De panfluit bestaat uit naast elkaar liggende, cilindrische rieten buizen, variërend in aantal van 3 tot 14. Deze buizen worden door twee horizontale latjes samengehouden. Maar er waren ook panfluiten die uit ivoor of uit hout werden gesneden.
Foto: particuliere collectie
Foto links : Museé Alésia, Alise-Saint-Reine
Foto rechts: Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek
Door te blazen aan de bovenkant in laat men de lucht rillen in de buis. De toonhoogte van de buis is onafhankelijk van de lengte van de buis: hoe korter, hoe hoger de toonhoogte. Aangezien vroeger de pijpen altijd even lang werden geconstrueerd, gebruikte men een ander procédé. Met stopte bijenwas in de buizen tot men de gewenste toonhoogte voor die welbepaalde buis wilde hebben. Belangrijk voor de standvastigheid van de toon is om de was goed aan te stampen. De was werd ook gebruikt om eventuele krassen of kleine openingen in de wand van de buis te dichten. Ook de binnenkant van de randen van de fluit werden ingewreven om een optimaal geluid te krijgen. Later werden de buizen zodanig geconstrueerd dat ze al verschillende lengtes hebben (Cf. foto panfluit uit Alesia). Meestal, en dit is merkwaardig misschien, wordt zo gespeeld dat de laagste toon rechts, de hoogste toon links ligt. Dit verschilt bijvoorbeeld met de piano, waar men van links laag begint en rechts hoog eindigt. Hoewel de panfluit het herdersinstrument bij uitstek wordt en dus vaak door iemand alleen wordt bespeeld, zien we vaak op afbeeldingen dat de panfluit ook gecombineerd samen met de harp, kithara en slaginstrumenten zoals de krotala en de tympanon.
De voorloper van de panfluit kenden de Grieken ook, een eenstemmige syrinx, waarbij in een buis verschillende gaatjes werden geboord. Daarnaast kenden ze ook de dwarsfluit (plagiaulos), die vanuit Egypte kwam overgewaaid. Men blies hierbij over het open uiteinde van een buis heen of over een gat - zoals de moderne dwarsfluit - aan de zijkant van de buis.
Foto: Allard Pierson Museum Amsterdam