dinsdag 2 december 2014

De tin whistle



De tin whistle (letterlijk 'fluit van blik'. Iers: feadóg stáin) of penny whistle ('fluitje van een cent')(soms abusievelijk: flageolet) is het instrument dat in de Ierse traditionele muziek waarschijnlijk het meest gespeeld wordt. De voordelen liggen voor de hand, ze zijn goedkoop, gemakkelijk te hanteren en mee te nemen. Vanwege deze voordelen, wordt er wel eens minderwaardig over dit instrument gesproken als zijnde een speelgoedinstrumentje. Doch als er serieus ermee wordt omgegaan, blijkt het een volwaardig instrument te zijn, waarmee veel musici hun spel ingenieus en virtuoos kunnen botvieren. De tin whistle is van het type bekfluit ('bek', vanwege het snavelvormig mondstuk), waaronder ook de blokfluitenfamilie behoort. Het is niet uitgesloten dat voordat de ontwikkeling van de tin-whistle plaatsvond, de blokfluit een rol in Ierse stedelijke middenklasse speelde. Er is een tenorblokfluit bekend van het merk 'Neale', dat in verband wordt gebracht met de 18e eeuwse muzikale aspiraties van John Neal in Dublin. De uitvinding van de tin whistle wordt geclaimed door de firma Clarke en zou in 1843 zijn gedaan door Robert Clarke in het Engelse dorp Coney Weston. Nadat hij van een nieuw soort materiaal, 'tinplate' (= blik) had gehoord, paste hij het toe om dit instrument maken. Nadat het in productie werd genomen werden ze over de gehele wereld geëxporteerd, met name naar Ierland. Ierse arbeiders die in Engeland aan de spoorwegen en kanalen werkten waren daarbij belangrijke afnemers.

Het naam flageolet voor de tin whistle zorgt nogal voor verwarring. Het is niet duidelijk waarom deze als zodanig wordt aangeduid, een mogelijkheid is vanwege de hoge tonen die ermee kunnen worden geproduceerd.
In de 13e eeuw is reeds een instrument met de naam flajolet of flajol genoemd, waarmee een rietfluit werd bedoeld, maar de 'echte' flageolet was pas aan het einde van de 16e eeuw uitgevonden door Le Sieur Juvigny (Munrow, 1976).
Het instrument was van de 17e tot de 19e eeuw populair in Frankrijk en Engeland. Het had naast vier tot zes vingergaten, ook twee gaten voor de duim. Flageoletten uit de 17e eeuw waren bovendien uitgerust met een mondstukkamertje, die was voorzien van een spons om het mondvocht van de speler op te vangen. In de 18e eeuw werd het snavelmondstuk vervangen door een tuit van been of ivoor. Tot de 19e eeuw bleek het instrument vooral populair bij amateurs, met name in bands of orkesten om doorgaans de hoogste partij te spelen. Vanaf 1804 werd een nieuw type instrument ontwikkeld van Engelse makelij door William Bainbridge, die onder naam 'flageolet or English Flute'. Deze werd ca. 1807 onder het merk 'Bainbridge and Wood' op de markt werd gebracht. Het speciale mondstuk en de vorm bleef naar Frans voorbeeld behouden, alsmede in veel gevallen het sponskamertje. Er waren zes vingergaten aangebracht, die zoals bij de D-tin whistle de D-toonladder gaven, inclusief een extra duimgat, zoals bij de blokfluit. Sommigen hadden nog met een zevende vingergat door het bereik met C♯ in het lage gebied uit te breiden. Nadat deze z.g.n. 'single'-flageolet was ontwikkeld, werden door Bainbridge ook nog de 'double'- en 'triple'-flageoletten op de markt gebracht, die voorzien waren van resp. twee en drie fluitlichamen.