donderdag 19 december 2024

Anneke en Peter

In de finale van het jaarlijkse Cabaret Der Onbekenden, op 19 december 1959 in Carlton in Eindhoven staan ondermeer Anneke Grönloh en de 18-jarige Peter Koelewijn met zijn groep The Rockets. 

Anneke Grönloh, een zeventienjarige zingende secretaresse van de DAF-Fabrieken in Eindhoven, zingt Ma, He's Making Eyes At Me, waarmee zij het Cabaret Der Onbekenden wint. Peter & Zijn Rockets eindigen op de tweede plaats. Zowel Anneke Grönloh als Peter & Zijn Rockets krijgen een platencontract. 

In 1960 verschijnt Asmara, de eerste single van Anneke Grönloh. Voor dit Indonesische liedje is in Nederland weinig belangstelling, maar in Singapore staat het nummer drie maanden bovenaan in de hitparade. 

Peter & Zijn Rockets nemen eind december 1959 in de Bovema Studio van het Gramophone House in Heemstede hun eerste single Kom Van Dat Dak Af op. Dit wordt de eerste Nederlandse Rock'n'Roll-hit.

donderdag 5 december 2024

Françoise Hardy

Het is jammer dat wanneer je de naam Françoise Hardy uitspreekt haast iedereen meteen Tous les garçons et les filles begint te zingen, niet wetende dat die mevrouw honderden liedjes op plaat heeft gezet waarvan er een rist méér dan de moeite waard van het onthouden en behouden zijn.

Wanneer ik door Parijs wandel, dan hou ik in mijn achterhoofd dat Françoise Hardy daar in het 9de arrondissement werd geboren. Je moet er zeker al eens gepasseerd zijn, want hier ligt ondermeer Boulevard Haussmann, de Parijse Opéra, het Palais Garnier en Galérie Lafayette. Françoise, die hier de 17de januari 1944 werd geboren, bewaart geen goede herinneringen aan haar jeugd. Haar vader liet haar samen met haar zus Michèle vrij snel alleen achter bij hun moeder. Pa kwam financieel maar mondjesmaat over de brug, een zware last voor zijn ex om de touwtjes aan mekaar te knopen. Nochtans had vader wel wat centen, want hij bezat een tijd lang een kantoorboekhandel in de rue Saint-Lazare. Tijdens de middag togen zij en haar zus daar regelmatig naar toe.  Maar de man was hertrouwd en koos de kant van zijn kersverse echtgenote. Françoises grootouders langs moederszijde die in Aulany- sous-Bois woonden, waren ook al geen grote steun voor Françoise. Haar grootmoeder had wel altijd iets aan te merken. Françoise kroop al in elkaar als ze nog maar wist dat grandmère langskwam. Omdat mama Hardy de handen vol had, vond ze het beter dat Françoise naar het internaat zou gaan in de rue La Bruyère op nummer 42 in handen van de zusters van de Drie-eenheid waar de schuchtere Françoise nog meer in zichzelf zou gekeerd gaan leven. François liep gebukt onder de situatie bij haar thuis, het feit dat haar vader het kostschoolgeld met maanden vertraging betaalde en dat ze minder mooi gekleed was dan haar medeleerlingen. Ze compenseerde dat gebrek aan zelfvertrouwen door hard te studeren en op te vallen als een plichtsbewuste leerling. Ze zag er slank en rank uit zodat ze, al wou ze het niet, een opvallende figuur werd. Waar en wanneer het maar kon, luisterde ze naar de radio, naar de nieuwste Franse chansons van ondermeer Charles Trenet en naar de nieuwste rage ‘de rock’n'roll’. Tijdens de vakanties werd ze regelmatig naar Duitsland gestuurd om daar de taal te bemachtigen. Dat op advies van een zekere monsieur Gilbert, een vriend van haar moeder, die vond dat de kinderen die moelijke taal onder de knie moesten krijgen. Zo logeerden ze meermaals bij de Oostenrijkse mevrouw Hedwig Welser, alias tante Hedi. Vanuit La Gare de l’Est reisden ze met de Oriënt-Express naar Insbruck. Hier vulde Françoise haar vrije uren met zingen en liedjes schrijven. In 1961 beëindigt ze haar middelbare studies en wanneer ze haar baccalaureaat behaalt, waardoor ze haar hogere studies kan aanvatten, krijgt ze van haar vader een gitaar cadeau. Via een snelcursus leert ze enkele basisakkoorden en kan zodoende zich al snel  op de gitaar begeleiden. Ze gaat dikwijls naar een platenwinkel in de rue de la Chaussée-d’Antin waar ze naar de nieuwste import singletjes luistert. Af en toe koopt ze er een met het geld dat ze verdient door Duitse bijles te geven aan een buurjongen van veertien. Françoise dweept op dat moment in haar jeugd met Eddie Cochran, Neil Sedaka, Brenda Lee, Cliff Richard en The Everly Brothers. Ze wil beter leren zingen en schrijft zich in aan het Petit Conservatoire de Mireille gelegen aan de avenue du Recteur-Poincaré, eigendom van de nationale radio. Les werd daar gegeven door de zangeres Mireille.  Maar mama Hardy wil dat Françoise ook voortstudeert. Ze schrijft zich in aan de Sorbonne in Parijs om daar de richting politieke wetenschappen te volgen. Ze heeft voldoende tijd over om liedjes te schrijven. Het liefst van al trekt ze zich thuis terug in de keuken waar haar stem tegen de tegels weergalmt en dat vindt ze heerlijk. Al snel blijkt haar studiekeuze de verkeerde. Ze gaat dan maar literatuur studeren.

Op zekere dag leest ze in Les Potins de la commère, een rubriek in France-Soir, een annonce waarin platenfirma Pathé Marconi  aankondigt dat ze op zoek zijn naar nieuw en jong zangtalent. Françoise schrijft zich meteen in, laat een behoorlijke indruk na, maar hoort verder niets meer van die auditie. Ze trekt dan maar haar stoute schoenen aan en klopt aan bij firma Vogue die ondermeer Johnny Halliday onder contract heeft. Françoise is niet meteen wat ze zoeken, want ze willen eigenlijk een vrouwelijk evenknie van Halliday, maar haar stem blijft hangen én haar liedjes. Op kosten van Vogue gaat ze notenleer volgen en in het late najaar van 1961, de 14de november om precies te zijn, tekent ze haar eerste contract. Ze is nog maar zeventien. De 6de februari 1962 duikt Françoise op in het bekende tv-programma En attendant leur carrosse van de ORTF. Twee maanden later mag ze haar eerste plaatje opnemen. Je weet dat in Frankrijk in die tijd vier in plaats van twee liedjes op een single stonden, de zogeheten eepees (extended play). Een van die eerste chansons is Oh oh Chéri en het door haar zelf geschreven Tous les garçons et les filles. Dat liedje komt deejay Daniël Filipacchi ter ore die het meteen oppikt in zijn bekende uitzending Salut les Copains, een trendsettend programma bij Europe Numéro Un, in die jaren zestig ook druk beluisterd in Vlaanderen. Tous les garçons et les filles klimt meteen naar de eerste plaats in de Franse hitlijsten en zo mag ze aansluiten bij de eerste lichting yé – yé – zangers waaronder Richard Anthony, Johnny Halliday en Sheila. Na drie maanden zijn er van de single vijfhonderd duizend exemplaren verkocht. Dat levert haar in Paris Match de cover op én de titel ‘Nouvelle Idole de la Chanson’. In Nederland bereikt eerst het nummer L’amour s’en va de top veertig, maar geraakt niet hoger dan de twintigste plaats. Met Tous les garçons et les filles bereikt Hardy bij onze noorderburen de derde plaats. Bij ons zit er slechts een elfde plaats in de hitlijsten in. Maar het is niet gemakkelijk voor Françoise, die nogal schuchter van aard is, zich in dat popmilieu te bewegen. Gelukkig voor haar ontmoet ze tijdens een fotoshoot voor het blad Salut les Copains fotograaf Jean-Marie Périer die zo’n beetje haar mentor wordt. Hij meet haar een nieuwe look aan en het is gelijk bingo. Ze worden mekaars liefje. Blijkt iets later dat Françoise ook bekoorlijk en behoorlijk kan acteren. Ze krijgt een rol in Château en Suède van regisseur Roger Vadim, die iets voordien Brigitte Bardot had gelanceerd.

Een gok of niet, de 23ste maart 1963 gaat Françoise in Londen de kleuren van Monaco verdedigen tijdens het 8ste Eurovisiesongfestival dat wordt gewonnen door Denemarken en het duo Grethe en Jorgen Ingmann met Dansevise. Françoise eindigt ex aequo met Alain Barrière op de vijfde plaats. Ze zingt die avond L’amour s’en va. Ze sluit dat jaar af met een optreden in de Parijse Olympia in het voorprogramma van Richard Anthony. Voor haar eerste elpee, een soort hitcompilatie, ontvangt ze de Prix de l’Académie Charles-Cros, een erg gewaardeerde onderscheiding in Frankrijk én de Trophée de la télévision française. In 1964 duikt ze tweemaal op in de Franse hitlijsten en dat met J’aurais vouloir en Jaloux. Hardy wordt zo’n beetje het uithangbord van een aantal belangrijke jonge Franse couturiers die maar al te graag zien dat ze hun ontwerpen draagt: Paco Rabanne, Yves Saint- Laurent en André Courrèges. Die laatste ontwerpt haar outfit voor haar tournee die ze in 1965 aansnijdt aan de zijde van Hugues Aufray. Ze scoort dat jaar drie maal in de Franse hitparades: Mon amie la rose, Son amour s’est endormi en L’amitié. Je houdt het misschien voor onmogelijk, maar ook in Engeland scoort La Hardy zij het met vertalingen van haar Franse successen: However much ( Et même) en All Over The World ( Dans le monde entier). Met het eerste nummer geraakt ze tot op de eenendertigste plaats in de top veertig en met het tweede tot op de zestiende. Maar daarmee is voor haar de Britse kous qua hitnoteringen gebreid, al moet ik vermelden dat ze een rolletje krijgt toebedeeld in de film What’s new Pussycat van Clive Donner en een optreden in de Savoy in Londen. Ze staat de 26ste december zelfs in The Piccadilly Show te schitteren. Twee maanden eerder deed ze dat ook aan de zijde van Les Compagnons de la Chanson in de Parijse Olympia.

In haar liedjes voert de melancholie de bovenhand samen met thema’s zoals angst, twijfel en onzekerheid. Met die chansons verovert ze eveneens Japan en de rest van Europa. Zo start ze 1966 met haar deelname aan het San Remo liedjesfestival met het liedje Parla me di te en een tournee in Duitsland. In de maand februari van 1966 scoort ze in Frankrijk één van haar grootste hits dat ook bij ons een succes wordt La maison ou j’ai grandi. Dat liedje had ze opgepikt tijdens dat festival in San Remo waar het in de originele versie werd gezongen door Adriano Celentano als Il ragazzo della via Gluck. Ze rondt 1966 in de Franse hitlijsten af met Rendez-vous d’automne, toepasselijker kan haast niet. Haar relatie met fotograaf Jean-Marie Périer krijgt harde klappen te verduren. Haar overdrukke agenda is daar de oorzaak van. In 1967 splitten ze, maar lang hoeft Françoise zich niet eenzaam te voelen, want iets later ligt ze al tot over haar oren verliefd te wezen in de armen van Jacques Dutronc één van Frankrijk’s nieuwste sekssymbolen. Dutronc werkt bij platenfirma Vogue als productie-asssistent en als schrijver. Nadat hij een paar demo’s heeft ingezongen voor een aantal artiesten, vindt de directie dat hij ze maar beter zelf op plaat kan zetten. Als eersteling wordt in 1966 Et moi, et moi et moi geboren. Binnen de korste keren in Frankrijk een ongelooflijke hit met meteen daar achteraan de hitsingles Les play-boys, Les cactus, Mini Mini Mini en in 1968 de klassieker Il est cinq heures Paris s’éveille. Dutronc zal zich nadien ontpoppen als een rasechte filmacteur. Hun relatie kent door de jaren heen veel ups and downs, maar wordt gezegend met zoon Thomas Dutronc die intussen een aardige zangcarrière heeft weten uit te bouwen. Pas in 1984 zullen Françoise en Jacques met elkaar in het huwelijk treden.

Niet dat ze toen mekaar leerden kennen ze veel bij mekaar konden zijn, want ze beleefden beiden hun hoogtijdagen. Françoise brengt begin 1967 haar elpee Ma jeunesse fout l’camp op de markt en vertrekt meteen nadien op tournee ondermeer langs een rij Britse universiteiten: Brighton, Cambridge, Southampton, Durham Birmingham. Vervolgens staat er een tour in Zuid-Afrika op het programma met optredens in Le Cap, Johannesburg, Prétoria enz… Een jaar later heeft ze er schoon genoeg van en besluit voorlopig een punt te zetten achter haar live-optredens. Ze treedt de 22ste april nog op in Kinshasa en geeft nadien een soort afscheidsconcert in de Londense Savoy en gaat zich ernstig bezinnen, zeker nu de glansperiode van de yé-yé-generatie definitief achter de rug ligt. Ze wil zich voor het volle pond op haar nieuwe repertoire storten. In 1968 verrast ze ons met het album Comment te dire adieu? waarvoor de titelsong werd geschreven door niemand minder dan Serge Gainsbourg. Het wordt één van haar bekendste chansons. Intussen had ze een eigen platenfirma opgericht Aspargus Productions. Vogue zal voor de verdeling van haar platen blijven zorgen, maar het loopt met een sisser af. Discussies met haar platenfirma blijven niet uit. Haar firma gaat op de fles. Maar Françoise blijft niet bij de pakken zitten. Ze meet zich een nieuw imago aan, want ze wenst niet langer het uithangbord van de Franse couturiers te blijven. Ze keert terug naar de eenvoud en legt in haar liedjes almaar méér haar gevoelige natuur bloot. Ze richt een nieuwe firma op Hypopotam en breekt definitief met Vogue. De verdeling van haar platen zal de komende jaren verzorgd worden door Sonopresse, een dochteronderneming van uitgeverij Hachette. Françoise krijgt een behoorlijk voorschot op de opnames die wel haar eigendom blijven.

In 1971 gaat ze samenwerken met de Braziliaanse muzikante Tuca. Ze is weg van de Braziliaanse ‘couleur locale’ die in haar liedjes klinkt. Tuca komt een maand lang naar de rue Saint-Louis-en-l’Isle om daar samen met Françoise de liedjes in te studeren alvorens ze op te nemen. Die plaat wordt ingeblikt met Tuca op gitaar en Guy Pedersen op contrabas. Om wat uit te blazen, trekt Françoise samen met Tuca naar Corsica waar ze de arrangementen en begeleiding verder uitwerken. Terug in Parijs besluiten ze aan een paar strijkpartijen aan de opnames toe te voegen. Het is dirigent Raymond Donnez die de partituren uitschrijft.  Met liedjes zoals Même sous la pluie, Chanson d’O en La Question levert Hardy het betere werk af. De pers prijst haar de hemel in, de massa haakt echter af en hebben aan deze chansons geen boodschap. Ze is er niet rouwig om en blij dat de harde kern van haar fans haar eindelijk waardeert voor wie ze is. Ze gaat nog eens een Engelstalige plaat opnemen If You Listen en houdt daarmee het contact met haar Britse fans brandend.

1973 betekent voor Françoise nog maar eens een nieuwe platenfirma, deze keer WEA (Warner Brothers). Ze leert componist Michel Berger kennen met wie ze gaat samenwerken. Samen met hem schrijft ze Message personel, een persoonlijke boodschap aan het adres van haar geleifde Jacques. Berger en laat haar op zekere dag zijn compositie Je suis moi horen. Ze besluiten dat ook op te nemen. Berger had echter beloofd de tekst aan te passen, maar in de studio achteraf blijkt daar niets van in huis te zijn gekomen. Hun samenwerking vlot dan ook niet. Berger was net aan zijn relatie met France Gall begonnen die nog maar pas liefje af was van Julien Clerc. Berger was zowat de enige op dat moment die begreep welke muzikale kant France uit wou. Berger, die zelf een stevige carrière als chansonnier heeft uitgebouwd, wil wel een stapje opzij zetten voor Gall. Zo’n zijstap zou Clerc voor Gall nooit wagen. De samenwerking tussen Hardy en Berger verloopt met horten en storen, maar levert dat jaar dan toch het album Message personel op waarvan de titelsong een mijlpaal in haar oeuvre zal blijven. Qua live – optredens moeten de fans nog altijd op hun honger blijven zitten. Françoise heeft haar zinnen op iets totaal anders gezet. Sedert haar achttiende is ze immers bezeten door astrologie. Ze gaat samenwerken met astroloog Jean-Pierre Nicola aan diens tijdschrift en programma’s. Françoise is er rotsvast van overtuigd dat een mens als individu daadwerkelijk de wereld kan veranderen. Ze gaat iets later ook samenwerken met astrologe Anne-Marie Simon voor haar radioprogramma Entre les lignes, entre les signes.

Met het album Star boort Françoise in 1977 een nieuw publiek aan met daarop liedjes aangereikt door onder meer Serge Gainsbourg en William Scheller. Ze zingt op een andere manier en weet zo een jonger publiek aan te trekken. Omdat ze het druk heeft met de opvoeding van haar zoon en geen tijd meer heeft om zelf liedjes te schrijven laat ze zich bevoorraden door de tandem Gabriel Yared en Michel Jonasz die voor een meer funky en jazzy stijl kiezen wat je kan horen in het liedje J’écoute de la musique saoûle. Tot één van mijn favorieten behoort haar album A suivre… uit 1981 met daarop als uitschieters Tamalou en vooral Villégiature, een nummer dat ik in die tijd vaak bij Radio 2 heb gedraaid in de nachtuitzending op de dinsdagavond dat ik toen samenstelde en presenteerde. Na een tijdje neemt ze haar schrijverspen opnieuw bij de hand en verwent ons met ondermeer Moi vouloir toi een tekst op muziek van Louis Chédid.  Het jaar daarop is er het album Quelqu’un qui s’en va waarop chansons van ondermeer Michel Fugain en Alain  Souchon te horen zijn.

En dan ‘comme un coup de tonnerre éclatant dans un ciel serrein’ trekt ze in 1988 voor de laatste keer naar de opnamestudio. Ze is het beu! Ze heeft er schoon genoeg van. Ze is net vierenveertig. Ze wil nog een laatste keer het beste van zichzelf geven en blikt twaalf door haar, qua teksten, zelf geschreven chansons in voor het album Décalages. De muziek wordt geleverd door kanjers zoals William Scheller en Etienne Daho. Ze had Daho in 1982 ontmoet in de studio’s van Radio Monte-Carlo. Ze was toen al een fan van hem en ze zouden vrienden voor het leven blijven. Uitschieter op het album is Partir quand même geschreven door Jacques Dutronc. Binnen enkele weken wordt de plaat met goud overladen. Iets later loopt haar platencontract af. Françoise voelt zich zo vrij als een vogel en gaat chansons voor haar collega’s schrijven: Patrick Juvet, Jean-Pierre Mader, Viktor Lazlo en Julien Clerc en Geusch Patti. Voor Radio RFM gaat ze vervolgens vijf jaar lang een programma maken met als thema astrologie. Ik weet niet of het toen al in de sterren te lezen stond, maar haar relatie met Jacques Dutronc is er een van vele ups and downs. Hij is vaak slecht gezind, ook al omdat hij weinig momenten van rust in zijn agenda kan inlassen. Het is Serge Lama die haar tijdens een etentje in het restaurant van hotel George V in Parijs vertelt dat Jacques maar al te goed weet dat Françoise zijn reddende engel is, dat hij er zonder haar allang niet meer was geweest. Hij is erg destructief van aard, hij kan zich soms te pletter drinken en wild tekeer gaan. Les extrêmes se touchent is in het geval Dutronc- Hardy méér dan de waarheid.

Op kousenvoeten maakt Françoise in 1993 een voorzichtige comeback wanneer ze samen met Alain Lubrano te horen is in het duet Si ça fait mal. De opbrengst gaat naar een actie voor aidsonderzoek op het getouw gezet door Etienne Daho. Defintief neemt Françoise Hardy de rode draad weer op wanneer ze in 1995 een platendeal afsluit met Virgin. Een jaar later is er het album Le Danger. Vanuiut Engeland krijgt ze de vraag of ze wil meezingen op het nieuwe album van Malcolm McLaren en pleegt ze een duet met Blur To the End. Om te bewijzen dat ze geen oude tante is, gaat ze haar licht opsteken bij de popgroepen Portishead en Garbage om op die manier haar eigen geluid en stijl wat aan te passen.

Met luid applaus wordt in de lente van 2000 haar album Clair-obscur door de pers onthaald. Retro is op dat moment in. Bryan Ferry blikt oude songs in, Rod Stewart doet het op zijn beurtevenals George Michael. Ik, die steeds op zoek ben naar liedjes uit the American Songbook, was aangenaam verrast door haar bewerking van de evergreen I’ll Be Seeiing You. Ze wil dit in een duet gieten en gaat tot eenieders verbazing aankloppen bij Iggy Pop die dan ook nog yes zegt. Al even oud is het Franse chanson Puisque vous partez en voyage. Ze is zo’n beetje door het dolle heen wanneer Jacques Dutronc akkoord gaat dit samen met haar op cd te zetten. Eveneens een bewerking is haar versie van So Sad dat we al eerder kenden in de versie van The Everly Brothers. Ze voelt zich goed in de schaduw van haar succes. Ze besluit samen met Jacques Dutronc te verhuizen richting 14de arrondissement dat we beter kennen als de wijk Montparnasse. Ze bewonen elk hun eigen etage, een soort living apart together. Jacques respecteert het feit dat zijn vrouw graag teruggetrokken leeft en haar private stek nodig heeft.  Op die manier kan ook ieder zijn eigen gangetje gaan!

Françoise vindt het leuk wanneer collega’s haar vragen met hen mee te zingen op hun diverse cd’s. Zo is ze ondermeer te horen op het album Chambre avec vue van Henri Salvador en Chère amie van Marc Lavoine. Met het oog op de eindejaarsdagen trekt ze in de maand september van 2004 naar de opnamestudio’s en in november van dat jaar ligt Tant de belles choses in de rekken. Tuk als ze is op vers schrijversbloed, gaat Françoise ook deze keer aankloppen bij jonge componisten en komt zodoende terecht bij Benjamin Billay , Jacno en de Ierse schrijver Perry Blake. Haar zoon Thomas mag vier liedjes leveren en tokkelt op een aantal tracks zelfs eigenhandig op de gitaar. Haar relatie met Jacques Dutronc is niet van de poes. De ene keer klinkt hij manisch, dan depressief. Hij vertelt haar tijdens hun etentjesuit over zijn nieuwe veroveringen. Geen wonder dat hun relatie almaar vriendschappelijker wordt. Maar Dutronc weigert van haar te scheiden. Ze zijn onlosmakelijk verbonden, vindt hij. Ni avec toi, ni sans toi, de gelijknamige titel trouwens van regisseur Alain Maline, is en blijft zijn leuze.

De dertigste november 2006 krijgt Hardy van de Académie française La Grande Médaille de la Chanson françasie. In het kielzog daarvan lanceert ze het duettenalbum Parenthèses met daarop een brede keuze aan samenzang: Maurane, Alain Souchon en Julio Iglesias. Het Franse publiek hapt gulzig toe. Méér dan tweehonderduizend exemplaren gaan ervan over de toonbank, goed voor platina. Ze moeten haar extra pushen, maar in het najaar van 2008 ligt eindelijk haar autobiografie in de winkel. Uitgeverij Robert Laffont brengt het boek Le Désespoir des singes… et autres bagatelles op de markt. Zij zegt zelf hierover: ” Je me suis évertuée à restituer la vérité avec autant d’exactitude et de sensibilité que possible. J’espère seulement avoit été impudique…avec pudeur“. Het boek wordt een regelrechte bestseller. Een jaar later brengt uitgeverij Nijgh & Van Ditmar het boek in Nederland en Vlaanderen uit als Françoise Hardy, een roemrijk vrouwenleven. Intussen gaat ze naarstig op zoek naar nieuwe liedjes en verzamelt die op het album La Pluie sans parapluie dat in 2009 op de markt komt.

In de herfst van 2012 verscheen haar debuutroman L’Amour fou, over een grote liefde, met daaraan gekoppeld een gelijknamige cd. En het zal zeker, als het van haar afhangt tenminste, niet bij die ene roman blijven.

dinsdag 3 december 2024

Ralph McTell

Ralph McTell (Farnborough, 3 december 1944) is een Britse singer-songwriter en gitaarspeler, die een belangrijke rol gespeeld heeft in de folk in Groot-Brittannië in de jaren '60.

Zijn bekendste nummer is "Streets of London" dat wereldwijd door meer dan 200 artiesten is gecoverd

In het college raakte McTell geïnteresseerd in de beatnikcultuur. Naast het lezen van werken van o.a. Jack Kerouac en Allen Ginsberg, ontdekte hij de Afro-Amerikaanse muziek. Geïnspireerd door artiesten als Ramblin' Jack Elliott, Robert Johnson en Muddy Waters, kocht hij een gitaar en begon te oefenen.

Samen met een groep van vrienden die dezelfde muziekinteresse hadden, trok hij er vaak op uit. Hij werd overgehaald om in een bluegrassband te spelen die "The Hickory Nuts" heette, en die heel Engeland doortrokken.

McTell begon ook buiten Engeland te reizen. Zo bezocht hij Frankrijk, België, Duitsland, Italië, Joegoslavië en Griekenland. Hij kwam vaak in Parijs, waar hij samen met een vriend uit Croydon zijn geld verdiende door als straatmuzikant bij de rij wachtenden voor de bioscoop te gaan spelen. In Parijs ontmoette hij ook een Amerikaanse gitarist, Gary Petersen, van wie hij veel bijleerde over o.a. ragtime. Ik zal later op deze wonderlijke man nog eens terugkomen.

In de lente van 1966 ontmoette McTell een andere uitwijkeling in Parijs, de Noorse Nanna Stein. Al snel werden ze onafscheidelijk. Toen ze terug in Engeland waren, woonden ze in een caravan in Cornwall. Samen met Wizz Jones, die hij had ontmoet op zijn reizen door Engeland, trad hij regelmatig op in Cornwall. Het was ook Jones die de naam "McTell" voorstelde, naar de artiest Blind Willie McTell.

In 1967 sloot McTell een deal met Transatlantic Records en tegen het einde van het jaar was zijn eerste album klaar. Eight Frames a Second werd uitgegeven begin 1968. De uitgave van het album betekende meer werk, en dus werd Bruce (McTells broer) zijn manager en booking agent.

Op zijn tweede album Spiral Staircase uit einde 1968 stond de eerste versie van "Streets of London". Zijn derde album, My side of your window werd door het tijdschrift Melody Makers tot "Folk album of the month" uitgeroepen. Hierna kwamen nog vele albums bij Transatlantic uit.

zondag 1 december 2024

Joik

Joik is de traditionele muziek van de Saami en een van de oudste muziekvormen in Europa.

De Samen of Sami (Samisch: Sámit) zijn een van oorsprong nomadisch volk dat het Noord-Europese Lapland bewoont. Ze zijn ook bekend onder de naam Lappen, wat ze zelf als een belediging beschouwen.
Ze bezitten tegenwoordig in zowel Noorwegen, Zweden als Finland een eigen parlement, het Sameting, dat bij de nationale overheden van de staten waaronder Lapland ressorteert, inspraak heeft in zaken die de Samen en hun woongebied betreffen. De meeste Samen wonen in Noorwegen, zo'n 50.000. In Zweden zijn dat er ongeveer 20.000, in Finland 6.000 en in Rusland 2.000.

Joik maakt deel uit van een zeer oude religieuze traditie; dat is waarschijnlijk de reden, waarom het door de christenen werd verboden. De traditie heeft dit taboe echter overleefd.
De muziekcultuur van de Sámi, het rendierhoudende volk boven de poolcirkel, is opmerkelijk levendig en veelzijdig. De basis van de muziekcultuur is de joik, de Sámi-manier van zingen, die nauw verbonden is met cultuur, landschap en religie. Op het festival van Kautakeino wordt elk jaar met Pasen de Sámi Grand Prix gehouden, de wedstrijd voor de beste nieuwe joik en de beste nieuwe joik-song. Bovendien is de joik uiterst bruikbaar in pop-, jazz- en rockmuziek.

donderdag 29 augustus 2024

“O Cangaçeiro”

Cangaço is de naam gegeven aan een vorm van banditisme in de regio van Noordoost-Brazilië van de helft van de negentiende eeuw tot het begin van de twintigste eeuw.

In deze dorre en zeer moeilijk te bewerken streek (de sertao - het achterland), zijn de  sociale relaties bijzonder hard. De sociale ongelijkheid is er meer schrijnend dan elders.



Vele mannen en vrouwen hebben besloten een leven te leiden van rondtrekkende bandieten, de cangaceiros, en dwalen in de uitgestrekte vlakten van het achterland, op zoek naar de geld en voedsel.

De song : Mulher Rendeira (O Cangaçeiro) (1935)
(Volta Seca)

Volta Seca was de schuilnaam van Antonio dos Santos. Gezongen fragment van 35 seconden gemaakt in de gevangenis. Heruit op de lp Documentos Sonoros - Nosso Seculo in '80.

De titel betekent: Borduurster of kantwerkster. Bewerkt door Alfredo Ricardo do Nascimento tot thema van de film "O Cangaceiro" ('53), die gaat over bendeleider en struikrover Lampiao, de Robin Hood van de Braziliaanse Nordeste. Volta Seca maakte ooit deel uit van zijn bende.

Olé, Mulher Rendeira, Olé mulher rendá
A pequena vai no bolso, a maior vai no embornal
Se chora por mim não fica, só se eu não puder levar
O fuzil de Lampião, tem cinco laços de fita
O lugar que ele habita, não falta moça bonita

donderdag 1 augustus 2024

Love Hurts

Love Hurts is een popliedje, oorspronkelijk een rockabillyliedje, geschreven door Boudleaux Bryant en oorspronkelijk uitgevoerd door The Everly Brothers in 1960. Het is sindsdien verschillende keren gecoverd in uiteenlopende muziekstijlen.
De bekendste coverversie werd in 1976 door de Schotse groep Nazareth uitgebracht.

Love Hurts is een ballad waarin een (oorspronkelijk) mannelijke zanger zijn pijn in de liefde bezingt. Behalve verdriet spreekt er uit de tekst desillusie (Love is just a lie/made to make you blue). De tekst omvat twee coupletten en een bridge; het refrein is één regel lang: Love hurts. In verschillende versies (zie onder) komt er een tussenspel waarna het refrein herhaald wordt. Het tempo is in het origineel relatief matig, in sommige versies uitgesproken langzaam.

De eerste cover door een publiek bekend artiest werd gemaakt door Roy Orbison in 1961.

In het decennium daarna werd het nummer nog enkele malen gecoverd. Het veelvoudiger coveren begon in 1974, toen Gram Parsons het nummer met Emmylou Harris zong op zijn plaat Grievous Angel. Zijn versie is in tegenstelling tot het origineel zuivere country en heeft een trager tempo. Hij voegde als eerste een (nog kort) instrumentaal tussenspel in, wat de meesten na hem ook deden. In 1975 werd het lied vervolgens op de plaat gezet door Jim Capaldi, die er een funknummer van maakte, door Cher (zonder veel succes; later zong ze het nummer nog eens in met meer hitsucces) en door de Schotse hardrockband Nazareth. Deze versie werd het bekendst en meest succesvol. In verschillende landen (waaronder Nederland) haalde het nummer de eerste plaats van de hitparade.
Don McLean nam in 1978 een versie op die op die van Parsons leek. Van de versies die in de jaren negentig, sloeg die van Cher het beste aan. In 1991 behaalde ze met een bombastische theaterrockversie een bescheiden hit in enkele landen. Robert Pollard van Guided by Voices en Kim Deal van de Pixies namen hun versie op in 1994 voor de soundtrack van de film Love and a .45. Voormalig slockrockidool Pat Boone maakte in 1997 de plaat No More mr. Nice Guy waarop Love Hurts, samen met andere hardrock- en metalklassiekers, in een swingversie werd opgenomen. Deze versie verschilt van alle andere door een ander (jazzy) harmonisch verloop. Harris, samen met Parsons te horen op de versie uit 1974, nam in 1998 een liveversie op. De Ierse zangeres Sinéad O'Connor kwam in 2003 met een alternatieve-popversie. Hetzelfde jaar bracht Bee Gee Robin Gibb het uit op een R&B-plaat, met een bijpassend arrangement en korte rapfragmenten. Rod Stewart nam het op in de songlist van zijn cover-album Still the Same… Great Rock Classics of Our Time.
Hoewel de arrangementen van de verschillende versies soms sterk uiteenlopen, blijft de tekst meestal relatief ongewijzigd. Hier en daar verschillen de versies op details. Zo zingen Cher, Pat Boone en Rod Stewart, vanwege hun gevorderde leeftijd, You're young waar in het origineel I'm young staat.

donderdag 25 juli 2024

Willie Mae Thornton

Willie Mae Thornton wordt op 11 December 1926 in Montgomery in Alabama geboren.

Willie Mae, vanwege haar omvang ook wel Big Mama genoemd, wordt ontdekt door Johnny Otis, die als eerste met een r&b-revue door het land trekt, waarbij hij ook veel plaatselijke r&b-artiesten een kans geeft.

Tijdens deze zeer succesvolle revues ontdekt Johnny, behalve Willie Mae, een groot aantal dan nog onbekende talenten, zoals Little Willie John, Etta James, Johnny Ace, Jackie Wilson en Hank Ballard.

Willie Mae Thornton is vooral bekend als zangeres van Hound Dog.

In 1956 zingt Elvis Presley dit liedje van Jerry Leiber en Mike Stoller naar de eerste plaats van de Amerikaanse hitparade.

Big Mama Thornton overlijdt op 25 Juli 1984 in Los Angeles aan een hartaanval. Zij heeft al enige jaren last van hart- en leverproblemen. Big Mama Thornton is 57 jaar geworden.

dinsdag 18 juni 2024

De wonderen van AI

 Deze video werd gemaakt met behulp van Udio.com. Een gratis website voor het genereren van alle soorten muziek met behulp van AI. 



woensdag 29 mei 2024

Shave 'em Dry

Ma Rainey : “ Shave 'em Dry... oh yes. One of my oldest recordings from 1924. This is the polite version too, you shoulda heard the nasty lyrics I really wrote for this song. But here's the sweet version with me singing and Tampa Red on guitar.”

De song was inderdaad meer dan dat…..

Van de vrouwelijke bluessingers uit de jaren twintig en dertig was Lucille Bogan de meest “down to earth singer of ‘em all”
“Shave'em Dry”  komt uit de laatste opnames van Lucille voor Banner en ARC-records, 1933/35.  Haar begeleidende pianist was Walter Roland.

Haar songs waren baanbrekend op het gebied van expliciet zijn, het gebruik van dubbele bodems, toespelingen en metaforen, en vooral ... ze kwamen van een vrouw in een mannenwereld. Ze zong ook onder haar ander pseudoniem  Bessie Jackson, Bessie afgeleid van de legendarische  Bessie Smith.

"Shave'em Dry" verwijst naar het scheren van je huid zonder zeep, zodat het jeukt, waardoor het een soort van terugbetaling is voor het aangedane onrecht. De song krijgt echter een openlijke sexuale betekenis wanneer je luistert naar de tekst. “Shave ‘em dry” komt neer op geslachtelijke omgang zonder meer, zonder vrijen zonder voorspel, gewoon droog neuken.

I got nipples on my titties big as the end of my thumb,
I got somethin' 'tween my legs 'll make a dead man come,
Oooh daddy-baby, won't you shave 'em dry, oooh!
Won't you grind me baby, grind me till I cry.

Say I fucked all night and all the night before, baby,
And I feel just like I want to fuck some more,
Ooh, babe, goddamn daddy, grind me honey, shave 'em dry,
And when you hear me yowl baby, want you to shave 'em dry.

I got nipples on my titties big as the end of my thumb,
And daddy you can have 'em any time you want and you can make 'em come.
Oooh daddy, shave 'em dry,
And I can give you some baby, swear it'll make you cry.

I will turn back my mattress and let you oil my springs,
I want you to grind me daddy till the bells do ring,
Ooh daddy, want you to shave 'em dry.,
Oh pray God daddy, shave 'em baby, won't you try?

Now fuckin's one thing that'll take me to Hell,
I'll be fuckin' in the studio just to fuck that to leather,
Oooh, daddy, daddy shave 'em dry,
I would fuck you baby, honey I would make you cry.

Now your nuts hangs down like a damn bell-clapper,
And your stick stands up like a steeple,
Your goddamn asshole's open like a church door,
And the crabs walks in like the people,
Oooh baby, won't you shave 'em dry. ...

A big sow gets fat from eatin' corn,
And the pig gets fat from suckin',
Reason this whore got like, I am,
Great God I got fat from fuckin',
Whee ... tell 'em about me! Fuck it!

My back is made of whalebone and my cock is made of brass,
And my fuckin's made for workin' men, two dollars round to fit my ass,
Oooh daddy, shave 'em dry.

maandag 13 mei 2024

Bartók, Fibonacci en de gulden snede

In alle kunstvormen zijn er mensen die een zoektocht naar de gulden snede ondernemen. In de muziek van Béla Bartók wordt de gulden snede vaak genoemd onder verwijzing naar de onderzoekingen van Ernő Lendvai. In dit artikel onderwerpt dirigent Daan Admiraal Lendvais bevindingen aan een kritische toets.

Een bekende getallenrij is de rij van Fibonacci. Deze rij begint zo: 1, 1, 2, 3, 5, 8, 13, 21, 34, 55, 89. De rij start met twee enen en elk volgende getal krijg je door de twee voorgaande getallen bij elkaar op te tellen. Als we de quotiënten van twee opeenvolgende Fibonacci-getallen op een rij zetten, zien we iets opmerkelijks: 1/1 = 1; 2/1 = 2; 3/2 = 1,5; 5/3 ≈ 1,667; 8/5 = 1,6; 13/8 = 1,625; 21/13 ≈ 1,615; 34/21 ≈ 1,619; 55/34 ≈ 1,618; 89/55 ≈ 1,618. Deze quotiënten naderen een vaste waarde. Hoe verder je komt in de rij van Fibonacci, hoe dichter het quotiënt van twee opvolgende getallen in de buurt komt van het gulden-snede-getal. De exacte waarde van dit getal, meestal aangeduid met de Griekse letter φ, is (1 + √5)/2.



Men spreekt van een gulden snede als een afstand zodanig in twee ongelijke delen wordt verdeeld dat de verhouding van het kleinste tot het grootste deel dezelfde is als de verhouding van het grootste deel tot het geheel. Dus voor een lijnstuk dat volgens de gulden snede wordt verdeeld in een kort deel met lengte a en een lang deel met lengte b, geldt: a : b = b : ( a + b ).
Fibonacci in de muziek
De Hongaarse musicoloog Ernő Lendvai en de Amerikaan Edward Lowman hebben zich beziggehouden met het voorkomen van de Fibonacci-getallen in de werken van de Hongaarse componist Béla Bartók. Lendvai schreef een boek vol over zijn bevindingen: Béla Bartók: An Analysis of His Music (1971). Eerder al besteedde hij in een uitgebreid artikel aandacht aan Fibonacci en Bartók: ‘Einführung in die Formen- und Harmonienwelt Bartóks’ (1953). Lowman schreef een kort artikel in het tijdschrift The Fibonacci Quarterly: ‘Some Striking Proportions in the Music of Béla Bartók’ (1971).

Een van Bartóks composities waar Lendvai de Fibonacci-getallen in ontdekte, is Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta. Het eerste deel van dit werk bestaat uit 88 maten. Lendvai wilde daar kennelijk graag 89 maten van maken, omdat dat aantal maten dan zo mooi overeenstemt met het getal 89 in de rij van Fibonacci. Hij begint dus meteen al met het vervalsen van zijn metingen door uit te gaan van een door Bartók niet opgeschreven maat en die mee te tellen. Waarom mag Lendvai die niet bestaande maat meetellen? Omdat ‘Hans von Bülow dat ook bij Beethoven deed’ (iets waarover wij Hans von Bülow graag een paar kritische vragen zouden willen stellen).

_Luister naar het eerste deel van Bartóks Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta. De climax begint op tijdstip 06:06._

Een onderverdeling van de 89 maten
Lendvai maakt een onderverdeling van de 89 maten van het eerste deel van de Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta, waarmee hij laat zien dat zich ‘tal van gulden verhoudingen’ schuilhouden achter deze muziek.

De climax van het eerste deel vindt plaats aan het begin van maat 56; in het filmpje hierboven begint deze ‘fortessissimo-passage’ op tijdstip 06:06. Nu is 56 geen Fibonacci-getal, maar 55 wel. Lendvai spreekt daarom van een climax na 55 maten. Hier is op zichzelf niets op tegen. Hij verdeelt de 89 maten in twee secties: eerst 55, dan 34 (de ‘extra maat’ voegt hij dus aan het eind toe; niet aan het begin want dan klopt de theorie niet meer). Het eerste deel van de Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta wordt dus ‘precies’ bij het begin van de climax volgens de gulden snede in tweeën gedeeld.

Die eerste 55 maten van het stuk kunnen ook weer op een ‘mooie’ manier worden opgedeeld: de eerste 34 maten spelen de strijkers met sourdine, de volgende 21 maten zonder. Nog verder opdelen levert het volgende: de eerste 34 maten kunnen worden gesplitst in 21 en 13 maten, want de eerste 21 maten vormen precies de expositie van het stuk. De getallen 13, 21 en 34 zien we ook in de rij van Fibonacci.

Ook de laatste 34 maten (waaronder de niet-bestaande maat) kunnen in secties van 13 en 21 maten worden onderverdeeld: bij maat 69 worden de sourdines weer op de kam van de instrumenten gezet. De laatste 21 maten kunnen om onduidelijke redenen worden onderverdeeld in 13 en 8 maten, weer twee Fibonacci-getallen.



De 89 (88) maten van het eerste deel van Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta onderverdeeld in secties
Hierboven staat de indeling van Lendvai schematisch weergegeven. Op deze indeling valt wel het een en ander af te dingen. We geven een voorbeeld: volgens Lendvai spelen de strijkers de eerste 34 maten met sourdine, en vanaf maat 35 zonder sourdine. Dat hier gesjoemeld wordt, blijkt als we de partituur erbij pakken, zie onderstaande figuur. Bij ‘viool 1’ en ‘cello 1 en 2’ vermeldt Bartók inderdaad ‘senza sord.’ (zonder sourdine) bij het begin van maat 35. Maar bij ‘viool 2, 3 en 4’ staat deze aanwijzing al in maat 34 en bij ‘altviool 1 en 2’ zelfs aan het eind van maat 33. ‘Contrabas 1 en 2’ spelen tot en met maat 36 met sourdine; de mededeling ‘senza sord.’ meldt Bartók voor deze instrumentengroep pas aan het eind van maat 37.



De maat als eenheid
Naast de genoemde wankele feiten in Lendvais analyse, valt er nog een geheel andere kritische kanttekening te plaatsen. Lendvais hele betoog is gebaseerd op de verhouding van aantallen maten. Indien een compositie maatwisselingen bevat, levert deze eenheid een vertekend beeld. Lendvai beseft deze moeilijkheid terdege als hij schrijft: ‘der wechselnden Taktordnung wegen ist die Taktzahl nicht maßgebend.’ Gemeten moet worden met de kleinste ritmische eenheid van alle maten, zoals hij dat ook terecht doet door middel van de trioolachtste in het Divertimento voor strijkorkest.

Juist het eerste deel van Bartóks Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta is een klassiek voorbeeld van een wechselnde Taktordnung. Bartók gebruikt hier acht verschillende maatsoorten: 5/8, 6/8, 7/8, 8/8, 9/8, 10/8, 11/8 en 12/8. Tegen beter weten in toont Lendvai de aanwezigheid van de gulden snede aan door deze acht verschillende lengte-eenheden te behandelen alsof er sprake zou zijn van één eenheid, terwijl hij nota bene zelf terecht opmerkt dat je dit dat bij wisselende maatsoorten niet mag doen.

De kleinste ritmische eenheid
Hoe groot zijn de meetfouten in Lendvais analyse? In de figuur hieronder staat boven (nogmaals) de sectie-indeling in maten van Lendvai. Daaronder staan dezelfde secties, omgerekend in achtstenoten.



Boven: de secties in maten (Lendvai)
Onder: dezelfde secties omgerekend in achtstenoten (Admiraal)
De procentuele afwijking van de verhoudingen tussen de getallen in het onderste plaatje van de bovenstaande figuur ten opzichte van de gulden snede staan weergegeven in de volgende tabel:



De verhoudingen tussen de getallen in het onderste plaatje van de figuur hierboven vergeleken met de gulden snede
Als in plaats van de maat de achtstenoot als eenheid wordt genomen, wijken de verhoudingen tussen de door Lendvai gemaakte secties erg af van de ‘gulden verhouding’: de afwijkingen lopen uiteen van -7,7% tot +25,1%. De claim dat in Bartóks Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta sprake is van de gulden snede, mist daarom elke rekenkundige onderbouwing.

Vaak wordt de gulden snede in het werk van Bartók genoemd onder verwijzing naar de onderzoekingen van Ernő Lendvai. Zijn corrupte metingen zijn onder andere door de gerenommeerde muziekuitgeverij Bärenreiter gepubliceerd in een overigens zeer lezenswaardig boek met artikelen over Béla Bartók. Het daarin opgenomen artikel van Lendvai bevat een aantal interessante en inzichtbevorderende analyses van het harmonische systeem van Bartók en de structuur van zijn melodieën en akkoorden. Het is jammer dat het zo ernstig wordt ontsierd door deze blunder over de gulden snede.

maandag 22 april 2024

As tears go bye

Wie aan The Rolling Stones denkt, denkt meteen aan stevige muziek, lekkere rhythm and blues en loepzuivere rock, maar veel minder aan oorstrelende ballads al moet ik die omschrijving in hun geval wat afzwakken. Het woord ballads volstaat. Het valt ook op dat wanneer zij het aandurfden een ballad in te blikken en op single te zetten, desnoods als B-kant, die nooit de hitlijsten bereikte zij het als coverversie. En of zij ballads hebben ingeblikt!  Een paar zelfs om U tegen te zeggen: Angie, Time Is On My Side, Ruby Tuesday, Lady Jane en natuurlijk hun pronkstuk As Tears Go By.

Tot de dag waarop As Tears Go By op plaat verscheen hadden The Rolling Stones zich alleen maar aan bluesgetinte ballads gewaagd. Met As Tears Go By tokkelden zij op een heel andere snaar. Het is een van de eerste songs die Mick Jagger en Keith  Richards samen schreven. Het verhaal wil dat hun eerste manager Andrex Oldham er ook zijn steentje toe bijdroeg. Indien wij enkele bronnen mogen geloven waaronder Richards zelf, was het diezelfde Andrew die Mick en hem dwong zich in hun keuken in hun appartementje terug te trekken en daar niet uit te komen vooraleer zij een liedje hadden geschreven dat nu eens niet over sex ging en waar het aangenaam naar luisteren was. Zij zijn zelf verbaas over het eindresultaat, er is geen spoor van blues of rock in het nummer te bespeuren. Eerst kwamen zij op de proppen met de titel As Time Goes By, maar dat kon niet, want die titel was in 1931 al gebruikt door Herman Hupfeld voor de musical Everybody’s Welcome en nadien een hit voor Rudy Vallee en Binnie Hale.  Het liedje wordt pas echt bekend als het in 1942 in de film “Casablanca” opduikt. In de film wordt het gezongen door Dooley Wilson, aan de piano begeleid door Elliot Carpenter.

Dus As Time Goes By kon niet. Het was Oldham zelf die op de idee kwam time door tears te vervangen en daar gingen Mick en Keith mee akkoord. Oldham aarzelde ook niet het nummer meteen door te spelen aan de zeventienjarige zangeres Marianne Faitfull die hij tijdens een party georganiseerd door John Dunbar ontdekt had. Marianne profileerde zich toen vooral als folkzangeres, maar Oldham had andere plannen met haar. Hij wordt ook in een klap haar manager. Hij trekt samen met haar en producer Mike Leander naar de Decca studio’s en neemt daar in 1964 As Tears Go By op dat eerst als B-kant van het nummer Greensleeves, een bewerking van de bekende folksong, wordt gereleaset. Vrij snel hebben zij in de gaten dat het de B-kant is die de voorkeur van de media en het publiek wegdraagt. De dertiende augustus 1964 staat Marianne ermee op negen in de Britse Top Veertig. In Amerika wordt het de 28ste november 1964 uitgebracht en zal daar door- stoten naar de tweeëntwintigste plaats. In Nederland wordt er op die single niet gereageerd en zal Marianne het jaar nadien daar scoren met The Ballad of Lucy Jordan. Bij ons zit er voor die laatste een negende plaats in en is As Tears Go By geen hoogvlieger geworden. In 1965 trouwt Faithfull met John Dunbar, maar na de geboorte van hun zoon houdt zij het voor bekeken en gaat bij Mick Jagger wonen.

Interessant wordt het wanneer je As Tears Go By naast Yesterday van The Beatles plaatst. Je zou snel durven denken dat The Stones, The Beatles gewoon gecopieerd hebben, was het niet dat de versie van Marianne Faithful al de 13de augustus 1964 in de Britse top tien stond en The Beatles met Yesterday pas een jaar later met dat nummer op de proppen kwamen op hun elpee Help. (in Engeland werd Yesterday aanvankelijk niet op single uitgebracht omdat de groep vond dat het té soft klonk en het té zeer een solo-uitstap van McCartney was). Om die vergelijking met The Beatles uit de weg te gaan, brachten The Stones hun versies pas zes maanden na Yesterday van The Beatles op de markt en dan nog als B-kant van hun single 19the Nervous Breakdown dat de 10de februari 1966 op de tweede plaats in de Britse Top Veertig zou belanden. Bij ons bereikten The Stones met hun singleversie de vijfde maart 1966 de zevende plaats. In Nederland was er voor hen een tweede plaats weggelegd. Als je dan toch enige gelijkenis tussen As Tears Go By en Yesterday wil zoeken, dan kan je aanhalen dat de strijkers die je in de versie van The Stones hoort, geschreven werden door Mike Leander, die ook verantwoordelijk is voor de arrangementen van de violen in She’s Leaving Home van The Beatles op hun album Sergeant Pepper’s Lonely Heartsclub Band. In Yesterday van The Beatles klinkt het strijkwartet dat een idee van hun producer George Martin was veel gematigder dan de violen die Mike Leander voor As Tears Go By nodig vond.

As Tears Go By zongen The Rolling Stones in Amerika live samen met I Can’t Get No Satisfaction en 19th Nervous Breakdown tijdens “The Ed Sullivan Show”, de eerste keer overigens dat Jagger en zijn companen daar in kleur te zien waren. In die tijd was hun bezetting: Mick Jagger, Keith Richards, Brian Jones, Charlie Watts en Bill Wyman. Het waren ook zij die de vijfde en de zesde september 1965 in de studio zaten voor de opname van hun elpee December’s Children waarop onder meer As Tears Go By op staat. Het album werd de 22ste november van dat jaar op het London Label uitgebracht met naast As Tears Go By als opvallende songs: Route 66, Get Off My Cloud, You Better Move On en Talkin’ About You. In Amerika bereikte de plaat de vierde plaats in de album top tweehonderd en werd daar met goud bekroond.

Tijdens diverse interviews liet Keith Richards duidelijk horen dat hij niet was opgezet met het succes dat The Stones genoten met As Tears Go By. Hij noch Mick wilden zich als songwriters van dergelijke liedjes profileren. Zo hadden zij Gene Pitney aan de hit That Girl Belongs To Yesterday geholpen en ook dat succes zinde hen niet. Pas wanneer zij in 1965 met The Last Time op de proppen komen, voelen zij dat zij een volwaardig Stonesnummer hebben afgeleverd. Critici houden vol dat vokaal gezien Jagger in As Tears Go By niet op zijn best klinkt. Ballads die hem wel liggen, zijn eerder songs zoals Ruby Tuesday en Lady Jane. Gewoon als weetje, maar zeker niet als aanrader, is de Italiaanse versie van het nummer dat in Italië op single verscheen als Con Le Mie Lacrime, waar het nadien door Jerry Calà en Bruno Castiglia werd gecoverd. Ook Vanessa Paradis, The Primitives, Nancy Sinatra en David Lantz  vonden het nummer de moeite waard om het op één van hun platen te zetten.

dinsdag 13 februari 2024

P.F. Sloan

PF Sloan (Philip Gary Schlein, 18 September 1945, in New York) is een legendarische songschrijver, producer, muzikant die veel mensen alleen kennen van het door hem geschreven ‘Eve of Destruction’ uitgevoerd door Barry McGuire.

Sloan werd geboren als zoon van een Amerikaanse vader en een in Roemenië geboren moeder. Zijn familie verhuisde naar Hollywood, Californië in 1957, waar zijn vader, een apotheker, de familienaam wijzigde van “Schlein” naar “Sloan”.

Phil (of Flip) Sloan maakt algauw deel uit van de ontluikende Los Angeles muziekscene, en wanneer hij 16 is vormt hij een schrijversduo met Steve Barri.

Het duo doet een aantal verwoede pogingen om door te breken, onder namen zoals “Philip en Stephan”, de “Rally-Packs”, de “Wildcats”, de “Street Cleaners”, “Thema’s Inc”, en de “Lifeguard”.

In 1963 trekken zij de aandacht van Screen Gems director Lou Adler, die besluit het tweetal te gebruiken als background voor Jan & Dean. Jan Berry gebruikt Sloan als de lead falsetto in de plaats van Dean Torrence op de top 10 hit “The Little Old Lady uit Pasadena.”

Rond die tijd schrijven Sloan en Barry hun eerste Amerikaanse Billboard Top 100 hit, “Kick That Little Foot Sally Ann”, gearrangeerd door Jack Nitzsche en uitgevoerd door ene Round Robin. Algauw maken ze zelf een surf album onder de naam “The Fantastic Baggys”.

Adler richt nu het label “Dunhill” op en wil de twee als songschrijvers gebruiken. Onder de naam Phil F. Sloan of P.F. Sloan (de “F” stond voor “Flip”, zijn bijnaam) schrijft Sloan hits  voor een aantal artiesten, waaronder “Eve of Destruction” (Barry McGuire); “You Baby” en “Let Me Be” (The Turtles); “A must to avoid” en” Hold On! ” (Hermans Hermits), “Take me for what I’m worth” (The Searchers), en “Secret Agent Man” (Johnny Rivers). Dit laatste nummer was het thema voor “Danger Man”, een Britse tv-serie die kreeg voor de Amerikaanse markt herdoopt werd tot “Secret Agent”.

Sloan wordt sessie gitarist als onderdeel van de groep van LA sessiemuzikanten bekend als “The Wrecking Crew”, waaronder bekende backing muzikanten als drummer Hal Blaine, gitarist Tommy Tedesco, bassist Joe Osborn, en bassist / toetsenist Larry Knechtel.

Tijdens het werken met Barry McGuire, speelt Sloan o.m. de gitaar lick in het begin van “California Dreamin’”, eigenlijk geschreven door John Philips voor Barry McGuire die op dat ogenblik de Mama’s en de Papa’s als achtergrondkoor gebruikte. Dezelfde backing track werd trouwens gebruikt voor de hit versie van “The Mamas & the Papas” zelf.

Omdat “The Eve of Destruction” voor Barry McGuire (van de New Christy Minstrells) zo’n hit wordt,  mag P.F. Sloan ook zelf een album opnemen. “Sins Of A Family” bereikte de Billboard top 100 in de herfst 1965.

De voornaamste Sloan/Barri realisatie is echter “The Grass Roots” : “Where Were You When I Needed You” een monster hit.

Sloan speelde als solo artiest op de Fantasy Fair en Magic Mountain Music Festival op zondag 11 juni 1967 in de zgn. “Summer of love” op de slotdag . Dit muziekfestival was een voorloper van het bekende Monterey Pop Festival.


dinsdag 6 februari 2024

6 februari Bob Marley dag Nationale feestdag Jamaica

Op 6 februari 1945 wordt rond half drie in de morgen in het kleine dorp Nine Mile in de provincie St. Ann op Jamaica, Robert Nesta Marley geboren. Robert (Bob)'s moeder, het zwarte tienermeisje Cedella Booker is van Afrikaanse afkomst, zijn vader, de blanke Kapitein Norval Marley, heeft Engelse ouders. Norval Marley is supervisor voor de Britse koloniale macht op het gebied van landbouw. 

Vrijwel direct na de geboorte van Bob verhuist hij naar Kingston. Bob zou hem later slechts sporadisch zien. Norval Marley overlijdt wanneer Bob tien jaar oud is. Volgens Cedella Marley heeft Bob zijn zachtaardige karakter en geringe lichaamslengte geërfd van zijn vader. Op zijn zestiende vormt Bob Marley samen met Bunny Livingston en Peter Tosh het zanggroepje The Wailers (eerst The Teenagers). Hun eerste opname is Judge Not. In 1962 volgt One Cup Of Coffee. In het begin hebben ze weinig succes, maar door deel te nemen aan talentenjachten, het spelen in kleine clubs en nieuwe opnames, worden The Wailers langzaam één van de populairste groepen in Jamaica. Bob Marley treedt meer en meer op de voorgrond. De naam van de groep wordt gewijzigd in Bob Marley & The Wailers. De volgende single Simmer Down wordt een grote hit in Jamaica. 

De eerste Wailers songs zijn gebaseerd op de populaire Ska muziek. Later laten The Wailers het ritme zakken, tot het langzamere reggae. In 1965 opent Bob Marley zijn eigen opnamestudio, Tuff Gong, waar nu het Bob Marley Museum gevestigd is. Hij trouwt op 10 februari 1966 met Rita Anderson; een jaar later wordt hun eerste kind geboren. Onder invloed van Rita krijgt Marley belangstelling voor de Rastafari-beweging, en groeit later uit tot een van de bekendste uitdragers van dat geloof. In 1973 geeft Marley de groep een nieuwe look. Rita Marley, Marcia Griffiths en Judy Mowatt worden toegevoegd als achtergrond zangeressen en met nieuwe energie tilt Bob Marley de reggaestijl naar internationaal niveau, door een opeenvolging van internationale tours. 

In 1975 geven Bob Marley & The Wailers in het Londense Lyceum een aantal sensationele concerten, waarvan een weerslag op het album Live. De op deze plaat voorkomende live-versie van No Woman No Cry groeit uit tot een wereldhit en bewerkstelligt een Europese doorbraak die voor wat Nederland betreft extra gestalte krijgt met een indrukwekkend optreden op 13 juni 1976 in de Amsterdamse Jaap Edenhal. In 1976 is er ook een reggae-mania in de Verenigde Staten en Bob Marley & The Wailers worden door Rolling Stone Magazine uitgeroepen tot band van het jaar. In april 1978 treedt Bob Marley op in Jamaica op het One Love Peace Concert ter ere van de wapenstilstand tussen de twee belangrijkst politieke groeperingen in Jamaica. Vlak voor het einde van zijn optreden vraagt hij de twee politieke leiders, die beiden uitgenodigd waren, op het toneel te komen. Daar laat hij de twee aartsvijanden elkaar de hand schudden met de boodschap: One Love. Later dat jaar krijgt Bob Marley The Peace Medal Of The Third World van de Verenigde Naties. In 1977 krijgt Bob Marley last van een wondje aan zijn grote teen. Hij neemt aanvankelijk aan dat het een voetbalblessure is maar wanneer de wond niet geneest wordt de diagnose melanoom (huidkanker) vastgesteld. Bob Marley laat zijn teen niet amputeren omdat dit in strijd is zijn geloofsovertuiging. De kanker zaait vervolgens uit naar de rest van zijn lichaam. 

Op 11 mei 1981 overlijdt Bob Marley in het Cedars Of Lebanon ziekenhuis in Miami, Floridia aan kanker, acht dagen nadat de kankerspecialist Dr. Josef Issels zijn behandeling heeft gestaakt. Bob Marley wordt samen met zijn Gibson gitaar en een bijbel, als een nationale held, begraven in zijn geboorteplaats, St. Ann's Parish, Jamaica. Twee jaar later viert de regering zijn sterfdag met de onthulling van een standbeeld. De fans van de zanger zijn er echter niet blij mee, omdat het beeld een slechte gelijkenis heeft. Na de onthulling gooien ze met stenen en fruit naar het beeld. Onder druk van de protesten, besluit Edward Seaga, de minister-president van Jamaica, om een nieuw beeld te laten maken. In 1990 wordt de geboorte dag van Bob Marley, 6 februari, uitgeroepen tot nationale feestdag in Jamaica. 
Bob Marley is 36 jaar geworden.

zondag 4 februari 2024

The Newbeats

The Newbeats was een Amerikaans poptrio. Het is vooral bekend van de hit Bread and butter uit 1964. De groep viel op door de falsetstem van zanger Larry Henley.

De groep bestond uit : Larry Henley, Dean Mathis en Mark Mathis. Eind 1950-1959 vormden de broers Dean en Mark Mathis uit Hahira (Georgia) het muzikaal duo Dean & Marc. In 1959 hadden zij een hit met het nummer "Tell him no" van Travis & Bob. Hoewel het hun enige succes was, bleef het duo wel optreden en singles uitbrengen en het werd zelfs uitgebreid tot het Dean & Marc Combo. In 1962 zong Larry Henley voor het eerst met de groep mee en twee jaar later vormden hij en de twee broers de groep The Newbeats, nadat Bouldleaux Bryant, de componist van "Bye bye love" van de Everly Brothers een demo van Dean, Marc en Larry had gehoord en enthousiast was over de falsetstem van Larry. Twee maanden na de oprichting in juni 1964 had de groep zijn eerste hit met "Bread and butter". Het nummer bereikte de tweede plaats in de Billboard Hot 100 en werd van de eerste plaats gehouden door "Oh, pretty woman" van Roy Orbison.

The Newbeats konden het succes van "Bread and butter" niet meer evenaren. Ze scoorden nog zes Amerikaanse hits, waarvan de opvolger "Everything's alright" uit 1964 en "Run, baby run (Back into my arms)" uit 1965. The Newbeats gingen uiteindelijk in 1974 uit elkaar. Henley bleef nadien actief als componist voor anderen. Zo schreef hij mee aan het nummer "Wind beneath my wings" van Bette Midler en kreeg daar in 1990 de Grammy Award voor het beste lied voor. De melodie van "Bread & Butter" werd in 1990 gebruikt door De Nieuwe Snaar voor hun lied "De Pré Historie", naar aanleiding van de gelijknamige radio- en televisieserie. Dit is die formidabele single uit 1965 "Run Baby Run" / "Mean Wooly Willie"


maandag 29 januari 2024

Leadbelly

Huddie William Ledbetter wordt op 29 januari 1889 bij Mooringsport in Louisiana geboren. Zijn geboortejaar staat niet voor 100% vast en varieert van 1885 tot 1901. 

Ledbetter groeit uit tot een legendarische folkblues-zanger annex -gitarist. Leadbelly behoort tot de eerste generatie zwarte artiesten uit de Verenigde Staten die hun muziek op de plaat weten vast te leggen. In de periode 1933- 1948 maakt hij, aanvankelijk alleen voor het culturele schatbewaardersinstituut Library Of Congress, maar vanaf 1940 ook voor meerdere platenlabels, waaronder het roemruchte Folkways Records, meer dan 400 opnamen, die gedeeltelijk onuitgebracht blijven. Zijn muziek is een doorsnee van wat er rond 1900 aan zwarte muziek wordt gemaakt. Zijn enorme repertoire wordt naast de gebruikelijke blues gevormd door cajun, worksongs, ballades, spirituals en dansnummers. Folklorist John Lomax is als werknemer van de Library Of Congress verantwoordelijk voor de ontdekking van Leadbelly, wanneer hij hem in 1933 tijdens veldwerk aantreft in de staatsgevangenis van Louisiana, Leadbelly zit een starf uit vanwege moord. Hij is het ook die Leadbelly introduceert bij het blanke publiek, gepresenteerd als moordenaar, Demon en King Of The Twelve-String Guitar. 

De invloed die Leadbelly dank zij deze promotie op de blanke folkmuziek heeft, is groot en werkt lang na (Skiffle, Bob Dylan) Leadbelly maakt na zijn vrijlating in 1940 ook deel uit van The Headline Singers, samen met Woody Guthrie en het latere bluesduo Sonny Terry en Brownie McGhee. In 1948 moet hij een Europese tournee inkorten wegens ziekte, waaraan hij een jaar later, op 6 december 1949 overlijdt. Hoe oud Leadbetter geworden is hangt af van zijn geboortejaar.

zondag 7 januari 2024

Cyril Davies

Harmonica speler Cyril Davies overlijdt op 7 januari 1964 aan de gevolgen van leukemie. 

Cyril Davis wordt in 1932 geboren in Denham in het graafschap Buckinghamshire en staat bekend als één van de meest legendarische figuren in de Britse r&b. In de jaren vijftig speelt Davies banjo in diverse jazz-combo's. Daarna neemt hij actief deel aan de skiffle-rage. Tijdens een optreden ontmoet hij Alexis Korner, met wie hij snel bevriend raakt. Samen openen ze de eerste R&B-club, de London Blues & Barrelhouse Club, die korte tijd later wegens gebrek aan belangstelling moet worden gesloten.
 Een tweede poging in 1961 met een pub in Ealing levert meer succes op. Op 17 maart 1962 maakt Blues Incorporated, de door Davies en Korner geformeerde groep, daar haar debuut. Het betekent de start van de R&B-boom die in 1964 met groepen als Rolling Stones, Yardbirds, Manfred Mann en Pretty Things zijn hoogtepunt bereikt. De eerste bezetting van Blues Inc. is: Cyril Davies (harmonika, zang), Alexis Korner (gitaar, zang), Dick Heckstall-Smith (saxofoon) en Charlie Watts (drums). Eind 1962 verlaat Cyriel Davies Blues Inc. om een eigen groep te beginnen: Cyril Davies R&B All Stars. Long John Baldry gaat met hem mee. De rest van de groep bestaat uit Bernie Watson (gitaar), Ricky Fenson (bas), Carlo Little (drums) en Nicky Hopkins (piano). Als Nicky Hopkins in mei 1963 de groep verlaat, wordt zijn plaats ingenomen door Keith Scott. Gitaarhelden als Jimmy Page en Jeff Beck doen hun eerste ervaring op bij Cyril Davies. Van de weinige opnamen die de All Stars maken, krijgt Country Line Special, een legendarische jam, de meeste bekendheid. Het enorme succes van de door hem op gang gebrachte stroming heeft Cyril Davies niet mee mogen maken. Cyril Davies is 32 jaar geworden.

De Hootchy-Kootchy

In de Chess Studio in Chicago neemt Muddy Waters op 7 januari 1954 zijn later beroemd geworden (I'm Your) Hoochie Coochie Man op. 

(I'm Your) Hoochie Coochie Man is geschreven door Willie Dixon. Het is de eerste succesvolle combinatie van Muddy Waters met Willie Dixon. De Hootchy-Kootchy is oorspronkelijk een buikdans, gedemonstreerd door de danser Little Egypt op de Wereldtentoonstelling van 1893 in Chicago (Columbia Exposition) en veroorzaakte destijds een schandaal.

 (I'm Your) Hoochie Coochie Man blijkt een populair nummer te zijn, en is ondermeer gecoverd door: Alexis Korner (1963), Dave Berry (1964), Dion (1964), Graham Bond Organisation (1965), Manfred Mann (1965), Sam The Sham & The Pharaohs (1965), Junior Wells (1966), John Mayall (1966), Tim Hardin (1967), Steppenwolf (1968), Jimi Hendrix (1968), The Allman Brothers Band (1970), Motorhead (1983), Supertramp (1988), Eric Clapton (1994) en King (2000).

vrijdag 5 januari 2024

Scrabled Eggs

Dat we John Lennon en Paul McCartney tot de belangrijkste componisten van de 20ste eeuwse lichte muziek rekenen, is zeker geen euforische overdrijving.  Alleen al omwille van één melodie zijn ze onsterfelijk te noemen, het haast klassiek getinte Yesterday, al weten wij met z’n allen dat het nummer door Paul in zijn eentje werd geschreven.

Oorspronkelijk verscheen Yesterday op de elpee Help (augustus 1965) en was tevens de titelsong van een eepee  (single met vier tracks) die een jaar later werd uitgebracht. Het nummer in Engeland  op single uitbrengen, durfden zij volgens Paul niet omdat het té soft klonkt voor een rockgroep. Het is ook een nummer waarin hij als solist optreedt en zij hadden vooraf afgesproken dat zij als groep naar buiten zouden treden, zeker in hun thuisland.  De  elpee Help verscheen een jaar nadat The Beatles iedereen hadden verrast met de film A hard day’s night. Hun tweede film Help zou een even groot succes worden,  net als de soundtrack. September 1965 stond de elpee wereldwijd op nummer 1 .

Ook al klinkt Yesterday als een heuse love ballad, toch deed de werktitel aanvankelijk  een andere inhoud vermoeden. Paul McCartney, die voor 90 % verantwoordelijk is voor deze popklassieker, noemde het liedje in  zijn broeifase  Scrambled eggs.   Op een  vroege ochtend werd hij wakker in de woning van de familie Asher aan de Wimpole Street in Londen. Paul had in die tijd een relatie met Jane Asher ( haar broer Peter maakte deel uit van het populaire duo Peter and Gordon). Hij had de melodie compleet in zijn hoofd. Aan het uiteinde van zijn bed stond in de buurt van het raam een piano. Hij kon de melodie zo meteen uit het blote hoofd spelen. Daarom dat Paul dacht dat hij het ooit ergens had opgepikt. Hij had wel nog geen tekst en noemde het liedje gewoonweg Scrambled eggs. De enige tekst die hij er die ochtend speels bij verzon was “Oh my baby how I love your legs”. Hij liet het liedje in zijn ruwste vorm horen aan George Martin toen zij op concertreis waren in Parijs.

Tussen de 16de januari en de 4de februari 1964 traden zij negen maal op in de Parijse Olympia en verbleven al die tijd in het hotel George V. Het is hier dat George Martin dus Scrambled eggs voor het eerst hoorde. Paul speelde toen al met de gedachte het liedje Yesterday te noemen. Paul ging van de 27ste mei tot midden juni met vakantie in  het Portuges stadje Albufeira.  Hij was daar samen met Jane op vakantie. Zij logeerden in de villa van Bruce Welch van The Shadows. Op de terugweg naar de luchthaven, 270 km lang, schreef Paul met Bruce aan het stuur, al tokkelend op een gitaar die hij van Bruce geleend had, de volledige tekst van Yesterday .

Yesterday
All my troubles seemed so far away
Now it looks as through they’re here to stay
Oh I believe in yesterday.

Maandag 14 juni 1965, twee dagen nadat Jane Asher en Paul teruggekeerd waren van hun vakantie in Portugal, had de opname plaats in de Abbey Road studio’s in Londen. Je zou het gerust een soloproject mogen noemen, want noch John Lennon, noch  Ringo Starr, noch George Harrison namen  aan die opnamesessie deel, al waren zij wel aanwezig, want zij hadden net voordien gezamenlijk de nummers I’m down en I’ve Just seen a Face opgenomen. John, George en Ringo vonden dat zij als groep aan Yesterday niets konden toevoegen en dat Paul het in zijn eentje in de verf moest zetten. Wel werd er op aanraden van George Martin een strijkkwartet bijgehaald. Martin had een klassieke opleiding aan  the Guildhall School of Music genoten en kon goed overweg met ernstige muziek. Paul had het nummer eerst ingeblikt met alleen een akoestische gitaarbegeleiding. Hij zag het niet zitten daar een strijkwartet aan toe te voegen omdat hij het té klassiek vond. Maar uiteindelijk kon Martin hem toch overtuigen. Voor dit kwartet deed Martin een beroep op de violisten Tony Gilbert en Sidney Sax , cellist Francisco Gabarro  en altviolist Kenneth Essex. We mogen jiet vergeten te vermelden dat McCartney het nummer eerst niet zelf wilde opnemen. Hij had het eerst doorgespeeld aan Chris Farlowe en nadien aan Billy J.Kramer van The Dakotas, maar die hadden beleefd geweigerd.

Paul McCartney beschouwt Yesterday nog steeds als de meest complete song die hij ooit heeft geschreven. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat hij dit liedje altijd is blijven koesteren, ook na zijn Beatlesperiode. Zo kan u het bijvoorbeeld nog eens terughoren op de  elpee Wings over America. Deze elpee was de live-registratie van de wereldtournee die hij met zijn groep Wings in 1976 op het getouw had gezet. Tijdens een periode van dertien maanden deden zij tien landen aan. Tijdens deze tournee zong McCartney niet alleen nieuwe songs, maar ook een  aantal Beatles hits die de groep zelf nooit live had uitgevoerd. Songs zoals  The long and winding road,  Lady Madonna, Blackbird  en Yesterday  kwamen op de playlist voor .

Zeven jaar na datum bestonden er van Yesterday 1186 opgenomen versies in alle toonaarden, gaande van: Pat Boone en Cilla Black, over Nat King Cole en Perry Como tot en met Otis Redding en Frank Sinatra. In Engeland  geraakten, naast The Beatles, nog enkele collega’s van hen met Yesterday tot in de top 5O: Matt  Monro stond in oktober 1965 op 8 , de maand daarop Marianne Faithfull op 36 en in de maand december 1967 Ray Charles op 44. Charles was ook diegene die in de Amerikaanse top 100 het hoogst scoorde met zijn  coverversie. In de maand november  van 1967 hield Ray Charles  singleversie van Yesterday  halt op plaats 25. Minder bekend bij ons is de Franse versie die Hugues Aufray meteen uitbracht als  Je croyais.  In Nederland slaagden ze er in enkele dwaze versies op plaat te zetten: Ria Valk, Ivo de Wijs, Sjef Van Oekel en niet te vergeten in 1966 Rijk de Gooyer

Yesterday
’ t Was gewoon een doordeweekse day
Zat ik allenig in een soort café
Verdrietig achter ’n slappe thee
Yesterday
Plotseling zaten we daar met z’n twee
En na een uurtje werd ik vreselijk wee
Toen zij d’r hand op de mijne lee.

Door de jaren heen werd Yesterday met prijzen overladen. In 1966 had McCartney al de “Ivor Novello Award” in ontvangst mogen nemen voor deze compositie. Yesterday werd in Amerika uitgeroepen tot de meest favoriete song van 1965. Tussen het jaar van release en 1973 was het het meest gedraaide nummer op de Amerikaanse radio: méér dan zes miljoen keer. In 1999 stond Yesterday bovenaan de lijst van beste songs van de twintigste eeuw. Intussen werd de grens van drieduizend coverversies ruim overschreden.