maandag 29 januari 2024

Leadbelly

Huddie William Ledbetter wordt op 29 januari 1889 bij Mooringsport in Louisiana geboren. Zijn geboortejaar staat niet voor 100% vast en varieert van 1885 tot 1901. 

Ledbetter groeit uit tot een legendarische folkblues-zanger annex -gitarist. Leadbelly behoort tot de eerste generatie zwarte artiesten uit de Verenigde Staten die hun muziek op de plaat weten vast te leggen. In de periode 1933- 1948 maakt hij, aanvankelijk alleen voor het culturele schatbewaardersinstituut Library Of Congress, maar vanaf 1940 ook voor meerdere platenlabels, waaronder het roemruchte Folkways Records, meer dan 400 opnamen, die gedeeltelijk onuitgebracht blijven. Zijn muziek is een doorsnee van wat er rond 1900 aan zwarte muziek wordt gemaakt. Zijn enorme repertoire wordt naast de gebruikelijke blues gevormd door cajun, worksongs, ballades, spirituals en dansnummers. Folklorist John Lomax is als werknemer van de Library Of Congress verantwoordelijk voor de ontdekking van Leadbelly, wanneer hij hem in 1933 tijdens veldwerk aantreft in de staatsgevangenis van Louisiana, Leadbelly zit een starf uit vanwege moord. Hij is het ook die Leadbelly introduceert bij het blanke publiek, gepresenteerd als moordenaar, Demon en King Of The Twelve-String Guitar. 

De invloed die Leadbelly dank zij deze promotie op de blanke folkmuziek heeft, is groot en werkt lang na (Skiffle, Bob Dylan) Leadbelly maakt na zijn vrijlating in 1940 ook deel uit van The Headline Singers, samen met Woody Guthrie en het latere bluesduo Sonny Terry en Brownie McGhee. In 1948 moet hij een Europese tournee inkorten wegens ziekte, waaraan hij een jaar later, op 6 december 1949 overlijdt. Hoe oud Leadbetter geworden is hangt af van zijn geboortejaar.

zondag 7 januari 2024

Cyril Davies

Harmonica speler Cyril Davies overlijdt op 7 januari 1964 aan de gevolgen van leukemie. 

Cyril Davis wordt in 1932 geboren in Denham in het graafschap Buckinghamshire en staat bekend als één van de meest legendarische figuren in de Britse r&b. In de jaren vijftig speelt Davies banjo in diverse jazz-combo's. Daarna neemt hij actief deel aan de skiffle-rage. Tijdens een optreden ontmoet hij Alexis Korner, met wie hij snel bevriend raakt. Samen openen ze de eerste R&B-club, de London Blues & Barrelhouse Club, die korte tijd later wegens gebrek aan belangstelling moet worden gesloten.
 Een tweede poging in 1961 met een pub in Ealing levert meer succes op. Op 17 maart 1962 maakt Blues Incorporated, de door Davies en Korner geformeerde groep, daar haar debuut. Het betekent de start van de R&B-boom die in 1964 met groepen als Rolling Stones, Yardbirds, Manfred Mann en Pretty Things zijn hoogtepunt bereikt. De eerste bezetting van Blues Inc. is: Cyril Davies (harmonika, zang), Alexis Korner (gitaar, zang), Dick Heckstall-Smith (saxofoon) en Charlie Watts (drums). Eind 1962 verlaat Cyriel Davies Blues Inc. om een eigen groep te beginnen: Cyril Davies R&B All Stars. Long John Baldry gaat met hem mee. De rest van de groep bestaat uit Bernie Watson (gitaar), Ricky Fenson (bas), Carlo Little (drums) en Nicky Hopkins (piano). Als Nicky Hopkins in mei 1963 de groep verlaat, wordt zijn plaats ingenomen door Keith Scott. Gitaarhelden als Jimmy Page en Jeff Beck doen hun eerste ervaring op bij Cyril Davies. Van de weinige opnamen die de All Stars maken, krijgt Country Line Special, een legendarische jam, de meeste bekendheid. Het enorme succes van de door hem op gang gebrachte stroming heeft Cyril Davies niet mee mogen maken. Cyril Davies is 32 jaar geworden.

De Hootchy-Kootchy

In de Chess Studio in Chicago neemt Muddy Waters op 7 januari 1954 zijn later beroemd geworden (I'm Your) Hoochie Coochie Man op. 

(I'm Your) Hoochie Coochie Man is geschreven door Willie Dixon. Het is de eerste succesvolle combinatie van Muddy Waters met Willie Dixon. De Hootchy-Kootchy is oorspronkelijk een buikdans, gedemonstreerd door de danser Little Egypt op de Wereldtentoonstelling van 1893 in Chicago (Columbia Exposition) en veroorzaakte destijds een schandaal.

 (I'm Your) Hoochie Coochie Man blijkt een populair nummer te zijn, en is ondermeer gecoverd door: Alexis Korner (1963), Dave Berry (1964), Dion (1964), Graham Bond Organisation (1965), Manfred Mann (1965), Sam The Sham & The Pharaohs (1965), Junior Wells (1966), John Mayall (1966), Tim Hardin (1967), Steppenwolf (1968), Jimi Hendrix (1968), The Allman Brothers Band (1970), Motorhead (1983), Supertramp (1988), Eric Clapton (1994) en King (2000).

vrijdag 5 januari 2024

Scrabled Eggs

Dat we John Lennon en Paul McCartney tot de belangrijkste componisten van de 20ste eeuwse lichte muziek rekenen, is zeker geen euforische overdrijving.  Alleen al omwille van één melodie zijn ze onsterfelijk te noemen, het haast klassiek getinte Yesterday, al weten wij met z’n allen dat het nummer door Paul in zijn eentje werd geschreven.

Oorspronkelijk verscheen Yesterday op de elpee Help (augustus 1965) en was tevens de titelsong van een eepee  (single met vier tracks) die een jaar later werd uitgebracht. Het nummer in Engeland  op single uitbrengen, durfden zij volgens Paul niet omdat het té soft klonkt voor een rockgroep. Het is ook een nummer waarin hij als solist optreedt en zij hadden vooraf afgesproken dat zij als groep naar buiten zouden treden, zeker in hun thuisland.  De  elpee Help verscheen een jaar nadat The Beatles iedereen hadden verrast met de film A hard day’s night. Hun tweede film Help zou een even groot succes worden,  net als de soundtrack. September 1965 stond de elpee wereldwijd op nummer 1 .

Ook al klinkt Yesterday als een heuse love ballad, toch deed de werktitel aanvankelijk  een andere inhoud vermoeden. Paul McCartney, die voor 90 % verantwoordelijk is voor deze popklassieker, noemde het liedje in  zijn broeifase  Scrambled eggs.   Op een  vroege ochtend werd hij wakker in de woning van de familie Asher aan de Wimpole Street in Londen. Paul had in die tijd een relatie met Jane Asher ( haar broer Peter maakte deel uit van het populaire duo Peter and Gordon). Hij had de melodie compleet in zijn hoofd. Aan het uiteinde van zijn bed stond in de buurt van het raam een piano. Hij kon de melodie zo meteen uit het blote hoofd spelen. Daarom dat Paul dacht dat hij het ooit ergens had opgepikt. Hij had wel nog geen tekst en noemde het liedje gewoonweg Scrambled eggs. De enige tekst die hij er die ochtend speels bij verzon was “Oh my baby how I love your legs”. Hij liet het liedje in zijn ruwste vorm horen aan George Martin toen zij op concertreis waren in Parijs.

Tussen de 16de januari en de 4de februari 1964 traden zij negen maal op in de Parijse Olympia en verbleven al die tijd in het hotel George V. Het is hier dat George Martin dus Scrambled eggs voor het eerst hoorde. Paul speelde toen al met de gedachte het liedje Yesterday te noemen. Paul ging van de 27ste mei tot midden juni met vakantie in  het Portuges stadje Albufeira.  Hij was daar samen met Jane op vakantie. Zij logeerden in de villa van Bruce Welch van The Shadows. Op de terugweg naar de luchthaven, 270 km lang, schreef Paul met Bruce aan het stuur, al tokkelend op een gitaar die hij van Bruce geleend had, de volledige tekst van Yesterday .

Yesterday
All my troubles seemed so far away
Now it looks as through they’re here to stay
Oh I believe in yesterday.

Maandag 14 juni 1965, twee dagen nadat Jane Asher en Paul teruggekeerd waren van hun vakantie in Portugal, had de opname plaats in de Abbey Road studio’s in Londen. Je zou het gerust een soloproject mogen noemen, want noch John Lennon, noch  Ringo Starr, noch George Harrison namen  aan die opnamesessie deel, al waren zij wel aanwezig, want zij hadden net voordien gezamenlijk de nummers I’m down en I’ve Just seen a Face opgenomen. John, George en Ringo vonden dat zij als groep aan Yesterday niets konden toevoegen en dat Paul het in zijn eentje in de verf moest zetten. Wel werd er op aanraden van George Martin een strijkkwartet bijgehaald. Martin had een klassieke opleiding aan  the Guildhall School of Music genoten en kon goed overweg met ernstige muziek. Paul had het nummer eerst ingeblikt met alleen een akoestische gitaarbegeleiding. Hij zag het niet zitten daar een strijkwartet aan toe te voegen omdat hij het té klassiek vond. Maar uiteindelijk kon Martin hem toch overtuigen. Voor dit kwartet deed Martin een beroep op de violisten Tony Gilbert en Sidney Sax , cellist Francisco Gabarro  en altviolist Kenneth Essex. We mogen jiet vergeten te vermelden dat McCartney het nummer eerst niet zelf wilde opnemen. Hij had het eerst doorgespeeld aan Chris Farlowe en nadien aan Billy J.Kramer van The Dakotas, maar die hadden beleefd geweigerd.

Paul McCartney beschouwt Yesterday nog steeds als de meest complete song die hij ooit heeft geschreven. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat hij dit liedje altijd is blijven koesteren, ook na zijn Beatlesperiode. Zo kan u het bijvoorbeeld nog eens terughoren op de  elpee Wings over America. Deze elpee was de live-registratie van de wereldtournee die hij met zijn groep Wings in 1976 op het getouw had gezet. Tijdens een periode van dertien maanden deden zij tien landen aan. Tijdens deze tournee zong McCartney niet alleen nieuwe songs, maar ook een  aantal Beatles hits die de groep zelf nooit live had uitgevoerd. Songs zoals  The long and winding road,  Lady Madonna, Blackbird  en Yesterday  kwamen op de playlist voor .

Zeven jaar na datum bestonden er van Yesterday 1186 opgenomen versies in alle toonaarden, gaande van: Pat Boone en Cilla Black, over Nat King Cole en Perry Como tot en met Otis Redding en Frank Sinatra. In Engeland  geraakten, naast The Beatles, nog enkele collega’s van hen met Yesterday tot in de top 5O: Matt  Monro stond in oktober 1965 op 8 , de maand daarop Marianne Faithfull op 36 en in de maand december 1967 Ray Charles op 44. Charles was ook diegene die in de Amerikaanse top 100 het hoogst scoorde met zijn  coverversie. In de maand november  van 1967 hield Ray Charles  singleversie van Yesterday  halt op plaats 25. Minder bekend bij ons is de Franse versie die Hugues Aufray meteen uitbracht als  Je croyais.  In Nederland slaagden ze er in enkele dwaze versies op plaat te zetten: Ria Valk, Ivo de Wijs, Sjef Van Oekel en niet te vergeten in 1966 Rijk de Gooyer

Yesterday
’ t Was gewoon een doordeweekse day
Zat ik allenig in een soort café
Verdrietig achter ’n slappe thee
Yesterday
Plotseling zaten we daar met z’n twee
En na een uurtje werd ik vreselijk wee
Toen zij d’r hand op de mijne lee.

Door de jaren heen werd Yesterday met prijzen overladen. In 1966 had McCartney al de “Ivor Novello Award” in ontvangst mogen nemen voor deze compositie. Yesterday werd in Amerika uitgeroepen tot de meest favoriete song van 1965. Tussen het jaar van release en 1973 was het het meest gedraaide nummer op de Amerikaanse radio: méér dan zes miljoen keer. In 1999 stond Yesterday bovenaan de lijst van beste songs van de twintigste eeuw. Intussen werd de grens van drieduizend coverversies ruim overschreden.

zondag 24 december 2023

The Four Pennies

De video start met een aankondiging van de in 2011 overleden Jimmy Saville.
The Four Pennies was een Britse popgroep, opgericht in 1963 in Blackburn, Engeland. De groep had één nummer 1-hit in de Britse hitparade: Juliet, en drie kleinere hits. In 1967 viel de groep uit elkaar.
De leden van de groep waren:
  • Lionel Morton, gitaar en zang
  • Fritz Fryer (volledige naam David Roderick Carney Fryer), gitaar
  • Mike Wilsh, basgitaar, piano en zang
  • Alan Buck, drums
Fritz Fryer verliet eind 1965 de groep, maar keerde begin 1966 terug. In die korte tijd werd hij vervangen door David Graham.
Alan Buck en Fritz Fryer zijn inmiddels overleden, respectievelijk in 1994 en 2007.

dinsdag 31 oktober 2023

Them

Them is een Noord-Ierse band afkomstig uit Belfast, die zijn grootste succes kende tussen 1964 en 1966. Het belangrijkste lid van de groep was van 1963-1966 zanger Van Morrison.

De Britse zanger en songschrijver Van Morrison werd in augustus 1945 geboren in Belfast als George Ivan Morrison.

Als tiener speelde Van Morrison mondharmonica, gitaar en saxofoon in verschillende groepen. Op 16-jarige leeftijd verliet hij de middelbare school om zich bij de The Monarchs aan te sluiten. Met The Monarchs speelde Van Morrison ook op het vaste land van Europa.

Na terugkomst in Noord-Ierland richtte Van Morrison in 1963 Them op, met Billy Harrison (gitaar), Eric Wickson (orgel), Alan Henderson (bas) en Ronnie Millings (drums).

Hun eerste single werd uitgebracht in augustus 1964, met op de A-kant "Don't start crying now" en aan de achterkant "One two brown eyes". Het succes bleef uit. Onduidelijk is of op die eerste plaat ook inderdaad alle Themleden te beluisteren zijn. Van Morrison en Henderson lijkt dat zeker, maar in de opnamepraktijk werd veelal met studiomuzikanten gewerkt. Daarin was Them niet uniek. Bekend is het verhaal dat Ringo Starr tijdens de opnamen van de eerste Beatles-singel "Love me do" plaats moest maken voor een sessiedrummer. Zo zijn tijdens die eerste Them-opnamen waarschijnlijk gitarist Jimmy Page, organisten Arthur Greenslade en Peter Bardens en drummer Bobby Graham ingezet.

De tweede single "Baby, Please don't go" had aanvankelijk ook geen succes en Them vertrok teleurgesteld naar Belfast, om even snel naar Londen terug te komen, toen het nummer een hit bleek. Live kon Them de sound van de plaat in elk geval reproduceren, zoals uit de spaarzame overlevende opnamen blijkt. Het verhaal dat de meeste muzikanten binnen Them hun instrumenten onvoldoende beheersten, wordt daardoor ontkracht. Het succes van het nummer leidde tot de elpee "The Angry Young Them". Hierop is ook de uiteindelijk grootste hit van de band "Gloria" te horen. Deze single bereikte in december 1964 de tiende plaats op de hitparade.

Them kende veel personeelswisselingen. Na "Them again" verschenen nog een aantal albums, maar deze zijn niet zo goed.

maandag 30 oktober 2023

The Yardbirds

The Yardbirds was een Britse rockband uit de jaren zestig. De band is vooral bekend omdat drie van de beroemdste gitaristen, Eric Clapton, Jeff Beck en Jimmy Page, hun carrière bij the Yardbirds begonnen. De band had gedurende de jaren zestig vele hits, waaronder I’m a Man en For Your Love.

In 1962-63 begon de band in de buitenwijken van Londen onder de naam “the Metropolis Blues Quartet”. In 1963 was de naam veranderd in “the Yardbirds”. Ze kregen volop de aandacht van de Britse rhythm and blues-scene toen ze the Rolling Stones opvolgden als de officiële huisband van de Londense Crawdaddy Club.

In het begin bestond de line-up uit Keith Relf (vocalen en mondharmonica), Chris Dreja (ritmegitaar), Paul Samwell-Smith (basgitaar), Jim McCarty (drums) en Anthony “Top” Topham (leadgitaar). Top werd al gauw vervangen door de toen nog onbekende Eric Clapton.

Onder begeleiding van Crawdaddys impresario Giorgio Gomelsky, die de rol van manager en producer op zich nam, kregen ze in 1964 een contract bij het Columbia-label van EMI. De band was voor het eerst op plaat te horen als begeleidingsband van de blueslegende Sonny Boy Williamson, met wie ze door Europa tourde. In 1964 kwam het eerste album uit, Five Live Yardbirds, een live-album.

De band wilde ook de popmarkt veroveren en bracht enkele singles uit. De eerste singles waren oude blues-covers, maar ze kregen hun eerste grote succes met For Your Love, een nummer geschreven door Graham Gouldman (later 10CC). De single was voor de band het eerste grote succes in eigen land en de grote doorbraak in het buitenland. Alhoewel de single een vernieuwend stuk was en een groot succes, viel hij niet in de smaak bij Clapton, die in die tijd een pure bluesman was.

Hij verliet de band begin 1965 en vertrok naar John Mayall’s Bluesbreakers. Als vervanger raadde Clapton Jimmy Page aan, die het aanbod afsloeg en op zijn beurt Jeff Beck aanraadde.

donderdag 19 oktober 2023

The Kinks

Honor Blackman
Wanneer de groep in 1963 z’n platencontract gaat tekenen, komen ze tot de vaststelling dat ze nog niet echt een naam hebben. Ze kiezen voor The Raven, maar dat vindt hun platenmaatschappij niet trendy genoeg. Uiteindelijk wordt gekozen voor The Kinks, een naam die verwijst naar actrice Honor Blackman, destijds bekend vanwege haar excentrieke laarsjes (kinky boots). 

dinsdag 12 september 2023

JOHNNY CASH: A SINGER OF SONGS

Als één van de meest invloedrijke artiesten van de laatste halve eeuw liet de Amerikaanse countryheld Johhny Cash niet alleen een ontzagwekkend songimperium na, hij was vooral een artiest die genres oversteeg en generatie na generatie met elkaar verzoende. Desondanks schikte hij zich zijn hele loopbaan lang het best in de rol van underdog.

'They will fly me like an angel to a place where I can rest', het is slechts één van de handvol beklijvende epitafen die Johnny Cash kort voor zijn dood liet optekenen. Het is afkomstig uit het met dochter Rosanne gezongen 'September when it Comes' en is terug te vinden op de bijwijlen bloedstollende compilatiebox Unearthed (2003).
Cash kreunde al enkele jaren onder een erg instabiele gezondheid ten gevolge van het syndroom van Shy-Drager, een slopende Parkinsonvariant die de Amerikaan in de herfst van zijn leven vaker aan het ziekenhuisbed kluisterde dan hem lief was.
Uiteindelijk waren het de door diabetes veroorzaakte complicaties die Johnny Cash de das omdeden. De voorgaande jaren sukkelde hij ook al met een chronische longaandoening, die hem in '93 al bijna fataal werd.
Het is echter een publiek geheim dat de plotse dood van Cashs echtgenote June Carter in mei 2003 de laatste rechte lijn naar het oneindige aanzienlijk bekortte.
Terwijl het mythologiseren van vele van Cash's op jongere leeftijd gestorven muzikale collega's pas post mortem gecultiveerd werd, zat de Man in Black bij leven nooit om aandacht verlegen.
Zo draaide het mediacircus ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag nog op volle toeren. Geen enkele muzikant - genreverwant of niet - liet de kans onbenut om de ontzagwekkende carrière van de levende legende te loven of de hemel in te prijzen. Merle Haggard, George Jones, Kris Kristofferson, Paul McCartney, Keith Richards, Tom Waits, Leonard Cohen, Tom Petty, Elvis Costello, Steve Earle, U2, Metallica, Nick Cave en talloze anderen. Geef toe, het is een indrukwekkend rijtje!
Naast de mythe is er natuurlijk nog het muzikale testament van Johnny Cash, dat tot het einde der dagen gekoesterd zal worden als een onuitputtelijke inspiratiebron voor eenieder die zich van ver of dichtbij met muziek onledig houdt.
Cijfers zeggen lang niet alles, maar in het geval van Cash zijn ze ronduit verpletterend: méér dan vijftig miljoen verkochte platen (waarvan er in totaal zo'n tachtig op zijn naam staan), een catalogus van vijftienhonderd songs verspreid over dik vijfhonderd albums, elf Grammy's en talloze andere onderscheidingen.
Cash is samen met Elvis Presley trouwens de enige artiest die zowel voor rock als country werd opgenomen in de in de Sates vermaarde Music Hall of Fame. Het is immers zo klaar als een klontje dat de invloed van Cash zich niet beperkte tot de grenzen van de country.
Lang voor de Sex Pistols de eerste noot van Never Mind the Bollocks op papier zetten, liep er in Nashville immers al een rechtschapen punker rond die later ook nog eens de kiemen van de gangsta rap zou leggen.
Sun-label
Johnny Cash krijgt de muzikale microbe met de paplepel ingegeven door zijn moeder, die op haar beurt inspiratie zocht in een gospelboek, Heavenly Highway Hymns, waar ze vervolgens naar hartelust uit voordroeg. Cash zelf zou de gospelsongs ettelijke decennia later afstoffen op My Mother's Hymns Book (2003).

Aan de randen van de Mississippi maakt Johnny kennis met de troosteloze armoede en het harde labeur op de cottonfields Cashs genadeloze jeugdjaren zijn een uiterst vruchtbare voedingsbodem voor een bijzonder florissante songschrijverscarrière. Later zou de kniediep in integriteit badende outlaw dozijnen songs wijden aan de verpauperde levensstandaard van het kansloze zuiden.
Eenmaal Cash zijn legerdienst in Duitsland heeft vervuld, staat niets hem in de weg om zijn muzikale aspiraties waar te maken. Goed één jaar na Elvis Presley heeft ook hij immers een contract te pakken bij het vermaarde label Sun van Sam Phillips. Ook Cashs partners in crime Carl Perkins, Jerry Lee Lewis en Charlie Rich zijn gehuisvest bij Sun en met hen worden de hoekstenen gelegd voor wat begin jaren zestig uit de grond zou rijzen aan rock-'n-roll.
Cash - inmiddels in de echt verbonden met Vivian Leberto - zweert van meet af aan trouw bij het op dat moment vernieuwende boom-chicka-boom-ritme. Met zijn lage, asgrijze baritonstem en dan al cynische teksten spreekt hij tot de verbeelding van de Amerikaanse rootscultuur. Gitarist Luther Perkins en bassist Marshall Grant fungeren als Cash's onafscheidelijke en rotsvaste sidekicks.

'Hey Porter', de eerste single, klopt schuchter aan de poorten van het succes. Met hits als de moordballade 'Folsom Prison Blues' ('I shot a man in Reno just to watch him die'), 'Cry Cry Cry' en het vijftig jaar na datum nog steeds onvermurwbare 'I Walk the Line' verschaft Cash zich onder voorbehoud toegang tot de Galerij der Groten. Het nemen van die hoge vlucht staat voor de jonge countrygod echter pal tegenover de steeds troebeler wordende relatie met Sam Phillips.
In 1957 maakt Cash van zwart z'n definitieve handelsmerk door in de gerenommeerde Grand Ole Opry in Nashville volledig in die kleur op te treden. 'The Man in Black' is geboren, dit in schril contrast tot de andere, in allerlei opzichtige kleuren gehulde countryzangers. Johnny Cash and His Hot and Blue Guitar is de allereerste solo-lp die Sun op de markt brengt, maar daarna gaan de wegen van Cash en Sun onherroepelijk uit elkaar.
Het is immers lang geen geheim meer dat Cash zich wil toespitsen op een gospelplaat en Phillips de lokroep van z'n leerling halsstarrig bleef negeren. Hoewel er later nog ettelijke Sun-lp's van Cash in roulatie komen, is het vooral Columbia dat in het begin van de jaren zestig kan pochen met een artiest die de rockabillyhitsingles in ijltempo aan elkaar rijgt.

Terwijl Cash inmiddels wel de respectievelijke carrières van Jerry Lee Lewis en Roy Orbison op de rails zette (later bezorgde hij ook al Bob Dylan z'n eerste majordeal), begint z'n onberispelijke status als gevolg van het moordende tourschema de eerste barsten te vertonen.
Wilde geruchten over excessief drugsgebruik en een stormachtig huwelijk steken de kop op en ook met de platenverkoop gaat het bergaf. Net in die turbulente periode scoort Cash echter wel zijn allergrootste hit ooit, 'Ring of Fire', geschreven door Merle Kilgore én June Carter, lid van de beroemde Carter Family, een onmisbare schakel in de diepgewortelde codex van de traditionele Amerikaanse muziek.
Naargelang de jaren zestig vorderen gaat het met de geestelijke toestand van Cash - die intussen weer van New York naar Nashville is verhuisd en in Waylon Jennings de gedroomde nachtbraker vindt - van kwaad naar erger.
Dieptepunt uit zijn carrière wordt zijn verwijdering uit de Grand Ole Opry, waarvan hij prompt de lichtinstallatie aan diggelen trapt. Cash is nu helemaal losgeslagen: hij overleeft ternauwernood een auto-ongeval. In 1965 wordt hij in El Paso gepakt wegens speedbezit en tot overmaat van ramp loopt zijn huwelijk met Leberto, met wie hij vier kinderen heeft - op de klippen.
In de jaren tachtig is Cash opnieuw op ontwennen aangewezen, al verzinkt die verslaving in het niets met de decadente esbattementen uit de jaren zestig. Dat Cash finaal niet in de voetsporen treedt van de al even roekeloos levende en tragisch gestorven Hank Williams, heeft hij te danken aan June Carter, nota bene de meter van Williams' zoon, met wie hij in 1967 in het huwelijksbootje stapt en de monsterhit 'Jackson' scoort.
Carter bekeert haar echtgenoot prompt tot het Christendom en paradoxaal genoeg doet de hand van God wonderen in de spirituele rehabilitatie van Cash.

Cashs jarenlang engagement voor de aan lager wal geraakte drop-outs komt pas écht in de schijnwerpers te staan als hij hen effectief gaat opzoeken en entertainen in de gevangenissen van Folsom Prison en San Quentin. At Folsom Prison (1968) wordt samen met het één jaar later ingeblikte At San Quentin immers één van de meest beklijvende en markante liveregistraties uit de muziekgeschiedenis.
Beide gevangenisplaten verkopen meer dan een kwart miljoen exemplaren en hiermee steekt Cash zelfs de op dat moment ongenaakbaar gewaande Beatles naar de kroon. Optreden in de zwaarst bewaakte gevangenis van Californië (Folsom Prison) is allesbehalve een sinecure, maar Cash acteert die avond met zoveel flegma - niet gespeend van de hem zo typerende gitzwarte humor - dat de tweeduizend inmates hem prompt als één van hen beschouwen.
Toepasselijke songs als 'The Wall' ('There's a lot of strange men in cell block ten / But the strangest of them all / Was a friend of mine who spent his time staring at the wall'), 'I Got Stripes' ('I Got Stripes / Stripes Around My Shoulders / I Got Chains / Chains Around My Feet') en het venijnige 'Cocaine Blues' laten niets aan de verbeelding over en bezorgen Cash de gratie waar de bajesklanten levenslang vruchteloos naar hengelen.
De San-Quentinpassage levert vervolgens het hilarische 'A Boy Named Sue' en het op luid gejuich onthaalde titelnummer ('San Quentin, I hate every inch of you ./ May you rot and burn in hell') op. Decennia later zou wijlen Boudewijn Buch beide gevangenissen bezoeken voor zijn programma De Wereld Van.
God's touch
De Bijbel is intussen Cashs eeuwige steun en toeverlaat geworden ('I wear the black for the poor and beaten down, living in the hopeless hungry side of town / I wear the black for those who never read or listened to the words that Jesus said').
Toch staan gospelplaten als The Holy Land (1968), Man in Black (1971) en Believe in Him (1987) nu niet meteen bekend als 's mans artistieke hoogtepunten, zoals Infidels, Slow Train Coming en Saved dat evenmin zijn voor dat andere icoon, Bob Dylan.
Met Dylan is Cash tevens te horen op 'Girl from the North Country', het openingsnummer van Nashville Skyline uit 1971. Hét hoogtepunt van Cashs geloofsbelijdenis wordt echter het door hemzelf geproduceerde en gefinancierde filmproject Gospel Road (1973). In de prent - handelend over het leven van Jezus Christus - zien we Cash symbolisch op een Israëlische bergtop terwijl hij er zijn liefde voor God declameert.

Begin jaren zeventig maakt Cash op ABC tevens furore met de legendarische Johnny Cash Show. Als talkshow host ontvangt hij ('Hello, I'm Johnny Cash! ') de Groten der Aarde, met wie hij vanzelfsprekend ook duetten aangaat: Bob Dylan, Louis Armstrong, Ray Charles, Neil Young, Roy Orbison, Kenny Rogers, Merle Haggard, Linda Ronstadt, Joni Mitchell en vele anderen.
Na afloop mag de veelzijdige countryster zelfs op audiëntie bij president Richard Nixon. Cash steekt z'n patriottistische gevoelens overigens nooit onder stoelen of banken, al laat hij de écht conservatieve idealen liever over aan zijn collega's.
Vervolgens duurt het tot het in 1979 uitgebrachte Silver vooraleer Cash nog eens muzikale gensters slaat. Halverwege de jaren tachtig boekt Cash aan de zijde van collega-outlaws als Willie Nelson, Waylon Jennings en Kris Kristofferson commercieel succes als The Highwaymen.
In Europa blijven de drie platen van dit superkwartet echter zo goed als onbekend. Met legende Willie Nelson zou Cash eind jaren negentig wel nog schitteren op het live-album VH1 Storytellers.

Muzikaal gezien worden de jaren tachtig weinig opzienbarend voor Cash en niets lijkt erop te wijzen dat de glorie weer zal opdoemen. Tot U2 Cash in 1993 een helpende hand reikt en hem een gastbijdrage op Zooropa ('The Wanderer') offreert.
Uiteindelijk is het echter de gelauwerde producer Rick Rubin die zich als ultieme reddingsboei opwerpt. Samen sluiten ze een lucratieve deal voor een reeks (vier in totaal) American Recordings, waarvoor Cash glorieus in de huid kruipt van artiesten als The Beatles ('In My Life'), U2 ('One'), Tom Petty ('I Won't Back Down'), Depeche Mode ('Personal Jesus'), Nick Cave ('The Mercy Seat'), Soundgarden ('Rusty Cage') en Bonnie 'Prince' Billie (het beklemmende 'I See a Darkness').
Cash bewijst nogmaals dat hij een meester is in het interpreteren en vertolken van andermans songs, ditmaal in een erg minimalistisch en sober jasje. Ook eigen klassiekers worden nieuw leven ingeblazen - arrangementen beperken zich slechts tot gitaar en piano, maar het gloriemoment van een decennium American Recordings is ontegensprekelijk het griezelig mooie 'Hurt' van Nine Inch Nails.
Dan hebben we nog met geen woord gerept over de bijhorende, tranentrekkende videoclip (Mark Romanek), die een aandoenlijk zieke Cash ('Everyone I know goes away in the end') een Grammy opleverde en ook de adem van ondergetekende ei zo na deed stokken. Bij alternatieve muziekadepten krijgt Cash voortaan een prominente plek in de platenkast, bij de C van Cave en Cohen, net zoals hij de voorgaande decennia ook de harten van miljoenen anderen veroverde.

Het laatste wapenfeit van Johnny Cash wordt de peperdure, vijfdelige compilatiebox Unearthed, goed vier jaar na het ook al indrukwekkende en vrij overzichtelijk verzameldrieluik Love, God, Murder, recentelijk aangevuld met Life.
Rubin wilde deze oorspronkelijk in de pijplijn houden tegen 2004, maar Cash besliste daar drastisch anders over door op 12 september 2003 rond de tafel te gaan zitten met Magere Hein. Het moge Hem goed gaan op zijn laatste pelgrimstocht!
'I'm not a great man, I don't claim to be / But when I meet my maker and he questions me / I won't hang my head, I will stand proud and strong / And say: I was a singer of songs'.