zondag 24 december 2023

The Four Pennies

De video start met een aankondiging van de in 2011 overleden Jimmy Saville.
The Four Pennies was een Britse popgroep, opgericht in 1963 in Blackburn, Engeland. De groep had één nummer 1-hit in de Britse hitparade: Juliet, en drie kleinere hits. In 1967 viel de groep uit elkaar.
De leden van de groep waren:
  • Lionel Morton, gitaar en zang
  • Fritz Fryer (volledige naam David Roderick Carney Fryer), gitaar
  • Mike Wilsh, basgitaar, piano en zang
  • Alan Buck, drums
Fritz Fryer verliet eind 1965 de groep, maar keerde begin 1966 terug. In die korte tijd werd hij vervangen door David Graham.
Alan Buck en Fritz Fryer zijn inmiddels overleden, respectievelijk in 1994 en 2007.

dinsdag 31 oktober 2023

Them

Them is een Noord-Ierse band afkomstig uit Belfast, die zijn grootste succes kende tussen 1964 en 1966. Het belangrijkste lid van de groep was van 1963-1966 zanger Van Morrison.

De Britse zanger en songschrijver Van Morrison werd in augustus 1945 geboren in Belfast als George Ivan Morrison.

Als tiener speelde Van Morrison mondharmonica, gitaar en saxofoon in verschillende groepen. Op 16-jarige leeftijd verliet hij de middelbare school om zich bij de The Monarchs aan te sluiten. Met The Monarchs speelde Van Morrison ook op het vaste land van Europa.

Na terugkomst in Noord-Ierland richtte Van Morrison in 1963 Them op, met Billy Harrison (gitaar), Eric Wickson (orgel), Alan Henderson (bas) en Ronnie Millings (drums).

Hun eerste single werd uitgebracht in augustus 1964, met op de A-kant "Don't start crying now" en aan de achterkant "One two brown eyes". Het succes bleef uit. Onduidelijk is of op die eerste plaat ook inderdaad alle Themleden te beluisteren zijn. Van Morrison en Henderson lijkt dat zeker, maar in de opnamepraktijk werd veelal met studiomuzikanten gewerkt. Daarin was Them niet uniek. Bekend is het verhaal dat Ringo Starr tijdens de opnamen van de eerste Beatles-singel "Love me do" plaats moest maken voor een sessiedrummer. Zo zijn tijdens die eerste Them-opnamen waarschijnlijk gitarist Jimmy Page, organisten Arthur Greenslade en Peter Bardens en drummer Bobby Graham ingezet.

De tweede single "Baby, Please don't go" had aanvankelijk ook geen succes en Them vertrok teleurgesteld naar Belfast, om even snel naar Londen terug te komen, toen het nummer een hit bleek. Live kon Them de sound van de plaat in elk geval reproduceren, zoals uit de spaarzame overlevende opnamen blijkt. Het verhaal dat de meeste muzikanten binnen Them hun instrumenten onvoldoende beheersten, wordt daardoor ontkracht. Het succes van het nummer leidde tot de elpee "The Angry Young Them". Hierop is ook de uiteindelijk grootste hit van de band "Gloria" te horen. Deze single bereikte in december 1964 de tiende plaats op de hitparade.

Them kende veel personeelswisselingen. Na "Them again" verschenen nog een aantal albums, maar deze zijn niet zo goed.

maandag 30 oktober 2023

The Yardbirds

The Yardbirds was een Britse rockband uit de jaren zestig. De band is vooral bekend omdat drie van de beroemdste gitaristen, Eric Clapton, Jeff Beck en Jimmy Page, hun carrière bij the Yardbirds begonnen. De band had gedurende de jaren zestig vele hits, waaronder I’m a Man en For Your Love.

In 1962-63 begon de band in de buitenwijken van Londen onder de naam “the Metropolis Blues Quartet”. In 1963 was de naam veranderd in “the Yardbirds”. Ze kregen volop de aandacht van de Britse rhythm and blues-scene toen ze the Rolling Stones opvolgden als de officiële huisband van de Londense Crawdaddy Club.

In het begin bestond de line-up uit Keith Relf (vocalen en mondharmonica), Chris Dreja (ritmegitaar), Paul Samwell-Smith (basgitaar), Jim McCarty (drums) en Anthony “Top” Topham (leadgitaar). Top werd al gauw vervangen door de toen nog onbekende Eric Clapton.

Onder begeleiding van Crawdaddys impresario Giorgio Gomelsky, die de rol van manager en producer op zich nam, kregen ze in 1964 een contract bij het Columbia-label van EMI. De band was voor het eerst op plaat te horen als begeleidingsband van de blueslegende Sonny Boy Williamson, met wie ze door Europa tourde. In 1964 kwam het eerste album uit, Five Live Yardbirds, een live-album.

De band wilde ook de popmarkt veroveren en bracht enkele singles uit. De eerste singles waren oude blues-covers, maar ze kregen hun eerste grote succes met For Your Love, een nummer geschreven door Graham Gouldman (later 10CC). De single was voor de band het eerste grote succes in eigen land en de grote doorbraak in het buitenland. Alhoewel de single een vernieuwend stuk was en een groot succes, viel hij niet in de smaak bij Clapton, die in die tijd een pure bluesman was.

Hij verliet de band begin 1965 en vertrok naar John Mayall’s Bluesbreakers. Als vervanger raadde Clapton Jimmy Page aan, die het aanbod afsloeg en op zijn beurt Jeff Beck aanraadde.

donderdag 19 oktober 2023

The Kinks

Honor Blackman
Wanneer de groep in 1963 z’n platencontract gaat tekenen, komen ze tot de vaststelling dat ze nog niet echt een naam hebben. Ze kiezen voor The Raven, maar dat vindt hun platenmaatschappij niet trendy genoeg. Uiteindelijk wordt gekozen voor The Kinks, een naam die verwijst naar actrice Honor Blackman, destijds bekend vanwege haar excentrieke laarsjes (kinky boots). 

dinsdag 12 september 2023

JOHNNY CASH: A SINGER OF SONGS

Als één van de meest invloedrijke artiesten van de laatste halve eeuw liet de Amerikaanse countryheld Johhny Cash niet alleen een ontzagwekkend songimperium na, hij was vooral een artiest die genres oversteeg en generatie na generatie met elkaar verzoende. Desondanks schikte hij zich zijn hele loopbaan lang het best in de rol van underdog.

'They will fly me like an angel to a place where I can rest', het is slechts één van de handvol beklijvende epitafen die Johnny Cash kort voor zijn dood liet optekenen. Het is afkomstig uit het met dochter Rosanne gezongen 'September when it Comes' en is terug te vinden op de bijwijlen bloedstollende compilatiebox Unearthed (2003).
Cash kreunde al enkele jaren onder een erg instabiele gezondheid ten gevolge van het syndroom van Shy-Drager, een slopende Parkinsonvariant die de Amerikaan in de herfst van zijn leven vaker aan het ziekenhuisbed kluisterde dan hem lief was.
Uiteindelijk waren het de door diabetes veroorzaakte complicaties die Johnny Cash de das omdeden. De voorgaande jaren sukkelde hij ook al met een chronische longaandoening, die hem in '93 al bijna fataal werd.
Het is echter een publiek geheim dat de plotse dood van Cashs echtgenote June Carter in mei 2003 de laatste rechte lijn naar het oneindige aanzienlijk bekortte.
Terwijl het mythologiseren van vele van Cash's op jongere leeftijd gestorven muzikale collega's pas post mortem gecultiveerd werd, zat de Man in Black bij leven nooit om aandacht verlegen.
Zo draaide het mediacircus ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag nog op volle toeren. Geen enkele muzikant - genreverwant of niet - liet de kans onbenut om de ontzagwekkende carrière van de levende legende te loven of de hemel in te prijzen. Merle Haggard, George Jones, Kris Kristofferson, Paul McCartney, Keith Richards, Tom Waits, Leonard Cohen, Tom Petty, Elvis Costello, Steve Earle, U2, Metallica, Nick Cave en talloze anderen. Geef toe, het is een indrukwekkend rijtje!
Naast de mythe is er natuurlijk nog het muzikale testament van Johnny Cash, dat tot het einde der dagen gekoesterd zal worden als een onuitputtelijke inspiratiebron voor eenieder die zich van ver of dichtbij met muziek onledig houdt.
Cijfers zeggen lang niet alles, maar in het geval van Cash zijn ze ronduit verpletterend: méér dan vijftig miljoen verkochte platen (waarvan er in totaal zo'n tachtig op zijn naam staan), een catalogus van vijftienhonderd songs verspreid over dik vijfhonderd albums, elf Grammy's en talloze andere onderscheidingen.
Cash is samen met Elvis Presley trouwens de enige artiest die zowel voor rock als country werd opgenomen in de in de Sates vermaarde Music Hall of Fame. Het is immers zo klaar als een klontje dat de invloed van Cash zich niet beperkte tot de grenzen van de country.
Lang voor de Sex Pistols de eerste noot van Never Mind the Bollocks op papier zetten, liep er in Nashville immers al een rechtschapen punker rond die later ook nog eens de kiemen van de gangsta rap zou leggen.
Sun-label
Johnny Cash krijgt de muzikale microbe met de paplepel ingegeven door zijn moeder, die op haar beurt inspiratie zocht in een gospelboek, Heavenly Highway Hymns, waar ze vervolgens naar hartelust uit voordroeg. Cash zelf zou de gospelsongs ettelijke decennia later afstoffen op My Mother's Hymns Book (2003).

Aan de randen van de Mississippi maakt Johnny kennis met de troosteloze armoede en het harde labeur op de cottonfields Cashs genadeloze jeugdjaren zijn een uiterst vruchtbare voedingsbodem voor een bijzonder florissante songschrijverscarrière. Later zou de kniediep in integriteit badende outlaw dozijnen songs wijden aan de verpauperde levensstandaard van het kansloze zuiden.
Eenmaal Cash zijn legerdienst in Duitsland heeft vervuld, staat niets hem in de weg om zijn muzikale aspiraties waar te maken. Goed één jaar na Elvis Presley heeft ook hij immers een contract te pakken bij het vermaarde label Sun van Sam Phillips. Ook Cashs partners in crime Carl Perkins, Jerry Lee Lewis en Charlie Rich zijn gehuisvest bij Sun en met hen worden de hoekstenen gelegd voor wat begin jaren zestig uit de grond zou rijzen aan rock-'n-roll.
Cash - inmiddels in de echt verbonden met Vivian Leberto - zweert van meet af aan trouw bij het op dat moment vernieuwende boom-chicka-boom-ritme. Met zijn lage, asgrijze baritonstem en dan al cynische teksten spreekt hij tot de verbeelding van de Amerikaanse rootscultuur. Gitarist Luther Perkins en bassist Marshall Grant fungeren als Cash's onafscheidelijke en rotsvaste sidekicks.

'Hey Porter', de eerste single, klopt schuchter aan de poorten van het succes. Met hits als de moordballade 'Folsom Prison Blues' ('I shot a man in Reno just to watch him die'), 'Cry Cry Cry' en het vijftig jaar na datum nog steeds onvermurwbare 'I Walk the Line' verschaft Cash zich onder voorbehoud toegang tot de Galerij der Groten. Het nemen van die hoge vlucht staat voor de jonge countrygod echter pal tegenover de steeds troebeler wordende relatie met Sam Phillips.
In 1957 maakt Cash van zwart z'n definitieve handelsmerk door in de gerenommeerde Grand Ole Opry in Nashville volledig in die kleur op te treden. 'The Man in Black' is geboren, dit in schril contrast tot de andere, in allerlei opzichtige kleuren gehulde countryzangers. Johnny Cash and His Hot and Blue Guitar is de allereerste solo-lp die Sun op de markt brengt, maar daarna gaan de wegen van Cash en Sun onherroepelijk uit elkaar.
Het is immers lang geen geheim meer dat Cash zich wil toespitsen op een gospelplaat en Phillips de lokroep van z'n leerling halsstarrig bleef negeren. Hoewel er later nog ettelijke Sun-lp's van Cash in roulatie komen, is het vooral Columbia dat in het begin van de jaren zestig kan pochen met een artiest die de rockabillyhitsingles in ijltempo aan elkaar rijgt.

Terwijl Cash inmiddels wel de respectievelijke carrières van Jerry Lee Lewis en Roy Orbison op de rails zette (later bezorgde hij ook al Bob Dylan z'n eerste majordeal), begint z'n onberispelijke status als gevolg van het moordende tourschema de eerste barsten te vertonen.
Wilde geruchten over excessief drugsgebruik en een stormachtig huwelijk steken de kop op en ook met de platenverkoop gaat het bergaf. Net in die turbulente periode scoort Cash echter wel zijn allergrootste hit ooit, 'Ring of Fire', geschreven door Merle Kilgore én June Carter, lid van de beroemde Carter Family, een onmisbare schakel in de diepgewortelde codex van de traditionele Amerikaanse muziek.
Naargelang de jaren zestig vorderen gaat het met de geestelijke toestand van Cash - die intussen weer van New York naar Nashville is verhuisd en in Waylon Jennings de gedroomde nachtbraker vindt - van kwaad naar erger.
Dieptepunt uit zijn carrière wordt zijn verwijdering uit de Grand Ole Opry, waarvan hij prompt de lichtinstallatie aan diggelen trapt. Cash is nu helemaal losgeslagen: hij overleeft ternauwernood een auto-ongeval. In 1965 wordt hij in El Paso gepakt wegens speedbezit en tot overmaat van ramp loopt zijn huwelijk met Leberto, met wie hij vier kinderen heeft - op de klippen.
In de jaren tachtig is Cash opnieuw op ontwennen aangewezen, al verzinkt die verslaving in het niets met de decadente esbattementen uit de jaren zestig. Dat Cash finaal niet in de voetsporen treedt van de al even roekeloos levende en tragisch gestorven Hank Williams, heeft hij te danken aan June Carter, nota bene de meter van Williams' zoon, met wie hij in 1967 in het huwelijksbootje stapt en de monsterhit 'Jackson' scoort.
Carter bekeert haar echtgenoot prompt tot het Christendom en paradoxaal genoeg doet de hand van God wonderen in de spirituele rehabilitatie van Cash.

Cashs jarenlang engagement voor de aan lager wal geraakte drop-outs komt pas écht in de schijnwerpers te staan als hij hen effectief gaat opzoeken en entertainen in de gevangenissen van Folsom Prison en San Quentin. At Folsom Prison (1968) wordt samen met het één jaar later ingeblikte At San Quentin immers één van de meest beklijvende en markante liveregistraties uit de muziekgeschiedenis.
Beide gevangenisplaten verkopen meer dan een kwart miljoen exemplaren en hiermee steekt Cash zelfs de op dat moment ongenaakbaar gewaande Beatles naar de kroon. Optreden in de zwaarst bewaakte gevangenis van Californië (Folsom Prison) is allesbehalve een sinecure, maar Cash acteert die avond met zoveel flegma - niet gespeend van de hem zo typerende gitzwarte humor - dat de tweeduizend inmates hem prompt als één van hen beschouwen.
Toepasselijke songs als 'The Wall' ('There's a lot of strange men in cell block ten / But the strangest of them all / Was a friend of mine who spent his time staring at the wall'), 'I Got Stripes' ('I Got Stripes / Stripes Around My Shoulders / I Got Chains / Chains Around My Feet') en het venijnige 'Cocaine Blues' laten niets aan de verbeelding over en bezorgen Cash de gratie waar de bajesklanten levenslang vruchteloos naar hengelen.
De San-Quentinpassage levert vervolgens het hilarische 'A Boy Named Sue' en het op luid gejuich onthaalde titelnummer ('San Quentin, I hate every inch of you ./ May you rot and burn in hell') op. Decennia later zou wijlen Boudewijn Buch beide gevangenissen bezoeken voor zijn programma De Wereld Van.
God's touch
De Bijbel is intussen Cashs eeuwige steun en toeverlaat geworden ('I wear the black for the poor and beaten down, living in the hopeless hungry side of town / I wear the black for those who never read or listened to the words that Jesus said').
Toch staan gospelplaten als The Holy Land (1968), Man in Black (1971) en Believe in Him (1987) nu niet meteen bekend als 's mans artistieke hoogtepunten, zoals Infidels, Slow Train Coming en Saved dat evenmin zijn voor dat andere icoon, Bob Dylan.
Met Dylan is Cash tevens te horen op 'Girl from the North Country', het openingsnummer van Nashville Skyline uit 1971. Hét hoogtepunt van Cashs geloofsbelijdenis wordt echter het door hemzelf geproduceerde en gefinancierde filmproject Gospel Road (1973). In de prent - handelend over het leven van Jezus Christus - zien we Cash symbolisch op een Israëlische bergtop terwijl hij er zijn liefde voor God declameert.

Begin jaren zeventig maakt Cash op ABC tevens furore met de legendarische Johnny Cash Show. Als talkshow host ontvangt hij ('Hello, I'm Johnny Cash! ') de Groten der Aarde, met wie hij vanzelfsprekend ook duetten aangaat: Bob Dylan, Louis Armstrong, Ray Charles, Neil Young, Roy Orbison, Kenny Rogers, Merle Haggard, Linda Ronstadt, Joni Mitchell en vele anderen.
Na afloop mag de veelzijdige countryster zelfs op audiëntie bij president Richard Nixon. Cash steekt z'n patriottistische gevoelens overigens nooit onder stoelen of banken, al laat hij de écht conservatieve idealen liever over aan zijn collega's.
Vervolgens duurt het tot het in 1979 uitgebrachte Silver vooraleer Cash nog eens muzikale gensters slaat. Halverwege de jaren tachtig boekt Cash aan de zijde van collega-outlaws als Willie Nelson, Waylon Jennings en Kris Kristofferson commercieel succes als The Highwaymen.
In Europa blijven de drie platen van dit superkwartet echter zo goed als onbekend. Met legende Willie Nelson zou Cash eind jaren negentig wel nog schitteren op het live-album VH1 Storytellers.

Muzikaal gezien worden de jaren tachtig weinig opzienbarend voor Cash en niets lijkt erop te wijzen dat de glorie weer zal opdoemen. Tot U2 Cash in 1993 een helpende hand reikt en hem een gastbijdrage op Zooropa ('The Wanderer') offreert.
Uiteindelijk is het echter de gelauwerde producer Rick Rubin die zich als ultieme reddingsboei opwerpt. Samen sluiten ze een lucratieve deal voor een reeks (vier in totaal) American Recordings, waarvoor Cash glorieus in de huid kruipt van artiesten als The Beatles ('In My Life'), U2 ('One'), Tom Petty ('I Won't Back Down'), Depeche Mode ('Personal Jesus'), Nick Cave ('The Mercy Seat'), Soundgarden ('Rusty Cage') en Bonnie 'Prince' Billie (het beklemmende 'I See a Darkness').
Cash bewijst nogmaals dat hij een meester is in het interpreteren en vertolken van andermans songs, ditmaal in een erg minimalistisch en sober jasje. Ook eigen klassiekers worden nieuw leven ingeblazen - arrangementen beperken zich slechts tot gitaar en piano, maar het gloriemoment van een decennium American Recordings is ontegensprekelijk het griezelig mooie 'Hurt' van Nine Inch Nails.
Dan hebben we nog met geen woord gerept over de bijhorende, tranentrekkende videoclip (Mark Romanek), die een aandoenlijk zieke Cash ('Everyone I know goes away in the end') een Grammy opleverde en ook de adem van ondergetekende ei zo na deed stokken. Bij alternatieve muziekadepten krijgt Cash voortaan een prominente plek in de platenkast, bij de C van Cave en Cohen, net zoals hij de voorgaande decennia ook de harten van miljoenen anderen veroverde.

Het laatste wapenfeit van Johnny Cash wordt de peperdure, vijfdelige compilatiebox Unearthed, goed vier jaar na het ook al indrukwekkende en vrij overzichtelijk verzameldrieluik Love, God, Murder, recentelijk aangevuld met Life.
Rubin wilde deze oorspronkelijk in de pijplijn houden tegen 2004, maar Cash besliste daar drastisch anders over door op 12 september 2003 rond de tafel te gaan zitten met Magere Hein. Het moge Hem goed gaan op zijn laatste pelgrimstocht!
'I'm not a great man, I don't claim to be / But when I meet my maker and he questions me / I won't hang my head, I will stand proud and strong / And say: I was a singer of songs'.

woensdag 30 augustus 2023

Hans van Deventer

Door liefhebbers van het kleinkunstgenre wordt Hans van Deventer als een van de groten van het genre in de jaren zestig gezien. Toch zal zijn naam bij veel mensen tot opgetrokken wenkbrauwen leiden; nooit van die man gehoord. Door een combinatie van factoren, zowel persoonlijke als externe, wist van Deventer zijn talent slechts in geringe mate over het voetlicht te brengen. Verbitterd en teleurgesteld trok hij zich terug, om zich van de muziekwereld af te keren. Hoe is het allemaal zo ver gekomen?

Hans van Deventer is in 1934 in Helmond geboren. Zijn vader werkte bij de spoorwegen, en het gezin moest daardoor vaak verhuizen. Hij woonde het langst in Den Haag, Rotterdam en Delft. Al op jonge leeftijd had Hans interesse in muziek, en bespeelde hij diverse instrumenten. Van zijn 16e tot zijn 25e jaar speelde hij schuiftrombone in de Rotterdamse Green River Jazz Band en de Gateway City Jazz Band. Toch werd de gitaar zijn belangrijke instrument. In 1959 hielp een tandarts hem van een klein spraakgebrek af, maar hij raadde Hans aan om de trombone in het vervolg met rust te laten. Hans van Deventer ging toen in Rotterdam klassiek gitaar studeren bij Koos Suyker.

Inmiddels had hij, als groot bewonderaar van Georges Brassens, behoorlijk wat liedjes geschreven. Toen hij het eerste plaatje van Jaap Fischer hoorde, vroeg hij een auditie aan bij diens platenlabel, de Studenten Grammofoonplaten Industrie. In oktober 1961 ging Hans van Deventer met zijn loodzware bandrecorder naar een studentenflat aan de Klikspaanweg te Leiden. Hij liet zijn werk horen aan de directeur en oprichter van de SGI, Luc Wijdeveld. Die was meteen enorm enthousiast en maakte ogenblikkelijk een afspraak voor een proefopname in de studio van Bovema in Heemstede. Die maand nog nam Hans van Deventer in totaal zes nummers op voor een ep en een single. Op de ep verschenen vier nummers: Spes patriae, Het feest, het retourtje en Het gebed. Dit laatstgenoemde lied schreef Hans toen zijn vriendinnetje naar Canada emigreerde en korte tijd later daar trouwde. Begin januari 1962 kwam de ep uit, maar men vergat om Van Deventer er één te bezorgen. Van Luc Wijdeveld mocht hij toen diens exemplaar een weekend lenen.

Drie maanden later kwam Hans stomtoevallig zijn tweede plaatje, de single Bombazijn (het eerste liedje dat hij schreef) tegen in de Rotterdamse Bijenkorf. Ook die was men vergeten om hem toe te sturen. De twee plaatjes verkochten redelijk, waardoor Hans van Deventer een jaar later weer zes liedjes mocht opnemen. De ep Delirium tremens en de single Dromenland, die hiervan het gevolg waren, verkochten echter erg slecht. Bovema besloot hem nog één kans te geven. De ep die vervolgens in 1964 verscheen bevatte sterke nummers: Petruschka, Stamboom, Als je wou en een heropname van Bombazijn, omdat van Deventer niet tevreden was over de eerdere versie. De reacties op deze plaat waren bijna allemaal positief. Het leek er nu toch echt op dat voor Hans van Deventer de goede tijden waren aangebroken. De Nederlandse radio en televisie lieten het echter volledig afweten. De ep met vijf ‘hansons’ die een jaar later weer verscheen, was opnieuw van een uitstekend gehalte. Vooral onze zuiderburen toonden grote belangstelling voor Hans van Deventer. De Belgen moesten zijn platen echter in Nederland gaan kopen, want de importeur was niet geïnteresseerd.

In die dagen was Hans vaak lang bezig met het beantwoorden van brieven van fans. Optreden deed hij zelden: hij kreeg door een gebrek aan zelfvertrouwen steeds meer last van plankenkoorts. Mede daardoor had hij slechts een klein publiek. Teleurgesteld en ontmoedigd besloot hij zijn muzikaal testament te maken. In 1967 verscheen de lp Jeugdgodinnen, een bloemlezing van zijn beste liedjes. Alles op deze langspeler werd door Hans van Deventer zelf verzorgd: de teksten, de muziek, en de arrangementen. Het dubbel opnemen in de geluidsstudio maakte het voor hem mogelijk zowel de gitaarbegeleiding als de solo’s in te spelen. Bevriende amateurmusici, zoals Suzan van den Hoek (hobo en Engelse hoorn) en Kees Nederveen (spijkerpiano, klarinet en piccolo), vulden hem aan. De plaat verkocht vrij goed, maar na drie maanden was hij uit alle winkels verdwenen, en een herpersing is nooit verschenen.

KoR van der Goten, op dat moment – 1968 – de belangrijkste chansonnier van België (maar ondertussen zelf al lang in de vergetelheid geraakt), was behoorlijk aangedaan door het feit dat Hans van Deventer een punt zette achter zijn muzikale carrière. Van der Goten noemde hem de onbetwiste grootmeester van het chanson, wiens grammofoonplaten hij geen week zou kunnen missen. “Ik begrijp hem… bijna”, zei KoR, “en om dat ‘bijna’ zal ik verder doen”.

Hans van Deventer ging Nederlands studeren en les geven aan het Hugo Grotius te Delft. Zijn teleurstelling trachtte hij te verdrijven met drank. Rond 1980 scheidde hij van zijn vrouw Lijnie en trok zich steeds verder terug uit het sociale leven, en werd meer en meer een soort kluizenaar. Zijn zoon Fulco is ook actief in de muziek: hij zingt en speelt gitaar, tres en tiple in Septeto Trio Los Dos, van wie in 2007 de cd Somos Hermanos verscheen. Bij de cd-presentatie was Hans aanwezig. Fulco heeft de gitaar waar zijn vader zijn liederen op componeerde van hem gekregen. Als hij thuis speelt, dan is dat altijd op die gitaar.

zondag 20 augustus 2023

Jim Reeves

James Travis Reeves is geboren in de plaats Galloway in Texas op 20 augustus 1923, als jongste in een gezin met 9 kinderen, helaas overleed zijn vader toen hij 1 jaar was.
Hij had al op jonge leeftijd een grote liefde voor muziek, maar begon hij een carrière als honkballer die in 1947 vroegtijdig eindigde door een blessure aan zijn enkel.
Kort daarna trouwde hij met Mary White, zij was een lerares en hij werd discjockey bij een country muziek radiostation, KGRI in Henderson, Texas.
In 1952 ging Jim werken voor radiostation KWKH in Sheveport, Louisiana, waar hij was aangenomen om de gastheer te zijn in de Louisiana Hayride Show.
Met zijn voeten stevig gegrondvest in de country muziek, duurde het nog maar kort voordat zijn loopbaan begon te groeien.
In 1953 nam hij zijn eerste succesplaat, Mexican Joe, op die een nummer één notering kreeg.
In 1955 tekende hij een contract met RCA en werd lid van de Grand Ole Opry.
Tegen het einde van de jaren 50 kwam de Rock-’n-Roll op en verschoof Reeves onder invloed van Chet Atkins zijn stijl van de pure country wat in die richting.
Jim Reeves was met Patsy Cline één van de eersten die de Nashville-sound brachten en ook was hij een van de eersten die met ‘close talking’ microfoontechniek werkte, iets wat zijn stem extra goed deed uitkomen.
zijn alias was “Gentleman Jim” en hij werd de Amerikaanse countryzanger die bekend werd door zijn warme fluwelen stem.
Hierover had hij met de opnametechnicus van RCA een zo hooglopende ruzie dat hij tussen 1962 en begin 1964 geen opnames meer maakte.
Jim Reeves werd de meest populaire zanger in zuid Afrika, populairder dan bijvoorbeeld Elvis Presley of Cliff Richard.
In 1962 stonden er zelfs 13 platen tegelijk in de top 20 van Zuid-Afrika, dat hadden Elvis Presley en Cliff Richard nog niet gepresteerd.
Toen in 1960 Jim Reeves met zijn wereldhit “He’ll have to go” in vele landen in de wereld doorbrak, kwam hij meteen hoog op de Zuid-Afrikaanse hitparade terecht en van het nummer werden dan ook maar liefst wereldwijd 3.000.000 exemplaren verkocht.
In 1961 kwamen zijn platen zoals “Losing your love”, “You’re the only good thing”, “In a mansion stands my love”, “Little Ole You” hoog op de Zuid-Afrikaanse hitlijsten terecht.
Ook bracht hij de volgende succesvolle hits in Zuid-Afrika zoals “Partners“, “Danny Boy“en “I’m gonna change everything”.
Dit nummer, “I’m gonna change everything”, is de stoffige plaat van de week bij radio de BOM, in dit nummer zingt Jim Reeves over dat hij alles gaat veranderen om de herinneringen aan zijn liefje uit te wissen.
Hij haalt de foto’s van de muur, steekt de gordijnen in de brand en gooit zijn verjaardagscadeaus weg, niets maag meer aan haar herinneren, de party is over.
Het einde van Jim Reeves kwam heel onverwachts, zijn vliegtuig kwam op weg naar huis in Nashville op 31 juli 1964 in een zware storm terecht.
Beide inzittenden, Reeves als piloot en een vriend, Dean Manuel, kwamen om het leven.

maandag 31 juli 2023

The Eagles

De groep Thr Eagles ontstond in het begin van de jaren zeventig in Los Angeles, eerst als begeleidingsband van Linda Ronstadt, maar al snel sloegen ze hun eigen vleugels uit. Hun vroegste muziek was een mengeling van country en bluegrass, vermengd met de harmonieën van de Californische surfmuziek. Hierdoor ontstonden gevoelige nummers over relaties, auto's en een zwervend leven. De pioniers van dit nieuwe genre waren begenadigde singer-songwriters als Jackson Browne, J.D. Souther en Warren Zevon en bands als Buffalo Springfield en Poco. Uit de subcultuur in en om Sunset Boulevard en The Valley in Los Angeles die rond deze componisten ontstond, distilleerden de Eagles een eigen geluid dat synoniem werd met de term Californische countryrock. Op latere albums van de groep werd de bluegrassmuziek meer en meer afgezworen en ging men over naar een meer recht-toe-recht-aan rock-geluid.

Geen van de vier oprichters was geboren in Californië. Gitarist/toetsenist Glenn Frey ontvluchtte de koude winters en de beklemmende muziekscene van zijn geboortestad Detroit en introduceerde een Rhythm-and-blues-geluid. Drummer Don Henley was bijna afgestudeerd in Engelse literatuur.

Gitarist/mandolinist/banjospeler Bernie Leadon had een passie voor country en bluegrass die een sterke invloed had op het vroege geluid van de band. Bassist Randy Meisner was een liefhebber van auto's en fietsen en verkeerde eigenlijk liever bij zijn familie dan dat hij zijn tijd besteedde aan het bespelen van een basgitaar in een rockband.

De band werd geformeerd in 1971 toen John Boylan - toen manager van Linda Ronstadt - Frey, Leadon, and Meisner losweekte van hun bezigheden. Ze misten nog een drummer totdat Frey Henley belde die hij had ontmoet in The Troubadour in Los Angeles. Twee maanden lang vormde Eagles de band achter Ronstadt, maar na afloop van deze tournee besloten de mannen een eigen groep te vormen.

Er volgden nog wat personeelswisselingen : Bernie Leadon zorgde ervoor dat Don Felder bij de groep kwam vanaf "On the Border". Daarna stapte hij op. Randy Meisner werd vervangen door Tim Schmidt van Poco, en Joe Walsh kwam erbij vanaf "Hotel California".

The Eagles hebben in ieder geval héééél goed geluisterd naar Jethro Tull en "We used to know" uit hun fantastische "Stand Up" album. De melodie én de akkoorden progressie zijn praktisch identiek  met "Hotel Californie". Zo erg zelfs dat Ian Anderson er publiek voor uit kwam dat hij hier ergens wel wat royalties voor verdiende van de heren Felder, Frey & Henley.

donderdag 13 juli 2023

Bob Dylan

Bob Dylan brengt op 13 juli 1973 het album Pat Garrett & Billy The Kid uit. Het is de soundtrack van de gelijknamige film waarin Bob Dylan de rol van Alias speelt. Kris Kristofferson is te zien als Billy The Kid. James Coburn is Pat Garrett en Rita Coolidge speelt Maria. De regie is in handen van Sam Peckinpah. Knockin’ On Heaven’s Door, afkomstig van dit album, wordt op 8 augustus 1973 uitgebracht. Knockin’ On Heaven’s Door heeft Bob Dylan in februari 1973 opgenomen in Nashville. Hij wordt begeleid door Terry Paul, Roger McGuinn van The Byrds, Jim Keltner en Carl Fortina. Knockin’ On Heaven’s Door wordt door de meest uiteenlopende artiesten opgenomen. Er zijn uitvoeringen van Eric Clapton, Booker T. Jones, Nina Hagen, Jerry Garcia, Randy Crawford, Danny & Dusty, The Sisters Of Mercy, Herman Brood, The Jody Singers en Guns ’N Roses.