vrijdag 6 december 2019

Altamont 1969

The Rolling Stones geven op 6 december 1969 een gratis concert op het terrein van de Altamont Speedway in Livermore in het noorden van Californië. Er komen driehonderdduizend mensen op dit evenement af. Op aanraden van The Grateful Dead worden Hell’s Angels ingehuurd als ordedienst. Dit Rolling Stones-concert wordt op opgenomen voor de concertfilm Gimme Shelter. Hierin is te zien hoe de achttienjarige Meredith Hunter wordt doodgeslagen door Alan David Pissaro van de Hell’s Angels. Gimme Shelter gaat op 6 december 1970 in de Amerikaanse bioscopen draaien. Op 14 januari 1971 wordt Alan David Pissaro vrijgesproken door het Alameda County Superior Court. Hij zegt te hebben gehandeld uit zelfverdediging. Later eist hij 200.000 dollar schadevergoeding van The Rolling Stones wegens schending van zijn privacy.


Huddie William Ledbetter

Op 6 December 1949 overlijdt blueszanger Huddie Ledbetter.

Huddie William Ledbetter wordt op 29 Januari 1889 bij Mooringsport in Louisiana geboren. Zijn geboortejaar staat niet voor 100% vast en varieert van 1885 tot 1901. Ledbetter groeit uit tot een legendarische folkblues-zanger annex -gitarist. Leadbelly behoort tot de eerste generatie zwarte artiesten uit de Verenigde Staten die hun muziek op de plaat weten vast te leggen. In de periode 1933- 1948 maakt hij, aanvankelijk alleen voor het culturele schatbewaardersinstituut Library Of Congress, maar vanaf 1940 ook voor meerdere platenlabels, waaronder het roemruchte Folkways Records, meer dan 400 opnamen, die gedeeltelijk onuitgebracht blijven. Zijn muziek is een doorsnee van wat er rond 1900 aan zwarte muziek wordt gemaakt. Zijn enorme repertoire wordt naast de gebruikelijke blues gevormd door cajun, worksongs, ballades, spirituals en dansnummers. 

Folklorist John Lomax is als werknemer van de Library Of Congress verantwoordelijk voor de ontdekking van Leadbelly, wanneer hij hem in 1933 tijdens veldwerk aantreft in de staatsgevangenis van Louisiana, Ledbelly zit een straf uit vanwege moord, na een ruzie met een man over een vrouw. Hij is het ook die Leadbelly introduceert bij het blanke publiek, gepresenteerd als moordenaar, Demon en King Of The Twelve-String Guitar. De invloed die Leadbelly dank zij deze promotie op de blanke folkmuziek heeft, is groot en werkt lang na (Skiffle, Bob Dylan) Leadbelly maakt na zijn vrijlating in 1940 ook deel uit van The Headline Singers, samen met Woody Guthrie en het latere bluesduo Sonny Terry en Brownie McGhee. 

In 1948 moet hij een Europese tournee inkorten wegens ziekte, waaraan hij een jaar later overlijdt. Hoe oud Ledbetter geworden is hangt af van zijn geboortejaar.


zondag 1 december 2019

Ramses Shaffy

Ramses Shaffy werd geboren te Neuilly-sur-Seine in Frankrijk op 29 augustus 1933 als zoon van een Egyptische vader en een Russische moeder, zijn moeder kon niet met het idee leven om als diplomatenvrouw naast haar man verder te moeten leven en verliet voor het huwelijk haar man.
Zijn moeder werd ziek en het leek haar beter om Ramses naar haar zus in Nederland te sturen.
Maar ook deze werd ziek en het duurde niet lang tot hij naar een kindertehuis in Zeist werd gebracht.
Tussen 1952 en 1955 gaat Ramses Shaffy naar de Toneelschool in Amsterdam.
Zijn diploma haalt hij niet, wel gaat hij als acteur aan de slag bij de Nederlandse Comedie.
Muziek heeft Ramses zijn leven bepaald, want muziek grenst aan iets anders, wat een van de mooiste dingen van het leven is: stilte.



Muziek vult de stilte niet op, ze wordt geboren uit stilte, aldus Ramses Shaffy.

Hij is eigenlijk altijd wel een hippie gebleven, de eeuwige rebel, drugsgebruik en drank maar andere kant een briljant zanger en entertainer.
Zijn muzikale carrière begon in 1964 als hij samen met Liesbeth List het nummer Pastorale opneemt.
Het nummer is eveneens een klassieker in het Nederlandstalige repertoire geworden en is een Nederlands toonbeeld van psychedelische Nederlandstalige muziek.
Net als andere Nederlandse artiesten houdt Ramses Shaffy het niet alleen bij zingen, maar hij doet ook aan films, gedichten, toneel en schilderijen.

Hij is vooral succesvol van 1966, dat komt door zijn eerste single Sammy en Pastorale tot 1975. Praktisch al z’n nummers zijn van het zelfde psychedelische genre, de Pastorale is dan wel geschreven door Boudewijn de Groot, maar de andere nummers zijn meestal van eigenhand.
Ook heel bekend zijn “Zing, vecht huil bid lach werk en bewonder”, “Aan de andere kant van de heuvels” en in 1978 komt hij nog één keer terug in de hitlijsten met “Laat me”, zijn laatste hit.
Dat komt mede doordat hij zich meer focust op theater en film, maar gaandeweg wordt hij slachtoffer van zijn drank en drugs gebruik, maar het zijn vooral zijn teksten waarom Ramses hoog aangeschreven staat.



De laatste jaren van zijn leven verbleef hij in een verzorgingshuis in Amsterdam en ging zijn gezondheid achteruit.
Er werd bekend dat hij slokdarmkanker had, maar nam in oktober 2009 in museum Beeld en Geluid nog een dubbel dvd met zijn werk in ontvangst.

Hij was slecht bij stem, maar nam als vanouds plaats achter de vleugel, voor zijn laatste optreden.
Ramses stierf te Amsterdam op 1 december 2009

zaterdag 12 oktober 2019

All You Need Is Love


Op 7 juli 1967 verschijnt All You Need Is Love van The Beatles.

Deze single is op zondag 25 juni 1967 opgenomen tijdens de allereerste wereldwijde satelliet-uitzending Our World. Zo'n 400 miljoen mensen in 24 landen zien The Beatles in de grote studio van Abbey Road in Londen bezig aan de opnamen van All You Need Is Love. De studio is omgetoverd in een feestzaal met honderden serpentines en ballonnen in de vorm van wereldbollen.

Onder de aanwezigen bevinden zich vrienden en collega’s als Brian Jones (die aan het slot saxofoon speelt), Jane Asher, Patti Boyd, Mick Jagger, Eric Clapton, Donovan, Keith Moon, Marianne Faithfull, Gary Leeds van The Walker Brothers en Graham Nash van The Hollies. Dezelfde avond worden de banden van All You Need Is Love naar Amerika, Canada, Japan en Australië gevlogen zodat de single snel kan worden uitgebracht.

Op de B-kant staat Baby You’re A Rich Man dat eigenlijk bedoeld is voor de tekenfilm Yellow Submarine. Baby You’re A Rich Man is op 11 mei 1967 in de Olympic Sound Studios in Londen opgenomen.


dinsdag 8 oktober 2019

Cornelis Vreeswijk

Nadat de eerste single “De nozem en de non” was geflopt, lukte het met het originele nummer over “Veronica”, waar is je blauwe hoed zes jaar later wel,
Cornelis werd op 8 augustus 1937 geboren te IJmuiden. In 1949 vertrok het gezin Vreeswijk, Cornelis en drie zussen naar Stockholm, Zweden, waar zijn vader een taxibedrijfje begint.
Cornelis doet veel moeite om de Zweedse taal machtig te worden en elke middag gaat hij na schooltijd naar de bibliotheek om boeken te lezen.
Na zijn middelbare schooltijd doet hij pogingen de toneelschool te volgen, ook probeert hij het een poosje op de Sociale Academie.
In zijn studietijd maakt hij kennis met de Zweedse folkzanger Fred Akerström en vraagt Cornelis de zanger of deze misschien wat liederen van hem wil kopen.
Akerström nodigt hem uit wat voor te komen spelen, bij die gelegenheid is ook een platenproducer aanwezig, die meteen zo enthousiast is over Vreeswijk´s stemgeluid, dat hij hem direct voorstelt om een lp te maken.
Die plaat komt uit in 1964 en heet “Ballader och oförskämdheter”, wat zoveel betekent als Ballades en onbeschaamdheid.
Op uitnodiging van de VARA komt Cornelis Vreeswijk begin 1966 naar Nederland en hij heeft wat van zijn Zweedse repertoire vertaald, Jantjes blues onder meer en speelt die aangevuld met wat nieuwe nummers voor de televisie.
Kort daarna verschijnt De nozem en de non op single, maar het nummer doet niets en hij trekt de conclusie dat Nederland niet in hem geïnteresseerd is.
Pas zes jaar later laat hij zich eindelijk overhalen een lp in de Nederlandse taal op te nemen.
In Zweden zijn er dan van hem al meer dan tien lp´s verschenen.
De titelloze lp met nummer als “Misschien wordt het morgen beter” en een nieuwe opname van “De nozem en de non” verkoopt bijzonder goed, wel meer dan 100.000 exemplaren gaan over de toonbank.
Het levert Vreeswijk een Edison op, die wordt uitgereikt tijdens het Grand Gala du Disque.
Het betreft een live uitzending en er is voor de gelegenheid een lied gearrangeerd met orkest. Cornelis komt het podium op en zegt tegen het orkest ‘Jongens, laat maar zitten’, pakt zijn gitaar en zingt een compleet nieuw nummer.
Met “Veronica” lukte het echter wel weer een zes jaar later, de single belandde op de 12e plaats in de Top 40, waar hij 9 weken in stond.






Nu was dit net de periode waarin Radio Veronica intensief promotie maakte voor de verhuizing van de 192 naar de 538 meter middengolf op 30 september.
Vreeswijk maakte op verzoek van het station een speciale versie van zijn hit met een tekst over de golflengtewisseling.
Eerst werd deze opgenomen in de Veronica studio door Atze Veenstra.
Tijdens de laatste periode op de 192 meter werd er telkens aan het begin van een nieuw uur een couplet hiervan gedraaid.
Al snel kwam er een officiële maxi singleversie, met op de b-kant “Felicia” en een nieuwe versie van “De nozem en de non”, deze kwam op 7 oktober 1972 binnen in de Tipparade.
Op dezelfde dag kwam echter het laatstgenoemde nummer ook binnen in de Top 40, op een ander label en in de originele versie uit 1966 en dit werd zijn laatste hit in Nederland.
In Zweden kwam het nummer uit als “En visa till Veronica”.
Behalve een drankprobleem kent Cornelis ook regelmatig financiële moeilijkheden, ook al verdient hij heel veel geld, hij geeft het net zo makkelijk allemaal weer uit, wat hij aan geld heeft, draagt hij meestal contant bij zich.
Hij heeft vaak problemen met de belasting, omdat hij nooit iets invult en vaak moet er een schikking worden getroffen.
In 1983 kiest Cornelis Vreeswijk voor een radiale actie om de belastingdienst van repliek te dienen, hij gaat in hongerstaking.
Premier Olaf Palme spant zich persoonlijk in om een afbetalingsregeling in orde te maken.
Later bij zijn overlijden laat Vreeswijk een belastingschuld van circa 100.000 euro na.
In Zweden blijft Vreeswijk populair bij een vaste schare liefhebbers. Bijna elk jaar brengt hij nieuw materiaal uit.
laatste maanden van zijn leven werkt hij hard aan zijn afscheidslangspeelplaat Till fatumeh, waarop oude nummers in een nieuw jasje worden gestoken.
Enkele dagen voor zijn dood reist Cornelis Vreeswijk, die dan nog slechts veertig kilo weegt, voor de laatste keer naar Nederland om afscheid te nemen van zijn moeder.
Hij wordt vanaf het vliegtuig, begeleid door zijn in Zweden wonende zus, met een rolstoel naar een taxi gebracht die hem naar IJmuiden vervoert.
Drie dagen na zijn terugkeer in Zweden, op 12 november 1987 sterft hij berooid op vijftigjarige leeftijd in het ziekenhuis van Stockholm.



Grote Zweedse kranten als Aftonbladet en Expressen wijden speciale bijlagen aan de zanger en zijn begrafenis op het eigenlijk reeds jarenlang gesloten Katarina kerkhof, wegens zijn grote verdiensten voor Zweden wordt rechtstreeks uitgezonden op de televisie.
Sinds zijn dood is Cornelis Vreeswijk in Zweden populairder dan ooit, er zijn films gemaakt over zijn leven.
Jaarlijks vindt in Stockholm een Cornelis Vreeswijk festival plaats, waar bekende Zweedse artiesten liederen van hem ten gehore brengen.
Er zijn in Stockholm een park en een metrorijtuig naar hem vernoemd en er is een borstbeeld van hem te vinden.
In 2001 gingen de deuren open van het Cornelis Vreeswijk Sallskapet, een aan de zanger gewijd museum, waar je naast foto´s een fles Friese Beerenburg, ´s mans gitaar en zijn gouden pen vindt.

donderdag 26 september 2019

Jappiotube

In de periode 1976 – 1977 verscheen het ene na het andere popalbum, die later klassiekers bleken te zijn, naast het feit dat er ook nog eens ontzettend veel van werden verkocht. Vaak liep de verkoop in de miljoenen. Zomaar een greep van albums die toen allemaal bijna tegelijkertijd werden uitgebracht: Eagles’ Hotel California, Fleetwood Mac’s Rumours, David Bowie’s Station To Station, Steve Miller’s Fly Like An Eagle, Stevie Wonder’s Songs In The Key Of Life, Queen’s A Day At The Races, Steely Dan’s The Royal Scam en Aja, Al Stewart’s Year Of The Cat om maar eens een paar titels te noemen. En natuurlijk Frampton Comes Alive.

De Britse gitarist, die al sinds de jaren ’60 actief was in onder andere The Herd en Humble Pie had na deze avonturen als solo-artiest in de eerste helft van de 70’s vier studioalbums uitgebracht, die helaas commercieel niet erg succesvol waren. Maar opeens was daar dat dubbele live-album en de single Show Me The Way, die alle hitlijsten bestormde en kreeg de verkoop van Frampton Comes Alive daardoor een enorme boost. De tot Yank genaturaliseerde Brit was opeens dé lieveling van iedereen en liep ‘ie in bijna no time binnen vanwege die ontzettende verkoopcijfers van dat op vinyl vastgelegde concert uit 1975 in Winterland, San Francisco . Ook met de volgende single Baby, I Love Your Way was het scoren geblazen en bleef de Popfoto en Muziek Express aandacht besteden aan die langharige tekkel die menig pubervrouw liet wiebelen op alles waar ze op zaten.

Karakteristiek was Frampton’s jappiotube, waarmee hij door zijn stem aangedreven geluidseffecten kon voortbrengen via een op zijn gitaar aangesloten luidspreker en een bijbehorende soort tuinslang. Dit geluid werd Frampton’s handelsmerk, dat hij uitgebreid uitventte en demonstreerde in het 14 minuten lang durende en eveneens op single uitgebrachte Do You Feel Like We Do. En slim als Frampton was, buitte hij dat getalkbox niet uit en voorkwam hij daarmee dat die tuinslang een irritante gimmick werd. Maar op Frampton Comes Alive werd dat geluid geïntroduceerd en was het een belangrijk en effectief bestanddeel in zijn sound.

Frampton Comes Alive is met een verkoop van 17 miljoen stuks één van de best verkochte live-albums aller tijden. Aantallen die tegenwoordig ondenkbaar zijn, maar in de 70’s schering en inslag waren.

dinsdag 20 augustus 2019

The Serendipity Singers

De Serendipity Singers waren een Amerikaanse folk-groep uit de sixties, vergelijkbaar met The New Christy Minstrels.

Deze negenkoppige folk-georiënteerde groep begon aan de universiteit van Colorado met zeven oorspronkelijke leden van een groep genaamd de Newport Singers. De leden (Bryan Sennett, Brooks Hatch, Mike Brovsky, John Madden, Jon Arbenz, Bob Young en Lynne Weintraub) hadden allen, met uitzondering van Weintraub, al eerder samengewerkt in verschillende trio’s voordat ze samen de Newport Singers vormden.

In 1963 verhuisde de groep van de Rocky Mountain Denver-Boulder Front Range regio naar New York City. De reden was een telegram met contract voor een TV show.

De groep zong in New York in het populaire TV programma ABC Hootenanny. Er werden nog twee nieuwe leden toegevoegd om een beetje te klinken als de New Christy Minstrels : Tom Tiemann en Diane Decker. Ze kozen een nieuwe naam : the Serendipity Singers.

Na enkele maanden van repeteren opende de groep in het Bitter End cafe in Greenwich Village. Landelijke faam kregen ze onderussen door hun wekelijks optreden voor de Hootenanny show.

Philips Records bracht hun debuutalbum in 1964 uit. Het werd een aanzienlijk succes. De debuut single “Don’t let the Rain come down (Crooked Little Man)” ging pijlsnel de charts op en strandde op nr. 2, en dit midden de Beatlemania.

De follow-up, “Beans in my ears” kwam een paar maanden later en ging naar nr. 5.

In totaal werden er vijf Serendipity albums uitgebracht. De groep ging uiteen in 1970. In 1999 kwamen acht van de oorspronkelijke negen leden weer samen voor een concert.

dinsdag 6 augustus 2019

Darrell Scott

Darrell Scott (London (Kentucky), 6 augustus 1959) is een Amerikaanse singer-songwriter.

Scott werd geboren als zoon van de muzikant Wayne Scott op een tabaksplantage in London, Kentucky. Toen Scott acht was verhuisde het gezin naar Californië. Daar verliet zijn moeder het gezin en werden Darrell en zijn vier broers opgevoed door hun vader. Door veel te verhuizen zorgde Wayne Scott dat zijn zoons geen verkeerde vrienden kregen.

Het gezin richtte zich sterk op zichzelf en men voelde zich verbonden door samen te musiceren. Daarnaast las Darrell veel literatuur, en realiseerde hij zich al vroeg dat er weinig verschil was tussen de poëzie van Dylan Thomas en de liedteksten van Hank Williams. Door zijn vader leerde hij de grote songwriters kennen, en zag hij ze spelen in de Grand Ole Opry.

Vanaf zijn 16e speelde Scott in wegrestaurants in Californië en vertrok later naar Toronto waar hij pedalsteel speelde bij de Mercy Brothers. Ze hadden drie hits in Canada met liedjes die Scott schreef.
Ondanks dit succes verhuisde hij naar Boston, waar hij aan Tufts University poëzie studeerde. Terwijl hij hier verder studeerde, slaagde hij erin om auditie te doen bij SBK Records, een onderdeel van EMI. In 1991 nam hij een compleet album op met producer Norbert Putnam, maar SBK besloot het niet uit te brengen omdat men verwachtte dat het geen hit kon opleveren. In 2003 nam Scott dit album opnieuw op en bracht het op zijn eigen label uit als "Theatre of the Unheard".

Teleurgesteld door zijn ervaring met SBK verhuisde Scott naar Nashville, raakte bevriend met muzikanten als Verlon Thompson en Sam Bush en rolde van de ene samenwerking in het andere, om uiteindelijk een van de meestgevraagde sessie-muzikanten en liedjesschrijvers van Nashville te worden.

Deze prachtige cover van het Paul Simonnummer "American Tune" komt uit een optreden in de Folk Alley voor New Depression.

zaterdag 20 juli 2019

You've got a friend

Zelf zingen, zelf je liedjes schrijven, maar er niet zelf een hit mee scoren, een vette hit dan nog wel, dat overkwam ondermeer Carole King toen ze You’ve got a friend schreef. In de versie van James Taylor werd het een nummer één in de zomer van 1971 toen die in de top honderd The Raiders voorbijstak die daar op twee stonden met Indian Reservation en Carole King, jawel op drie, maar die had wel twee weken eerder op één mogen staan met It’s too late en dat, hou je vast, zo maar liefst vijf weken na mekaar, dus aan mijn openingszin moet ik wat sleutelen, al wou ik daarmee aangeven dat het toch vreemd moet zijn dat je zelf een perfecte plaat uitbrengt, in dit geval  de elpee Tapestry en dat iemand anders er als de kippen bij is één van de nummers op die plaat te coveren en daar dan een nummer één mee scoort. Weet je wat, ik ga het verhaal stap voor stap vertellen!

In de lente van 1971 had Carole King alom succes geoogst met haar elpee Tapestry waarmee ze zomaar liefst vijftien weken na mekaar op één zou genoteerd staan in de Amerikaanse album top honderd en waarvan uiteindelijk 15 miljoen exemplaren zouden verkocht worden. Nu was King al wat gewoon als hitlecverancierster van aardig wat evergreens in de jaren zestig waaronder Will you love me tomorrow voor The Shirelles, Take good care of my baby voor Bobby Vee, The Locomotion voor Little Eva, Go way little girl voor Steve Lawrence, Up on the roof voor The Drifters, I’m into something good voor Herman’s Hermits enz… nummers die ze samen met Gerry Goffin, haar toenmalige echtgenoot. Dan heb ik het nog niet gehad over hun klassiekers zoals You’ve lost that lovin’ feelin’ voor The Righteous Brothers , You make me feel like a natural woman voor Aretha Franklin en Chains voor The Cookies dat iets later ook door The Beatles op plaat zou worden gezet. In een vorig leven was Carole King ooit het liefje geweest, of zeg maar boezemvriendin, van Neil Sedaka die speciaal voor haar één van zijn grootste hits Oh Carol neerpende, waarop zij hem van antwoord diende in Oh Neil, intussen een aardige collector’s item. Na haar scheiding van Gerry Goffin in 1968 richtte ze de groep The City op. Iets later besloot ze solo te gaan, maar voelde zich te bedeesd om in haar nieuwe teksten over haar eigen leven en gevoelens te schrijven. Dat kostte haar ontzettend veel moeite. Ze had ook geen zin om zich te profileren als “een zangeres van hitjes”. Die had ze wel aan de lopende band geschreven, maar er zelf mee in the picture staan wou ze niet. Ze zou wel een elpee afleveren en wat voor een, de daarnet al genoemde Tapestry, een mijlpaal in de Amerikaanse popgeschiedenis en één van de beste singer songwriter platen ooit. Ze zou voortaan met U worden aangesproken. Ze was toen al dé absolute nummer één als vrouwelijke hitleverancier met zeven nummer één hits op haar schrijversactief. Met Tapestry had ze in 1972 vier Grammy’s op zak. James Taylor deed op zij beurt nog een extra duit bij in het zakje.
Taylor had méér dan zomaar snel naar haar plaat Tapestry geluisterd. Die was compleet onder de indruk van de song You’ve got a friend. Nu waren Carole en James al jarenlang hondstrouwe vrienden en toen zij bezig was met de opname van Tapestry zat hij enkele honderden meters verderop in een andere studio samen met producer Peter Asher (van het Britse duo Peter and Gordon) de laatste hand te leggen aan zijn elpee Sweet Baby James. Carole had James eerder leren kennen via Danny Kortchmar die met haar samen in hun groep The City zat. In 1971 trok James Taylor op tournee en hij nam Carole en haar groep mee als voorprogramma. James kwam uit een oerdegelijk milieu. Zijn vader was rector van de medische afdeling aan de universiteit in North Carolina en zijn moeder was een behoorlijk geschoolde lyrische sopraan. Zowel James als zijn broers Alex en Livingston als zijn zus Kate waren door de muziek bezeten en zouden nadien ook elk hun eigen platen opnemen. Ieder jaar tijdens de zomer brachten James en zijn familie hun vakantie door in Martha’s Vineyard. Op zijn vijftiende leert hij daar Danny Kortchmar kennen met wie hij een duo vormt. Ze winnen een locale zangwedstrijd en dat is zowat de start van James ‘ carrière die iets later op school een groep vormt samen met zijn broer Alex The Fabulous Corsairs. Ook al is hij nog maar zeventien, James krijgt te kampen met een zware depressie en verblijft tien maanden in The McLean Psychiatric Hospital in Belmont, Massachusetts. Voor hem de uitgelezen kans om muziek te maken op zijn gitaar en een rist songs bij mekaar te schrijven. Hij mag het ziekenhuis verlaten en trekt naar New York op zich daar aan te sluiten bij de nieuwe band van van zijn vriend Danny Kortchmar  The Flying Machine. Danny blijkt niet opgezet met het feit dat James aan de heroïne zit en wijst hem na een tijdje de deur. Om van zijn  verslaving verlost te geraken, verhuist James in 1968 voor een tijdje naar Londen. Danny had James vooraf getipt eens een bezoek te brengen aan Peter Asher, die intussen baas was geworden van de A and R afdeling van Apple, het platenlabel van The Beatles. Met een demo onder de arm mag hij langskomen. Voor Apple neemt James Taylor één album op. Hij krijgt tijdens één nummer op die plaat zelfs de ruggesteun van Paul McCartney en George Harrison. Maar James geraakt maar niet van zijn verslaving af. Hij laat zich opnemen in het centrum Austin Rigss in Stockbridge, Massachusetts, een hospitaal waar ze gespecialiseerd zijn in het behandelen van drugsverslaafden. Intussen heeft Peter Asher, Apple verlaten en is producer geworden bij Warner Brothers Records in Amerika waar hij James Taylor meteen een nieuw platencontract aanbiedt. Zijn tweede elpee Sweet Baby James levert Taylor de hit Fire and Rain op, waarin hij zijn drugsverslaving van zich af probeert te schrijven alsmede de zelfmoord van één van zijn vrienden.
Het succes van de elpee Sweet Baby James zorgt ervoor dat James samen met Peter Asher de 3de januari 1971 de opnamestudio mag intrekken en daar tot de 28ste februari keihard werkt aan de opname van zijn derde elpee Mud Slide Slim and The Blue Horizon, zijn meest populaire ooit. Met deze plaat zou hij tot op de tweede plaats geraken van Billboard’s album top honderd. Tijdends de opnamen kan hij een beroep doen op de beste muzikanten: Russ Kunkel, Joni Mitchell, Danny Kortchmar, Peter Asher die niet alleen produceert, maar ook meezingt én Carole King die James maar al te graag op de piano begeleidt en hier en daar graag een paar noten meezingt. Zij leent James één van haar nummers van haar Tapestry elpee You’ve got a friend. Op datzelfde moment zit Dusty Springfield in de platenstudio en blik ook You’ve Got a Friend in, maar door problemen met haar firma wordt die plaat nooit uitgebracht en zal pas in 1999 voor de eerste keer te horen zijn op de luxe uitgave van de plaat Dusty in Memphis op het Rhino Label.
De vijfde juni 1971 beslist Warner Brothers You’ve got a friend van James Taylor als single op de markt te brengen met You can close your eyes op de b-kant. De 31ste juli staat de single op nummer één, maar moet na een week die bovenste stek overlaten aan The Bee Gees die daar komen postvatten met How can you mend a broken heart. Iets later mag James Taylor een Grammy Award in ontvangst nemen als Best Pop Male Vocal Performance en Carole King voor Song of The Year. Voor James zou het bij die ene nummer één blijven. Hij zou nadien nog in de Amerikaanse top tien opduiken met de singles: Mockingbird, How sweet it is en Handy Man. In Engeland geraakt James Taylor met You’ve got a friend tot op de vierde plaats in de Britse Top Veertig. In de Nederlandse hitlijsten zit er een twintigste plaats in. Aan onze hitlijsten gaat die single compleet voorbij.
Om hun succes en hun vriendschap te bekronen, huwen Carole en James de derde november 1972 met elkaar, een relatie die in 1982 op vraag van Carole King wordt ontbonden. Tal van covers zouden van You’ve Got A Friend een regelrechte klassieker maken. Versies van: Petula Clark, Jimmy Cliff, Billy Crawford, Ella Fitzgerald, The Housemartins, Lucio Dalla, Andy Williams, Johnny Mathis, Aled Jones, Melissa Manchester enz…
Het album Mud Slide Slim and The Blue Horizon zou James Taylor ook nog de hit Long Ago and Far Away opleveren. De laatste jaren teert Taylor vooral op zijn successen van vroeger met enkele Best Of cd’s en de successen van anderen die hij in 2008 opneemt op de cd Covers en het jaar nadien vervolledigt met Sings Covers. Drie jaar eerder blikte hij de cd James Taylor At Christmas in met daarop ondermeer de klassieker The Christmas Song waarop hij begeleid wordt door onze bloedeigen Toots Thielemans.

donderdag 4 juli 2019

The Rolling Stones

4 juli 1969 wordt in Engeland ‘Honky Tonk Women’ als veertiende single van The Rolling Stones uitgebracht. Het nummer is tussen 12 mei en 12 juni 1969 in de Olympic Studio in Londen opgenomen. De B-kant ‘You Can’t Always Get What You Want’ is opgenomen op 17 en 28 november 1968 en 15 en 29 mei 1969. Op het nummer is een 60-koppig koor te horen en speelt Al Kooper op piano, vleugel en hoorn. Jack Nitzsche heeft het arrangement gemaakt.