours dat wijlen Max van Praag hier sinds 1958 organiseerde) en vanaf 1973 in de Singer Concertzaal te Laren.

Nederland mag zich wel lange tijd verheugen in de permanente aanwezigheid van twee grote Amerikaanse tenorsaxofonisten: Ben Webster en Don Byas (beiden zullen in Amsterdam sterven; Byas in 1972, Webster in 1973). Webster en Byas zijn, naast talrijke andere Amerikaanse jazzgroten op tournee, te horen tijdens de opmerkelijke reeks concerten die tenorsaxofonist Hans Dulfer vanaf september 1968 organiseert in de hoofdstedelijke hippie-tempel Paradiso, die de rol van de nachtclub Sheherazade als het belangrijkste jazzpodium van Amsterdam overneemt.

De schoksgewijze kennismaking van de Nederlandse jazzwereld met de nieuwe jazz uit Amerika wordt – meer nog dan door het eerste Nederlandse optreden van tenorist John Coltrane (in 1960 met trompettist Miles Davis) of het eerste Nederlandse concert van altsaxofonist Ornette Coleman in 1965 – ingeluid door de komst naar Nederland van altsaxofonist-fluitist-basklarinettist Eric Dolphy en tenorist Albert Ayler, beiden in 1964.

In 1967 sterft John Coltrane en nadien belandt de Amerikaanse jazz-avant-garde geleidelijk in een malaise. In Nederland groeit de ‘Hollandse School’ (soms ironisch omschreven als ‘piep-piep-knor op klompen’), die zich gaandeweg steeds minder tot doel stelt Amerikaanse muzikale voorbeelden na te volgen, inspiratie zoekt in velerlei Europese muziektradities, en de muziek tracht te combineren met andere artistieke vormen zoals theater en beeldende kunst.

De Nederlandse pioniers van wat later ‘geïmproviseerde muziek’ gaat heten, treden niet alleen op het podium baanbrekend op. Te beginnen met de oprichting van de Instant Composers Pool in 1967 door Mengelberg, Breuker en Bennink realiseren zij vormen van zelfbeheer, zowel wat het organiseren van concerten en tournees betreft, als het produceren, distribueren en verkopen van platen. Tegelijkertijd nemen zij allerlei initiatieven om de Nederlandse overheid te bewegen tot een stimulerings- en subsidiebeleid voor de jazz en geïmproviseerde muziek.

Boy’s Big Band, het orkest onder leiding van arrangeur-componist Boy Edgar dat vanaf de oprichting in 1960 een belangrijke samenbindende rol in de Nederlandse jazz heeft gespeeld, krijgt in oktober 1966 een nieuwe leider, in de persoon van saxofonist-componist Theo Loevendie. (Boy Edgar, wiens hoofdberoep medicus is, vertrekt voor enige tijd naar Amerika in verband met zijn wetenschappelijk werk.)

In mei 1968 blijkt de eenheid binnen Boy’s Big Band niet langer te handhaven. Het orkest wordt opgeheven, maar brokstukken ervan zullen in drie formaties voortleven. Theo Loevendie richt zijn experimentele Consort op, saxofonist Herman Schoonderwalt en trompettist Cees Smal beginnen samen met de van buiten Boy’s Big Band komende pianist Frans Elsen het meer conventioneel georiënteerde Hobby Orkest, en de uit Amerika teruggekeerde Boy Edgar gaat optreden met de voornamelijk uit saxofonisten bestaande Boy Edgar’s Sound.

Het beleid van de Stichting Jazz in Nederland, gevoerd door een bestuur dat voornamelijk bestaat uit liefhebbers en journalisten, wekt gaandeweg steeds meer wrevel bij de muzikanten rond de Instant Composers Pool. Op 3 november 1970 wordt een vergadering van het stichtingsbestuur ongevraagd bezocht door vier musici: Willem Breuker, trombonist Willem van Manen, saxofonist Peter Bennink en bassist Maarten van Regteren Altena.

Na deze ‘overval’ volgt op 21 december 1970 de ‘overname’. Tijdens een soort volksvergadering van de Nederlandse jazz in Amsterdam wordt een nieuwe stichtingsbestuur verkozen, bestaande uit het viertal hierboven genoemde musici en drie niet-muzikanten uit het oude bestuur (Rudy Koopmans, Hein van Warmerdam en Jaap de Rijke). Het nieuwe bestuur hoopt voor het seizoen 1971-‘72 van het ministerie van CRM al een structurele subsidie voor de jazz te verwerven.

Omstreeks 1969 ontstaat, voor een belangrijk deel onder invloed van trompettist Miles Davis, in Amerika een nieuw jazzgenre, dat een synthese zoekt met de rock- en popmuziek. Deze rockjazz boekt in Nederland aanvankelijk een minder massaal succes dan in de Verenigde Staten, maar toch komen ook in ons land enkele belangrijke beoefenaren van dit idioom naar voren. Drummer Pierre Courbois, die al in 1961 de Original Dutch Free Jazz Group had opgericht, begint in 1971 de rockjazz-formatie Association P.C. Maar deze groep zal, evenals de eruit voortgekomen pianist Jasper van ‘t Hof, in het buitenland (met name West-Duitsland) meer werk en weerklank vinden dan in Nederland.

Op de conservatoria en andere officiële muziekscholen was jazz (laat staan popmuziek) traditioneel taboe, maar ook hier wordt verandering zichtbaar. Aan de Rotterdamse Muziekschool wordt in het cursusjaar 1969-‘70 voor het eerst de mogelijkheid geopend tot het volgen van ‘instrumentaal muziekonderwijs gericht op het spelen van jazz en amusementsmuziek’. De belangrijkste initiatiefnemer is hier pianist Robert van der Linden, tot de eerste docenten behoort drummer Cees See.

Al deze ontwikkelingen – het scheppen van een eigen Nederlands muzikaal idioom, de opbouw van eigen professionele organisaties, de doelgerichte opleiding van volgende muzikantengeneraties zowel via de workshops als op de conservatoria – werken ook na 1974 krachtig door. Daarbij ebben de conflicten tussen de bopgeneratie en de rebellen van de jaren zestig enigszins weg. Hier en daar worden zelfs bewuste verzoeningspogingen ondernomen, onder meer door pianist Leo Cuypers, die in 1969 het laatste belangrijke talent was dat op het Loosdrecht Jazz Concours werd ontdekt.

Op 1 oktober 1974 werd aan de Oude Schans te Amsterdam het Bimhuis geopend. Pas in dat jaar kende de minister van CRM, Harry van Doorn, aan de Stichting Jazz en Geïmproviseerde Muziek in Nederland (SJIN) een bescheiden subsidie van 100.000 gulden toe. De SJIN had een bedrag van 1.300.000 gulden gevraagd. Omdat de SJIN aan CRM wilde laten zien wat er met voldoende geld mogelijk was op jazzgebied, organiseerde zij tegelijkertijd met de opening van het Bimhuis de eerste Oktober Jazzmaand. In één maand tijd vonden er in Nederland 140 jazzconcerten plaats, hetgeen bijna het hele budget opslorpte. Het jaar daarop verdubbelde het aantal concerten bijna.

zaterdag 3 juli 2021

Jim Morrsion



Op 12 december 1970 spelen The Doors in The Warehouse in New Orleans. Het blijkt later het laatste concert van The Doors te zijn met Jim Morrsion als zanger. Het optreden is een ramp, Morrison is in een slechte toestand, loopt met zijn microfoon te gooien, en stort uiteindelijk in elkaar. Het optreden voor de volgende dag In Baton Rouge wordt afgezegd. Drummer John Desmore schrijft later in zijn boek Riders On The Storm: My Life With Jim Morrison And The Doors het volgende over het optreden: "New Orleans was the lowest note yet ... I could smell death. Secretly I believed that Jim's performance had been terrible. I was embarrassed for the couple thousand folks in New Orleans, but they didn't know what it meant to me. We (the band) agreed to cancel the few gigs we had coming up. The next day we had a pretty quiet flight returning to L.A." Jim Morrison overlijdt op 3 juli 1971 in Parijs op 27- jarige leeftijd.

dinsdag 15 juni 2021

Jazz en Nederland (deel 6): Clubs

De oprichting van de Haagse Dutch Swing College Club was het startsein tot de geboorte van een groot aantal jazzclubs en studieclubs, voornamelijk in het westen van het land. Zo ontstonden in 1946 in Zaandam de Studieclub voor Jazzmuziek, in Amsterdam de Amsterdamse Jazz Sociëteit en in Den Haag de Nederlandse Studieclub voor Jazzmuziek. In 1948 volgden onder meer de Nederlandse Jazzclub in Den Haag en de Rhythm Club in de Amsterdamse Sheherazade.

In 1949 kwam het clubleven pas goed op gang: de Arnhemse Jazz Sociëteit, de Rotterdamse Jazz Sociëteit, de Storyville Club (Schiedam), de Haarlemse Jazz Club, de 45 Jam Club (Amsterdam) en de Alkmaarse Jazz Sociëteit werden opgericht. Jazz was ‘in’, er werd naar 78-toerenplaten geluisterd, er werden concertjes georganiseerd en een term als ‘junkshoppen’ (het op rommelmarkten speuren naar oude 78-toerenplaten) werd een begrip.

De concerten bleven niet beperkt tot privé-clubs. In 1946 werd in het Scheveningse Kurhaus een eerste klein festival geor­ganiseerd. De Britse trompettist-zanger Nat Gonella was één van de gasten. Het was in die tijd moeilijk om buitenlandse groepen naar Nederland te halen. Met het oog op de werkgelegenheid was dat alleen moge­lijk op basis van uitwisseling. Maar wie moesten wij naar de VS sturen om hier naar Amerikanen te kunnen luisteren? Toch druppelden in 1947 al, min of meer stiekem, wat Amerikanen ons land binnen, onder meer tenorsaxofonist Don Byas (die in Amsterdam zou komen wonen) en trombonist Tyree Glenn.

In 1948 maakte het à la Stan Kenton spelende Britse orkest van Vic Lewis veel indruk op de liefhebbers, maar het werd pas echt serieus toen in 1949 de All Stars van Louis Armstrong in Nederland concerteerden. In 1950 kwam de band van Duke Elling­ton optreden en werd ook in Amsterdam een echt jazzfestival georganiseerd. Gelegenheden als Sheherazade, de Cockpit en de Vliegende Hollander in Amsterdam en Caveau Tzigane in Den Haag werden plekken waar bijna wekelijks jazz kon worden gespeeld en waar na concerten van Amerikaanse groothe­den werd geprobeerd jam-sessies te organiseren.

De grote namen kwamen steeds vaker naar Nederland: in 1952 Jazz At The Philharmonic, opnieuw Louis Armstrong, Sidney Bechet, Dizzy Gillespie en Big Bill Broonzy. In 1953 maakte de band van Stan Kenton een verpletterende indruk op de fans. Lionel Hampton veroorzaakte een jaar later sensa­tie door het publiek in de Amsterdamse Apollo-hal door de vloer te laten gaan. Er werd schande van gesproken en organisator Lou van Rees annuleerde op slag een aantal jazzconcerten die hij op stapel had staan. Maar blijvende schade richtte het Hampton-schandaal niet aan, want in het seizoen 1955-’56 kwamen alweer Louis Armstrong, Chet Baker, Jazz At The Philharmonic, Stan Kenton en zelfs nogmaals Lionel Hampton naar Nederland.

Twee concurrerende organisatoren waren zeer actief, Lou van Rees (1916-1993) en Paul Acket (1922-1992), en het nachtconcert werd een begrip. Een Amerikaanse grootheid speelde bijvoorbeeld om 20.00 uur in de Kurzaal in Den Haag en om 00.30 uur in het Amsterdamse Con­certgebouw. Die concerten waren bijna altijd uitverkocht.

De belangrijkste vorm van ‘contact met de jazz’ was natuurlijk de grammofoonplaat. Tot het begin van de jaren vijftig was dat de breekbare 78-toerenplaat geweest, maar in 1952 verschenen de eerste lp’s in Nederland, het Carnegie Hall Concert van Benny Goodman en de Bessie Smith Story. De eerste lp’s met Nederlandse jazz werden op 21 mei 1953 tijdens een concert in het Rembrandt Theater te Eindhoven opgenomen. De muziek van onder anderen trompettist Nedly Elstak (1931-1989), altsaxofonist Tony Vos en de tenoristen Jos van Heuverzwijn (1929-1963) en Toon van Vliet verscheen op twee 25 cm-lp’s onder de titel Jazz At The Kurhaus.

Twee jaar later, in januari 1955, startte Phonogram de lp-serie Jazz Behind The Dikes, met onder anderen Rita Reys, Wessel Ilcken, altist Tony Vos en de pianisten Stido Alström (pseudoniem van Dits Sakkers), Frans Elsen en Rob Madna (1931-2003). In diezelfde maand maakte de concurrerende platenmaatschappij Bovema ook opnamen van moderne Nederlandse jazz (onder anderen Rob Pronk, Rob Madna, de gebroeders Van Rooyen en Wessel Ilcken). Onder de titel Jazz From Holland werden deze vertolkingen eerst op 78-toerenplaten en in 1956 op een 25 cm-lp uitgebracht.

De jazz in Nederland was op een kruispunt beland. Enerzijds was er de invloed van pop en beat (Beatles, Rolling Stones, een jonge generatie die dansen boven luisteren stelde) en een steeds verder terugzakken van de gevestigde jazzorde (orkes­ten, clubs, concerten, muziekbladen). Anderzijds begon een nieuwe revolutionaire stroming te groeien, die tot ver buiten de Nederlandse grenzen zou reiken.

zaterdag 15 mei 2021

Jazz en Nederland (deel 5): Big Bands


Big bands op professionele basis zijn er in de Nederland­se jazzgeschiedenis niet veel geweest; het was meestal te kostbaar om zo’n groot gezelschap in stand te houden. Direct na de Tweede Wereldoorlog werd de dienst uitgemaakt door de al ver vóór de oorlog actieve Ram­blers en de door Pi Scheffer (1909-1988) geleide Red, White and Blue Stars, die al snel The Skymasters gingen heten.

De Ramblers kwamen niet zonder kleerscheuren uit de oorlog. Hun leider Theo Uden Masman (1901-1965) had enige tijd problemen met de ‘zuivering’ wegens zijn activiteiten tijdens de bezetting. Met musici als de trompettisten George van Helvoirt, Jackie Bulterman, Ferry Barendse en Sem Nijveen, trombonist Marcel Thiele­mans, de saxofonisten Wim Poppink en de broers Kees en Tinus Bruijn, en drummer Kees Kranenburg was het orkest regelmatig op de radio te horen. Ook de platenproductie van de Ramblers bleef, naar Nederlandse begrippen, gigantisch. De band had een grote schare fans en boekte veel succes met stukken als Bouncin’ In Bavaria, Mambo Jambo, Donkey Serenade, Strike Up The Band en minder jazzy nummers zoals Sprookje Is Uit, Abelebebop en Mooi Holland.

Met de komst van de broers Ack en Jerry van Rooyen en Ado Broodboom (allen op trompet) en tenorsaxofonist Toon van Vliet (1922-1975) kreeg het orkest midden jaren vijftig opnieuw een paar stevige jazzimpulsen. Voor de liefhebbers waren vooral de nummers van de ‘Ramblers-combo’ op de radio de moeite waard. In 1955 stortten The Ramblers zich in een prestigieus project, een optreden met het Rotterdams Philharmonisch Orkest waarbij Rolf Liebermann’s Concerto For Jazzband And Symphonic Orchestra ten gehore werd gebracht.

In 1964 hield het orkest op te bestaan, het ging over in het VARA-dansorkest onder leiding van pianist Charlie Nederpelt (1920-1987). De manier waarop de VARA met het orkest en leider Theo Uden Masman omsprong was niet al te elegant. ‘De oude man’ werd behoorlijk hardhandig terzijde geschoven, had korte tijd nog een platenru­briekje maar stierf in 1965. Zo waren vlak na elkaar orkest en leider gestorven.

The Skymasters was een tweede radio-big band die het goed deed, eerst geleid door Pi Scheffer, later door altsaxofonist Bep Rowold (1912-1968) en nog later door tenorsaxofonist Sander Sprong (1920-1990). Het orkest werd geroemd om zijn saxofoonsectie maar maakte helaas slechts weinig platen.

Een echte liefhebber was Boy Edgar (1915-1980), een muzikant die arts was geworden maar zich liever met jazz bezighield dan met medicijnen. Hij werd in 1960 leider-arrangeur van een big band met louter topnamen, opgebouwd rond de Diamond Five. Boy’s Big Band maakte twee lp’s (die zelfs in het toonaangevende Amerikaanse jazzblad Down Beat een recensie kregen) en was vooral befaamd door de buitengewone kwaliteit van de saxofoonsectie (met onder anderen Tinus Bruijn, Piet Noordijk, Theo Loevendie, Herman Schoonderwalt, Toon van Vliet en Harry Verbeke). Boy Edgar deed zulk goed werk voor de Nederlandse jazz dat hij in 1964 de Wessel Ilcken Prijs kreeg en in de jaren daarna menigmaal, met hulp van enige subsidie, met zijn orkest naar buitenlandse jazzfesti­vals (zoals het Franse Antibes) mocht afreizen. De belangrijkste Nederlandse jazzprijs werd een aantal jaren na Edgars overlijden omgedoopt tot Boy Edgar Prijs.

zaterdag 8 mei 2021

Robert Johnson


Robert Leroy Johnson (Hazlehurst (Mississippi), 8 mei 1911 – Three Forks (Mississippi), 16 augustus 1938) is één van de invloedrijkste Amerikaanse bluesartiesten aller tijden.

Hoewel hij slechts 27 werd, maar twee opnamesessies heeft gedaan en maar een twintigtal songs naliet, is hij hét voorbeeld voor veel blueszangers en -gitaristen.

Robert Leroy Johnson woonde het eerste deel van zijn leven op een plantage bij Hazelhusrt waar hij zichzelf leerde bluesharp spelen, maar het was zijn wens om de gitaar te leren beheersen. Binnen zeer korte tijd lukte het hem, met behulp van onder meer de al even mysterieuze Ike Zinneman, om het instrument meer dan voldoende te beheersen.

Deze prestatie bracht de fabel in de wereld dat Johnson zijn ziel had verkocht aan de duiver. Hij zou op een nacht naar een kruispunt zijn gegaan om daar gitaar te gaan spelen. Om middernacht zou hij benaderd zijn door een grote, donkere man (de duivel), die hem zijn instrument afpakte, het voor hem stemde, en het, in ruil voor zijn ziel, aan hem teruggaf,  waarna hij het perfect zou kunnen bespelen.

Hazelhurst ligt dicht bij Crystal Springs, Mississippi, waar de populaire Delta gitarist Tommy Johnson (geen familie) woonde en werkte. Robert Johnson trouwde hier en oefende ondertussen zijn picking. Hij leerde nieuwe liedjes van grammofoonplaten.

Het is hier dat hij in de ban raakte van de mysterieuze gitarist Ike Zinnerman, een man waarvan de lokale bevolking beweert dat Johnson hem perfect kon nabootsen.

Dan steekt Robert Johnson opnieuw de kop op in Robinsonville vele maanden later zonder zijn vrouw, maar met een verpletterende gitaartechniek en een groot aantal nieuwe nummers. Die klinken verdacht veel als Lonnie Johnson (geen familie), Skip James, Peetie Wheatstraw, Scrapper Blackwell, en Kokomo Arnold.

Hier komt de fabel boven van de ontmoeting met de duivel op de “crossroads”. Hoewel Johnson’s nummers werden afgeleid van andere musici, hebben zij een zeer persoonlijke benadering van bekende thema’s als verlies, isolement en paranoia.

Johnson speelde overal, van de Kitty Cat Club in Helena, Arkansas tot de straten van Friars Point aan de voorkant van Drugstore Hirsberg’s. Zijn reislust nam hem mee naar steenkoolmijnen, speakeasies, dijk kampen, en tavernes in de Midwest, aan de oostkust, en zelfs in Canada. Maar het waren die weinige opnamen van hem die de grootste impact zouden hebben.

Robert Johnson nam tweemaal op, eerst in San Antonio, Texas, in november 1936 en opnieuw in Dallas, Texas, in juni 1937. De negenentwintig liedjes die hij opgenomen heeft tijdens deze twee sessies zijn de hoekstenen van de delta blues.

Na een van zijn optredens kreeg hij vergiftigde whiskey – waarschijnlijk een actie van een jaloerse echtgenoot van een van zijn scharrels. Hij werd overgebracht naar Greenwood, waar hij het gif binnen enkele dagen door ziekte wist uit te zweten. Hij liep hierbij echter wel een longontsteking op die hem uiteindelijk fataal werd.

Er bestaan slechts drie foto’s van de man. Over de autheticiteit van de tweede en de derde (onderaan met sigaret en portret) wordt nog getwijfeld.

donderdag 15 april 2021

Jazz en Nederland (deel 4): Dutch Swing

De bevrijding op 5 mei 1945 schept terstond nieuwe werkgelegenheid voor de Nederlandse jazz- en dansorkesten. Die eerste dag geeft het Quartet of the Dutch Swing College een openluchtconcert in Den Haag. De groep beoefent het Benny Goodman-idioom en staat onder leiding van pianist Frans Vink, met verder klarinettist Peter Schilperoort, bassist Henny Frohwein en drummer Tonny Nüsser. Later wordt de groep uitgebreid, het accent komt op oudere jazz te liggen en Schilperoort neemt de leiding over. De Dutch Swing College Band zal een van de succesvolste dixieland-bands ter wereld worden.

In Hilversum gaat een zuiveringscommissie aan het werk, die de meeste radiomusici vrijpleit van collaboratie. Alleen Theo Uden Masman en Dick Willebrandts krijgen een lichte sanctie: beiden mogen een half jaar lang geen orkest leiden. (Ernst van ‘t Hoff was in mei 1944 door de Nederlandsche Omroep ontslagen en had definitief de wijk genomen naar België.)

The Ramblers komen niettemin meteen terug, tijdelijk onder leiding van drummer Kees Kranenburg, maar zij zullen bij hun optredens enige tijd te kampen hebben met protesten en demonstraties van voormalige verzetsstrijders.

De kern van het Dick Willebrandts-orkest gaat, zonder de leider, onder de naam Blue Stars voor het Amerikaanse leger in België optreden. De band staat korte tijd onder leiding van Willy Kok; daarna wordt trombonist-arrangeur Pi Scheffer de leider. Onder zijn bewind gaat het orkest als The Skymasters voor deAVRO werken.

De Dutch Swing College Band gaf de stoot tot het succes van de oudestijl-jazz in de periode 1946-1966. Direct na de bevrijding trad de groep op als ‘The Quartet of the Dutch Swing College onder leiding van Frans Vink Jr.’; toen het aantal musici de vier overtrof, ging de groep verder onder de naam ‘The Orchestra of the Dutch Swing College’.

In de oorlogsjaren hadden Peter Schilperoort (1919-1990) en zijn makkers in Den Haag wat ondergrondse Swing-muziek geproduceerd. Na de oprichting van de Dutch Swing College Club in 1944 besloten klarinettist Schilperoort en pianist Frans Vink (1918-1967) een huisorkest te beginnen, waarmee de kiem werd gelegd voor de latere DSC. Het orkest won snel aan populariteit, trok al spoedig over de grens om ook in België met veel enthousiasme te worden ontvangen, speelde vanaf 1948 voor de radio, en registreerde op 10 juli 1948 zijn eerste 78-toerenplaat Strange Peach/Apex Blues voor Decca. Met musici als Kees van Dorsser (tp), Wim Kolstee (tb), Schilperoort (kl, bars), Dim Kesber (kl, as), Joop Schrier (p), Dick Bakker en wat later Joop van Leeuwen (gtr, bjo), Chris Bender en later Bob van Oven (b), en Arie Merkt (drs) bouwde de band een internationale reputatie op.

Naast de Dutch Swing College Band waren er de in 1946 opge­richtte Dixieland Pipers onder leiding van pianist Eric Krans (1923-1975), een broeinest van jong talent. Dan was er de in 1949 opgerichte Down Town Jazz Band onder leiding van pianist Roefie Hueting (die van mening was dat de DSC véél te modern speelde). Beide orkesten maakten talrijke platen, de Dixieland Pipers in een bezetting met twee trompetten en een zeer authentiek repertoire. De Down Town Jazz Band maakte vooral furore door in 1955 de AVRO Jazzcompe­titie (afdeling ‘oudestijl’) te winnen.

In 1952 staken de New Orleans Seven van wal, nu eens met musici die níet allemaal uit Den Haag kwamen. Ook dit orkest – met onder anderen tekenaar Frits Müller op klarinet en de latere literator F.B. Hotz (1922-2000) op trombone – kreeg een grote populariteit (onder meer door een paar uitstekende ep’s) en won heel wat concoursen, waaronder de eerste AVRO Jazzcompetitie in 1954 en het eerste Loosdrecht Jazz Concours in 1958. Van de vele oudestijl-orkesten die in Nederland actief waren, verdienen ook de New Orleans Syncopators vermelding. Dit in 1954 door pianist Jan Burgers opgerichte orkest zag brood in het ‘verjazzen’ van liedjes als Wenn der Weisse Flieder, Tulips from Amsterdam, In der Grossen Stadt Zaltbommel en de eerste echte hit Midnight in Moscow. De puristen kregen er de rillingen van, het grote publiek vond het prachtig.

Pia Beck verliet in september 1949 The Millers om zelfstandig furore te maken. In haar trio, dat veelal optrad in de Vliegende Hollander in Scheveningen (toen nog een echt uitgaanscentrum) speelden in de loop van de tijd musici als de drummers Johnny Engels jr. en Cees See, de bassisten Fred Loggen, Eddie de Haas, Henk Bosch van Drakestein (1928-1993) en Dick van der Capellen, en de gitaristen Carel de Vogel, Jan Blok (1924-1995) en Robbie Pauwels. In 1950 nam ze de plaat Pia’s Boogie op. Het werd een soort jazzvolkslied, dat iedere zichzelf respecterende schoolfeestjespianist moest kunnen spe­len. Ook pianisten als Hein van der Gaag en Rob Hoeke (1939-1999) stortten zich later met succes op de boogie woogie.

Pia Beck timmerde ook internationaal aan de weg. Ze trad op voor de Britse tv (1950), en speelde in de VS in Birdland, de Down Beat Club en voor het radiostation WNYC. Ze was in Neder­land regelmatig op de radio te beluisteren, maar haar hart trok naar Spanje waar ze in 1965 een eigen zaak in Torremolinos begon.

In Amsterdam woonde en werkte accordeonist Johnny Meijer (1912-1992). Zijn Swingwerk voor de radio, op de plaat en in Amsterdamse cafés was van hoog niveau en in 1953 werd hij in de Parijse Salle Pleyel tot ‘le Roi d’Accordéon’ gekroond. Meijer trok nimmer naar de VS om daar zijn loopbaan uit te bouwen, ‘de Am­sterdamse Jordaan was veel gezelliger’. Zijn Haagse collega Matthieu Schwartz, die bij The Millers had gespeeld, waagde in 1952 wel de sprong naar Amerika. Als Mat Mathews zou hij daar uitgroeien tot een gevierde jazz-accor­deonist.

Van grote betekenis voor de Nederlandse moderne jazz waren Wessel Ilcken en Rita Reys. Wessel Ilcken (geboren in 1924 en overleden aan de gevolgen van een waterski-ongeval in 1957) was de eerste echt modern spelende drummer in Nederland. Hij verdiende zijn eerste sporen in het orkest van Piet van Dijk. In 1945 huwde hij de zangeres van dat orkest, Rita Reys. De Wessel Ilcken Combo speelde in de Amsterdamse club Hollywood (1950-1952), boekte veel succes in Zweden (1953) en trad op met internationale grootheden zoals de Zweden Lars Gullin (bars) en Bengt Hallberg (p), en de Amerikanen Dizzy Gillespie (tp), Joe Carroll (vcl), Tony Scott (kl), Herbie Mann (fl, ts) en Bob Cooper (ts).

Drummer Wessel Ilcken speelde een hoofdrol op de eerste Nederlandse moderne-jazzopnamen, de series Jazz From Holland(1955) en Jazz Behind The Dikes (1955-’57). Zes jaar na zijn noodlottig ongeval werd de belangrijkste Nederlandse jazzprijs naar hem genoemd. In 1963 was saxofonist-klarinettist Herman Schoonderwalt de eerste winnaar van de Wessel Ilcken Prijs; een jaar later werd orkestleider-arrangeur Boy Edgar bekroond.

Zangeres Rita Reys trad in 1942 de jazzwereld binnen via de band van Lex van Spall en zong daarna bij Ted Powder, Piet van Dijk en de combo van haar echtgenoot Wessel Ilcken. In de jaren vijftig kreeg zij de erenaam ‘Europe’s First Lady Of Jazz’, er volgde een tournee naar Engeland en zelfs een aantal optredens in de VS, waar ze zong en platen opnam met onder anderen drummer Art Blakey en de Jazz Messengers, en accordeonist Mat Mathews (1956-’57). Na de dood van Wessel Ilcken trouwde ze in 1960 met Pim Jacobs (die piano had gespeeld in het Wessel Ilcken Combo) en bouwde ze haar roem verder uit met concerten door heel Europa, zeer geslaagde langspeelplaten en een Edison (1961). Voor velen geldt zij als de belangrijkste Nederlandse jazz-zangeres.

Pim Jacobs (1934-1996) zou carrière maken als pianist en presen­tator op radio en tv. Zijn broer Ruud Jacobs ontpopte zich als een formidabele bassist, die in 1958 met de internationale Tower of Babel Band op het Newport Jazz Festival mocht spelen. De Nederlandse jazzliefhebbers kozen hem jaar na jaar tot bassist nummer één in hun polls, maar desondanks koos Ruud Jacobs voor een baan in de platenbusiness en trad hij nog maar incidenteel op. In 1961 diende zich nog een nieuweling aan, die grote bekendheid zou verwerven in de Nederlandse jazz en lichte muziek: pianist Louis van Dijk, de winnaar van het Loosdrecht Jazz Concours van dat jaar.

donderdag 18 maart 2021

Le Temps des Cerises

Le Temps des Cerises is een Frans liefdeslied, eigenlijk een strijdlied uit 1866, dat sindsdien wereldwijd uitgegroeid is tot een klassieker.
De tekst is geschreven door Jean-Baptiste Clément, de muziek door Antoine Renard.

Het lied wordt sterk geassocieerd met de Commune van Parijs (1871). De Parijzenaar Jean-Baptiste Clément (1837–1903) groeide op in een tijd van stijgende politieke bewustwording van de arbeiders en hij was vol hoop bij de oprichting van de Eerste Internationale in 1864. Toen in de lente van 1871, na de Frans-Duitse Oorlog en de uitroeping van de Franse Republiek, de ‘Parijse Commune’ ontstond, was hij een geestdriftige aanhanger. Overmoedig grepen de revolutionairen de macht, verklaarden de hoofdstad onafhankelijk, en kondigden allerlei sociale maatregelen af. De Commune duurde slechts een tweetal maanden, van 18 maart tot 28 mei 1871.

De Commune wordt uiteindelijk neergeslagen door de Franse troepen en een ultiem gevecht op het kerkhof “Père LaChaise” op 28 mei 1871. 157 Communards worden gefusilleerd bij de “Mur des Fédérés”. Het is einde van de “Semaine Sanglante”.
Haar belegering en repressie kostten het leven aan meer dan twintigduizend opstandelingen en zo’n achthonderd soldaten. Jean-Baptiste Clément vocht mee aan de zijde van ‘de communards’.
De laatste dag van de strijd ontmoette hij op de barricade een arbeidster, Louise. Zij was te hulp gesneld om de gewonden te verzorgen. Clément droeg zijn vijf jaar oude gedicht Cerises aan haar op.
Later groeide het lied voor de onbekende verpleegster op de barricade uit tot een zinnebeeld, een kenwijsje en een klassieker van het franse chanson.

Quand nous en serons au temps des cerises (Quand nous chanterons le temps des cerises)
Et gai rossignol et merle moqueur
Seront tous en fête
Les belles auront la folie en tête
Et les amoureux du soleil au cœur
Quand nous chanterons le temps des cerises
Sifflera bien mieux le merle moqueur

Mais il est bien court , le temps des cerises
Où l'on s'en va deux cueillir en rêvant
Des pendants d'oreilles
Cerises d'amour aux robes pareilles (aux larmes pareilles)
Tombant sous la feuille en goutte de sang
Mais il est bien court le temps des cerises
Pendants de corail qu'on cueille en rêvant

Quand vous en serez au temps des cerises
Si vous avez peur de chagrins d'amour
Evitez les belles
Moi qui ne crains pas les peines cruelles
Je ne vivrai pas sans souffrir un jour
Quand vous en serez au temps des cerises
Vous aurez aussi des chagrins d'amour

J'aimerai toujours le temps des cerises,
C'est de ce temps-là que je garde au cœur
Une plaie ouverte
Et Dame Fortune en m' étant offerte
Ne saura jamais calmer ma douleur (Ne pourra jamais fermer ma douleur)
J'aimerai toujours le temps des cerises
Et le souvenir que je garde au cœur

In een liedbundel uit 1885 droeg Clément het op aan "la vaillante citoyenne Louise, ambulancière de la Rue Fontaine-au-Roi, le dimanche 28 mai 1871" en die hij nooit meer terugzag. Zijn liefdeshoop werd geïdentificeerd met politico-sociale verzuchtingen omdat genoemde barricade de laatste was die in handen bleef van de Communards. Clément, die wist te ontvluchten en tien jaar in ballingschap in Brussel en Londen verbleef, merkte bij zijn terugkeer tot zijn grote ontroering dat zijn romantische bevlogenheid intussen het hart had gestolen van de hele Franse goegemeente.

Eerste uitvoerder was de Belgische tenor Antoine Renard die in 1868 de tekst van Jean Baptiste Clément in zijn loge kreeg toegestopt. Die tekst was al van 1866, vijf jaar vóór de Parijse Commune. Meest bekende nummer uit die periode en een universeel links strijdlied sedertdien.

maandag 15 maart 2021

Jazz en Nederland (deel 3): de bezetting


Nadat Duitsland in mei 1940 Nederland heeft bezet, lijkt alles aanvankelijk op de oude voet door te gaan. De gemobiliseerde muzikanten nemen hun plaats in de orkesten weer in. Engelse (en ‘joodse’) muziek wordt weliswaar verboden, maar zolang Amerika niet in oorlog is met Duitsland, geldt dat verbod niet voor de Amerikaanse muziek van bijvoorbeeld Glenn Miller.

Op het Jazzwereld-Feest wordt opgetreden door onder anderen The Moochers onder leiding van trompettist-componist Boy Edgar, een Jam Session-combinatie (met musici als saxofonist Tinus Bruijn, bassist Eddie Hamm en drummer Maurice van Kleef, die onder meer Blue Lou en Honeysuckle Rosevertolken), en The Swing Papas met klarinettist Peter Schilperoort en trompettist Joost van Os.

Intussen groeit bij het Nederlandse publiek de honger naar amusement en vertier. The Ramblers van Theo Uden Masman en de band van de Deense entertainer Boyd Bachman vieren overal in Nederland triomfen. Het orkest van pianist Ernst van ‘t Hoff verovert met zijn gedisciplineerde Swingmuziek ook een grote bekendheid. In 1941 en 1942 maakt Van ‘t Hoff uitgebreide tournees door Duitsland, waar een grote behoefte aan buitenlandse orkesten en musici bestaat, doordat de meeste Duitse muzikanten voor de Wehrmacht zijn opgeroepen.

Orkestleden als klarinettist Cees Verschoor, de saxofonisten Tonny Helweg en Tinus Bruijn, trompettist Rinus van den Broek en trombonist André Smit benutten hun verblijf in Berlijn om ook met Duitse en internationale studiocombinaties platen te maken. Van den Broek en Smit (en ook andere Nederlandse muzikanten) spelen zelfs mee op talrijke Berlijnse opnamen van Charlie and his Orchestra. Dat internationale orkest levert voor Duitse propagandazenders, die op Engeland zijn gericht, vertolkingen van populaire Engelse en Amerikaanse songs die voor de gelegenheid zijn voorzien van anti-Britse, anti-Amerikaanse en antisemitische teksten.

Tegelijkertijd geeft de Ernst van ‘t Hoff-band tijdens de engagementen in het Berlijnse top-etablissement Delphi-Palast muzikale signalen van verstandhouding aan de Duitse ‘Swingfreunde’. De herkenningsmelodie Alles wird gut begint met het viernotige thema van Beethovens vijfde symfonie, dat tevens het wereldberoemde pauzemotief van de BBC-radio is – een toespeling die het Duitse publiek niet ontgaat.

Na de Duitse inval in Rusland, in juni 1941, wordt in Nederland een dansverbod afgekondigd. Jazz- en amusementsorkesten kunnen vanaf dat moment alleen nog in theaters optreden. Dat leidt in hun muziek tot een versterking van het element show (‘schouw’ in het Dietse jargon van die dagen). De Nederlandse WA doet soms invallen tijdens voorstellingen, om op te treden tegen al te uitbundig gedrag van het publiek en tegen het spelen van verboden muziek. In het voorjaar van 1942 wordt het Nederlandse muzikanten verboden Engelse titels en orkestnamen te gebruiken. The Ramblers dopen zichzelf om tot ‘Theo Uden Masman en zijn dansorkest’. The Moochers noemen zich voortaan ‘De Moetschers’.

In maart van datzelfde jaar vaardigt het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten het Verbod van negroide en negritische elementen in dans- en amusementsmuziek uit:

Nederlandse musici mogen het woord ‘jazz’ niet meer gebruiken om hun muziek aan te duiden. Ook is een lange reeks met name genoemde jazz-effecten voortaan verboden: ‘de toepassing van den “growl” op koperen blaasinstrumenten’, ‘het zogenaamd “scat”-zingen’, ‘de toepassing van “hot”-intonaties’, ‘alle toepassing van ostinate “licks” en “riffs”, meer dan driemaal achtereen voor een solist, meer dan zestienmaal achtereen voor een sectie of voor twee of meer secties’, ‘de “boogie-woogie”, “honky-tonk” of “barrelhouse”-stijl’, ‘het gebruik van “plungers” en “wah-wah”-dempers’, ‘stop “chorussen” voor slagwerk behalve voor koperen bekkens’ en ‘het aanwenden van een langdurig volgehouden “offbeat”-effect’.

Nu het Nederlanders officieel is verboden jazz te spelen, leggen sommige jazzmusici zich toe op de ‘Hawaiian Swing’, die een grote populariteit bereikt. In de ‘M-A-U-I Eilanders’ van Hawaiian-gitarist Han de Willigen spelen bijvoorbeeld vibrafonist Coen van Nassau en gitarist Jan Mol. De latere pianiste-entertainer Pia Beck begint haar loopbaan als lid van de ‘Samoa-girls’, een zanggroep die onder meer optreedt met het orkest van Ernst van ‘t Hoff.

De joodse musici worden, net als de overige Nederlandse joden, vanaf juli 1942 opgeroepen voor deportatie. Sommigen duiken onder, zoals violist-trompettist Sem Nijveen. Die andere violist uit Groningen, Benny Behr, belandt laat in de oorlog in het ‘Durchgangslager Westerbork’ en wordt daar op 12 april 1945 bevrijd.

Vele anderen gaan via Westerbork naar de vernietigingskampen in Polen en worden daar vermoord, zoals de saxofonisten Sal Doof en Hans Mossel (de vooroorlogse leider van het AVRO Dansorkest), trompettiste Clara de Vries en het populaire zang-duo Johnny & Jones (Nol van Wezel en Max Kannewasser, die in Westerbork nog in de kamprevue optreden, alvorens via Theresienstadt in Bergen-Belsen te belanden, waar ze voorjaar 1945 sterven).

Voor niet-joodse beroepsmuzikanten blijft er ruimschoots werkgelegenheid in Nederland. Theo Uden Masman en zijn dansorkest spelen voor de genazificeerde Nederlandsche Omroep (onder andere tijdens ‘Winterhulp’-uitzendingen) en geven daarnaast concerten voor de ‘Duitsche Weermacht’, voor het ‘Nederlandsch Arbeidsfront’ (de nazi-vakbeweging) en voor ‘Frontzorg Nederland’, de organisatie die wat vrolijkheid wil brengen voor familieleden van de 22.000 Nederlandse SS’ers en daarnaast geld inzamelt voor de nabestaanden van hen die aan het Oostfront vielen.

De Nederlandse jazzliefhebbers draaien thuis de platen uit hun vooroorlogse collecties en organiseren af en toe in besloten clubverband lezingen-met-platen of huisfeestjes met amateur-orkesten. In Den Haag blijft The Dutch Swing College op die manier actief. In Zaandijk viert de Hot Record Club in augustus 1944 zelfs haar eerste lustrum, en kan dan terugblikken op lezingen en causerieën over ‘Jazz en haar Cultureele Waarde’ (november 1940), ‘Blues’ (februari 1942) en ‘Zang in Jazzmuziek’ (april 1944).

Voor de beroepsmuzikanten in Hilversum dreigt in 1944, net als voor alle andere Nederlandse mannen tussen de achttien en veertig jaar, de Duitse Arbeidsinzet, waarvoor regelmatig razzia’s worden gehouden. De Duitse hot-violist en orkestleider Helmut Zacharias, die met zijn ‘Unterhaltungsorchester’ (in werkelijkheid onderdeel van het ‘Musikkorps des Wehrmachtbefehlshabers’) in Hilversum voor de Nederlandsche Omroep optreedt (en daarnaast enthousiast meedoet aan besloten jam-sessions) waarschuwt zijn Nederlandse collega’s enkele malen dat een razzia op til is (en moet dat bekopen met overplaatsing naar het Oostfront).