Vanaf de jaren vijftig werd flamenco meer en meer een gerespecteerde kunstvorm. Een meer recente beroemdheid was zanger Camarón de la Isla (1950-1992). Zijn bijnaam (‘garnaal van het eiland') dankte de zanger aan zijn magere en bleke uiterlijk. Camarón groeide uit tot de vertolker van de ‘cante jondo’ oftewel het ‘diepe lied’. In deze liederen keert de zanger zijn ziel binnenste buiten met intense zang vol met vocale ornamenten.
Zoals Camarón de standaard zette voor de zangers na hem, zo was Paco de Lucía de belangrijkste gitarist van zijn generatie. Net als Camarón was De Lucía ook een Calo-zigeuner. Samen dirigeerden ze de flamenco in nieuwe richtingen, onder meer door samen te werken met jazzmusici als Al DiMeola en John McLaughlin.


