donderdag 4 april 2013

I'm a believer

Dat The Beatles zowat alle hitlijsten overrompeld hadden sinds  1963 is een ferme brok muziekgeschiedenis, daar kan en heb ik niets aan toevoegen. Je zult dan wel begrijpen dat het de Amerikanen hoog zat dat ze geen alternatief klaarhadden voor The Beatles. Dus kneedden ze een groep die een beetje in het voetspoor van The Beatles kon treden, al kwamen ze uiteindelijk niet eens tot op enkelhoogte. Dames en heren, mag ik u voorstellen aan The Monkees!
Via een advertentie in The Daily Variety, geplaatst door Screen Gems kregen George Michael Dolenz, David Thomas Jones, Robert Michael Nesmith en Peter Halsten Thorkelson in 1966 de kans van hun leven. Je mag het zo zien dat het vier acteurs waren die door Columbia Pictures waren ingehuurd om rockmuzikanten te spelen, want zelfs behoorlijk een instrument beroeren lukte hen niet. Om het geheel goed in de markt te zetten, werden The Monkees geëtaleerd in een heuse tv-serie met daaraan gekoppeld heuse muziek die speciaal voor hen werd geschreven en geschoeid was op een beatle-ische leest. Het schrijversduo Tommy Boyce en Bobby Hart leverden de vier heren hun allereerste hit Last train to Clarksville, de 5de november 1966 goed voor hun eerste Amerikaanse nummer 1. De tv-reeks The Monkees was eigenlijk een idee van producers Bert Scheider en Bob Rafelson die een blauwdruk van de look van The Beatles aanlengden met een blauwdruk van de fratsen van The Marx Brothers en dat op zekere dag verkochten aan NBC. Ze wilden eerst hun idee uitwerken rond The Lovin’ Spoonful, maar toen dat niet werkte, plaatsten ze een annonce met daarin volgende gegevens: folk and rock musician singers for acting roles in a new tv series. Running parts for four insane boys, age 17-21.  Er zouden 437 jongens reageren waaronder bekende namen zoals songwriter Paul Williams, Paul Petersen en Stephen Stills, maar die werden deels omwille van hun uiterlijk niet weerhouden.



Aan ouwe rot in het vak, muziekuitgever Don Kirshner werd gevraagd geschikte muziek voor The Monkees te zoeken. Don had een pak grote namen in zijn uitgeverij zitten waaronder Gerry Goffin, Carole King, Neil Sedaka, Barry Mann, Tommy Boyce, Bobby Hart en last but not least Neil Diamond. Geen wonder dat Al zoveel mogelijk liedjes van zijn ploeg wilde voorstellen, wat ook lukte. Als opvolger van Last train to Clarksville werd gekozen voor een nummer van Neil Diamond I’m a believer. Eigenlijk was het Barry Mann die Don Kirshner wees op de sterkte van dat liedje van Neil. Barry had Diamond ontdekt tijdens een optreden in een koffiebar in Greenwich Village. Producer van dienst tijdens de opname van I’m a believer was Jeff Barry die vond dat Micky Dolenz de leadvocals voor zijn rekening moest nemen.
Toen de winkeliers het nummer vooraf konden beluisteren mocht Colgems, het nieuwe jongeren platenlabel van RCA, méér dan één miljoen exemplaren in voorbestelling noteren. I’m a believer kwam de 10de december 1966 de top honderd binnen op plaats 44 om drie weken later op één halt te houden. Zeven weken hielden The Monkees daar stand om de 18de februari van die troon te worden gestoten door The Buckinghams met Kind of a drag. Twee dagen na het verschijnen van I’m a believer hadden The Monkees al goud te pakken.
In Engeland, waar Last train to Clarksville geen potten had gebroken omdat de tv-serie nog niet was gelanceerd, werd I’m a believer ook een nummer één nadat de tv -reeks was opgestart. Niet voor niets verscheen in het blad Billboard de hoofding Europe’s gripped by Monkeesteria nadat de vier heren niet alleen Engeland, maar ook Nederland, België, Duitsland en Frankrijk hadden platgewalst.
Van I’m a believer werden wereldwijd tien miljoen exemplaren verkocht. Neil Diamond zelf nam voor zijn elpee September morn’ een nieuwe versie op. Zijn orginele is terug te horen op de cd The essential Neil Diamond.
In 2001 werd I’m a believer gecoverd voor de film Shrek door Smash Mouth en Eddie Murphy.

dinsdag 2 april 2013

10.000 bezoekers !


Plezier en protest (deel 2)



Kunnen we uit de teksten van de popsongs uit die jaren iets meer opmaken van de aard van de veranderingen die in jaren zestig en het begin van de jaren zeventig plaatsgrepen? Het antwoord op die vraag moet welhaast ontkennend luiden. Tekstanalyses leveren in ieder geval weinig op. Zo valt er in de popsongs van de jaren zestig en zeventig bar weinig te merken van de toenemende seksuele vrijheid die jongeren zich veroorloofden. In 1981 ondernamen Larry Lance en Christina Berry een inhoudsanalyse van popsongs over de periode tussen 1968 en 1977. Met een ondertoon van lichte verbijstering stelden zij zich na afloop de vraag of in die jaren echt een seksuele revolutie had plaatsgevonden. Uit de teksten van de onderzochte liedjes viel dat in ieder geval niet op te maken. Wie de hitladder er nog eens op naluistert, zal dat moeten beamen. De meeste liefdesliedjes thematiseren verliefdheden en zeker geen volledige promiscuïteit of hedonistische seks. Sterk erotisch liedjes als het botte Satisfaction (1965) en het wellustige Let's Spend the Night Together (1967) van de Rolling Stones, het hijgende Je t'aime moi non plus (1969) van Jane Birkin en Serge Gainsborough, en James Brown's Sexmachine (1970) zijn schaarse spelden in de zachte, romantische hooiberg van de popmuziek.


In de popmuziek vinden we niet alleen weinig seks, maar ook geen overdaad aan maatschappijkritiek. Langzaamaan heeft zich het beeld gevormd dat zowat alle popsongs uit de jaren zestig deel uitmaakten van een bredere protestbeweging. Bijzonder veel echte protestliederen zijn er evenwel niet te vinden in de stortvloed aan popsongs die het decennium overspoelde. Ook in het repertoire van gerenommeerde protestzangers als Bob Dylan en zijn Britse en Nederlandse navolgers Donovan en Boudewijn de Groot vormen protestsongs maar zeer klein percentage van het geheel. Boudewijn de Groot begon zijn loopbaan met cabareteske en studentikoze, die zoals gebruikelijk in dat genre de draak staken met kleinburgerlijkheid. Enkele daarvan behandelen op licht kritische toon thema's als woningnood en seksuele voorlichting. Na het verschijnen van Welterusten, meneer de president in april 1966, volgde nog een klein aantal vertaalde protestsongs van Dylan en Donovan. Het merendeel van De Groot's repertoire gaat echter, zoals de meeste popsongs, over kwesties van identiteit en van relaties. Zijn protestsongs werden ook nooit zo populair als bijvoorbeeld Testament, dat spijtig het afscheid van de jeugdfase bezingt, of het burleske Land van Maas en Waal dat in het begin van 1967 door jong en oud werd geadopteerd als de carnavalskraker van het jaar.

zaterdag 30 maart 2013

John Cage "4'33"




In 1951 bracht de Amerikaanse avant-gardecomponist John Cage (1912-1992) een bezoekje aan een geluidsdichte kamer op de Universiteit van Harvard. Het leek hem reuze interessant om eens te ervaren hoe het zou zijn om helemaal niets te horen. Vreemd genoeg was het in de kamer helemaal niet zo stil: Cage hoorde constant een hoog en een laag geluid. Volgens de technicus die Cage naderhand aansprak, was de ruimte wel degelijk geluidsdicht: hij had zijn eigen bloedsomloop en zenuwstelsel gehoord.

Cage was bijzonder geamuseerd en zag in deze belevenis de bevestiging van een theorie waar hij al een tijdje aan werkte: de rol van toeval in muziek. Deze theorie zou een jaar later uitmonden in de première van 4'33", ook wel bekend als ‘the silent piece’. Het stuk bestaat uit vier minuten en 33 seconden stilte (hoewel de lengte variabel is), verdeeld in drie ‘gedeeltes’. De eerste opvoering vond plaats op 29 augustus 1952 in New York: pianist David Tudor kwam aanlopen, nam plaats achter een vleugel, sloot het deksel om aan te geven dat hij was begonnen en startte een stopwatch. Een tijdje later opende en sloot hij het deksel weer om het eind van het eerste gedeelte aan te geven, en herhaalde dit voor de overige twee delen.

Met andere woorden: Tudor raakte tijdens de uitvoering geen toets aan. Het publiek reageerde nogal ongemakkelijk; men begon zenuwachtig te kuchen, met de voeten te schuifelen en driftig door het programmaboekje te bladeren. En dat is precies wat Cage voor ogen stond: absolute stilte bestaat niet zonder zijn aanvullende tegenhanger, geluid. Stilte wordt door Cage geherdifinieerd als de afwezigheid van intentioneel geluid. Bij 4'33 staat niet zozeer het 'niet spelen' centraal, als wel de geluiden die je anders niet zou horen en op die manier uitgroeien tot de compositie zelf. Maar goed, je kunt dit alles ook té serieus nemen en sommigen zien in 4'33 een heuse aanklacht tegen muziek, ja zelfs het einde van muziek zoals we dat kennen...

donderdag 28 maart 2013

Tom & Dick



Tom Poederbach en Dick Swaneveld bereikten eind jaren zestig de eerste plaats in de hitparade met hun zelf geschreven “Bloody Mary”. Niet lang daarna werd producer Peter Koelewijn gevraagd bij “het team” te komen. Hij nam twee platen met het duo op: “Ome Janus” en “Ik kan echt geen dag meer wachten”, waarvan de laatste in de hitparade verscheen.

Na het enorme succes van Bloody Mary moeest er natuurlijk een LP komen, die producer Peter Koelewijn maakte. De meeste liedjes zijn van het duo Tom Poederbach en Dick Swaneveld, al of niet samen met Peter, Cees Schrama en Job Maarse. De laatste deed het merendeel van de arrangementen.

Dick Swaneveld zegt zelf over de begin periode van zijn samenwerking met Tom Poederbach:

"We hadden onder de naam "Tom & Dick v/h Poody" al een single gedaan ("Terug naar de natuur") en daarmee een zelfgeregeld optreden voor TV versierd in Frascati bij Mies Bouwman's "Mies-en-scene". Dit liedje staat overigens ook op de LP van ons.

We werkten beiden voor TV en kwamen Mies dus ook gewoon in het wild tegen, werkten ook regelmatig met regisseur Leen Timp, kenden de producers, Hans Peters en Henk Bongaars (Henk van Dorp nu). We lieten Mies de tape horen en stonden een paar dagen later live op tv. Zo ging dat toen nog.

Ook hadden we al "Het wijnlied" gezongen in het VARA-TV programma "Zomaar een zomeravond". Voor dat zelfde programma hebben we ook nog een aantal korte filmpjes gemaakt met gefilmde grappen. Een alleen door Tom prachtig gedeclameerde tekst van "Witte Rozen" van de Zangeres zonder Naam, door mij op de achtergrond subtiel voorzien van fraaie orgelmuziek van het Adagio van Albinoni is nog vóór Bloody Mary, door de KRO-radio "Tussen 12 en 2" uitgezonden. Na wat reacties van boze luisteraars moest presentator Felix Huizinga publiekelijk excuses aanbieden en beloven de tape nooit meer uit te zenden".

dinsdag 26 maart 2013

Uit de oude (foto-)doos...

1966: The Rolling Stones in Den Bosch, met Bintangs, Outsiders, Ferraris, Bumble Bees en...Peter and the Blizzards. Wie? Even YouTuben...


zondag 24 maart 2013

Johnny Cash top 50: nummer 9 What is Truth


What is Truth is de hit uit 1970. Geschreven door Cash zelf en in tegenstelling tot alle vorige nummers genoemd in de Johnny Cash top 50 niet verschenen op een elpee of CD. "Single Only" dus, volgens de discografieën.

vrijdag 22 maart 2013

Nee, natuurlijk zijn we bij Gerrit en de Krekels de panfluit niet vergeten...:

Nee, natuurlijk zijn we bij Gerrit en de Krekels de panfluit niet vergeten...:

Geen beeld ? Accepteer cookies op de video !

donderdag 21 maart 2013

Johann Sebastian Bach

Op 21 maart 1685  werd in Eisenach Johann Sebastian Bach geboren. Naast Mozart behoort Bach tot de meest gewaardeerde componisten ooit geleefd. Zijn uitgebreide oevre wordt niet alleen dagelijks op de klassieke muziekpodia ten gehore gebracht, maar inspireerde ook popmuzikanten.
Bezetting:
Peter de Leeuwe   drums Dick Remelink   saxofoon Cor Dekker   basgitaar Rein van den Broek   flugelhorn, trompet Rick van der Linden   arrangeur, dirigent, orgel, toetsinstrumenten


woensdag 20 maart 2013

In Alle Staten: Arizona

De 51 Amerikaanse staten hebben ieder zo hun eigen favoriete en succesvolle artiest.
In de komende 51 afleveringen komen alle staten aan bod met een kort overzicht van de artiesten die, behalve er geboren zijn, zich het meest met die staat identificeerden. Bekende voorbeelden: Arkansas-Johnny Cash, Californië-Brian wilson (Beach Boys), Georgia-Ray Charles en Texas-Buddy Holly.

Maar wie vertegenwoordigt Hawaii, Alaska, Florida of New York ?

In deze derde aflevering:
Arizona
USA
Vrouwelijk schoon vertegenwoordigen Arizona: Linda Ronstadt, Stevie Nicks, Michelle Branch.
Maar ja...toch is de bekendse artiest Charles Mingus (1922-1979).

Charles Mingus jr. was een Afro-Amerikaanse contrabassist, pianist, componist en orkestleider die met name in de late jaren vijftig en de vroege jaren zestig een van de toonaangevende figuren in de jazz was.
Kenmerkend voor het werk van Mingus is de combinatie van in de big band- en rhythm and blues-traditie gewortelde arrangementen met bebop-achtige improvisaties. Het album The Black Saint and the Sinner Lady (1963) wordt door velen als Mingus' meesterwerk beschouwd. Mingus Ah-um (1959) en Mingus Mingus Mingus Mingus Mingus (1963) zijn toegankelijke kennismakingen met zijn werk.
Charles Mingus stond bekend als een grillige, soms opvliegende persoonlijkheid die periodes van manische bedrijvigheid afwisselde met maandenlange lethargie. Hij wordt wel beschouwd als de aanstichter van de vooral onder rock 'n' roll-artiesten populair geworden gewoonte om op het podium muziekinstrumenten te vernielen.