donderdag 15 april 2021

Jazz en Nederland (deel 4): Dutch Swing

De bevrijding op 5 mei 1945 schept terstond nieuwe werkgelegenheid voor de Nederlandse jazz- en dansorkesten. Die eerste dag geeft het Quartet of the Dutch Swing College een openluchtconcert in Den Haag. De groep beoefent het Benny Goodman-idioom en staat onder leiding van pianist Frans Vink, met verder klarinettist Peter Schilperoort, bassist Henny Frohwein en drummer Tonny Nüsser. Later wordt de groep uitgebreid, het accent komt op oudere jazz te liggen en Schilperoort neemt de leiding over. De Dutch Swing College Band zal een van de succesvolste dixieland-bands ter wereld worden.

In Hilversum gaat een zuiveringscommissie aan het werk, die de meeste radiomusici vrijpleit van collaboratie. Alleen Theo Uden Masman en Dick Willebrandts krijgen een lichte sanctie: beiden mogen een half jaar lang geen orkest leiden. (Ernst van ‘t Hoff was in mei 1944 door de Nederlandsche Omroep ontslagen en had definitief de wijk genomen naar België.)

The Ramblers komen niettemin meteen terug, tijdelijk onder leiding van drummer Kees Kranenburg, maar zij zullen bij hun optredens enige tijd te kampen hebben met protesten en demonstraties van voormalige verzetsstrijders.

De kern van het Dick Willebrandts-orkest gaat, zonder de leider, onder de naam Blue Stars voor het Amerikaanse leger in België optreden. De band staat korte tijd onder leiding van Willy Kok; daarna wordt trombonist-arrangeur Pi Scheffer de leider. Onder zijn bewind gaat het orkest als The Skymasters voor deAVRO werken.

De Dutch Swing College Band gaf de stoot tot het succes van de oudestijl-jazz in de periode 1946-1966. Direct na de bevrijding trad de groep op als ‘The Quartet of the Dutch Swing College onder leiding van Frans Vink Jr.’; toen het aantal musici de vier overtrof, ging de groep verder onder de naam ‘The Orchestra of the Dutch Swing College’.

In de oorlogsjaren hadden Peter Schilperoort (1919-1990) en zijn makkers in Den Haag wat ondergrondse Swing-muziek geproduceerd. Na de oprichting van de Dutch Swing College Club in 1944 besloten klarinettist Schilperoort en pianist Frans Vink (1918-1967) een huisorkest te beginnen, waarmee de kiem werd gelegd voor de latere DSC. Het orkest won snel aan populariteit, trok al spoedig over de grens om ook in België met veel enthousiasme te worden ontvangen, speelde vanaf 1948 voor de radio, en registreerde op 10 juli 1948 zijn eerste 78-toerenplaat Strange Peach/Apex Blues voor Decca. Met musici als Kees van Dorsser (tp), Wim Kolstee (tb), Schilperoort (kl, bars), Dim Kesber (kl, as), Joop Schrier (p), Dick Bakker en wat later Joop van Leeuwen (gtr, bjo), Chris Bender en later Bob van Oven (b), en Arie Merkt (drs) bouwde de band een internationale reputatie op.

Naast de Dutch Swing College Band waren er de in 1946 opge­richtte Dixieland Pipers onder leiding van pianist Eric Krans (1923-1975), een broeinest van jong talent. Dan was er de in 1949 opgerichte Down Town Jazz Band onder leiding van pianist Roefie Hueting (die van mening was dat de DSC véél te modern speelde). Beide orkesten maakten talrijke platen, de Dixieland Pipers in een bezetting met twee trompetten en een zeer authentiek repertoire. De Down Town Jazz Band maakte vooral furore door in 1955 de AVRO Jazzcompe­titie (afdeling ‘oudestijl’) te winnen.

In 1952 staken de New Orleans Seven van wal, nu eens met musici die níet allemaal uit Den Haag kwamen. Ook dit orkest – met onder anderen tekenaar Frits Müller op klarinet en de latere literator F.B. Hotz (1922-2000) op trombone – kreeg een grote populariteit (onder meer door een paar uitstekende ep’s) en won heel wat concoursen, waaronder de eerste AVRO Jazzcompetitie in 1954 en het eerste Loosdrecht Jazz Concours in 1958. Van de vele oudestijl-orkesten die in Nederland actief waren, verdienen ook de New Orleans Syncopators vermelding. Dit in 1954 door pianist Jan Burgers opgerichte orkest zag brood in het ‘verjazzen’ van liedjes als Wenn der Weisse Flieder, Tulips from Amsterdam, In der Grossen Stadt Zaltbommel en de eerste echte hit Midnight in Moscow. De puristen kregen er de rillingen van, het grote publiek vond het prachtig.

Pia Beck verliet in september 1949 The Millers om zelfstandig furore te maken. In haar trio, dat veelal optrad in de Vliegende Hollander in Scheveningen (toen nog een echt uitgaanscentrum) speelden in de loop van de tijd musici als de drummers Johnny Engels jr. en Cees See, de bassisten Fred Loggen, Eddie de Haas, Henk Bosch van Drakestein (1928-1993) en Dick van der Capellen, en de gitaristen Carel de Vogel, Jan Blok (1924-1995) en Robbie Pauwels. In 1950 nam ze de plaat Pia’s Boogie op. Het werd een soort jazzvolkslied, dat iedere zichzelf respecterende schoolfeestjespianist moest kunnen spe­len. Ook pianisten als Hein van der Gaag en Rob Hoeke (1939-1999) stortten zich later met succes op de boogie woogie.

Pia Beck timmerde ook internationaal aan de weg. Ze trad op voor de Britse tv (1950), en speelde in de VS in Birdland, de Down Beat Club en voor het radiostation WNYC. Ze was in Neder­land regelmatig op de radio te beluisteren, maar haar hart trok naar Spanje waar ze in 1965 een eigen zaak in Torremolinos begon.

In Amsterdam woonde en werkte accordeonist Johnny Meijer (1912-1992). Zijn Swingwerk voor de radio, op de plaat en in Amsterdamse cafés was van hoog niveau en in 1953 werd hij in de Parijse Salle Pleyel tot ‘le Roi d’Accordéon’ gekroond. Meijer trok nimmer naar de VS om daar zijn loopbaan uit te bouwen, ‘de Am­sterdamse Jordaan was veel gezelliger’. Zijn Haagse collega Matthieu Schwartz, die bij The Millers had gespeeld, waagde in 1952 wel de sprong naar Amerika. Als Mat Mathews zou hij daar uitgroeien tot een gevierde jazz-accor­deonist.

Van grote betekenis voor de Nederlandse moderne jazz waren Wessel Ilcken en Rita Reys. Wessel Ilcken (geboren in 1924 en overleden aan de gevolgen van een waterski-ongeval in 1957) was de eerste echt modern spelende drummer in Nederland. Hij verdiende zijn eerste sporen in het orkest van Piet van Dijk. In 1945 huwde hij de zangeres van dat orkest, Rita Reys. De Wessel Ilcken Combo speelde in de Amsterdamse club Hollywood (1950-1952), boekte veel succes in Zweden (1953) en trad op met internationale grootheden zoals de Zweden Lars Gullin (bars) en Bengt Hallberg (p), en de Amerikanen Dizzy Gillespie (tp), Joe Carroll (vcl), Tony Scott (kl), Herbie Mann (fl, ts) en Bob Cooper (ts).

Drummer Wessel Ilcken speelde een hoofdrol op de eerste Nederlandse moderne-jazzopnamen, de series Jazz From Holland(1955) en Jazz Behind The Dikes (1955-’57). Zes jaar na zijn noodlottig ongeval werd de belangrijkste Nederlandse jazzprijs naar hem genoemd. In 1963 was saxofonist-klarinettist Herman Schoonderwalt de eerste winnaar van de Wessel Ilcken Prijs; een jaar later werd orkestleider-arrangeur Boy Edgar bekroond.

Zangeres Rita Reys trad in 1942 de jazzwereld binnen via de band van Lex van Spall en zong daarna bij Ted Powder, Piet van Dijk en de combo van haar echtgenoot Wessel Ilcken. In de jaren vijftig kreeg zij de erenaam ‘Europe’s First Lady Of Jazz’, er volgde een tournee naar Engeland en zelfs een aantal optredens in de VS, waar ze zong en platen opnam met onder anderen drummer Art Blakey en de Jazz Messengers, en accordeonist Mat Mathews (1956-’57). Na de dood van Wessel Ilcken trouwde ze in 1960 met Pim Jacobs (die piano had gespeeld in het Wessel Ilcken Combo) en bouwde ze haar roem verder uit met concerten door heel Europa, zeer geslaagde langspeelplaten en een Edison (1961). Voor velen geldt zij als de belangrijkste Nederlandse jazz-zangeres.

Pim Jacobs (1934-1996) zou carrière maken als pianist en presen­tator op radio en tv. Zijn broer Ruud Jacobs ontpopte zich als een formidabele bassist, die in 1958 met de internationale Tower of Babel Band op het Newport Jazz Festival mocht spelen. De Nederlandse jazzliefhebbers kozen hem jaar na jaar tot bassist nummer één in hun polls, maar desondanks koos Ruud Jacobs voor een baan in de platenbusiness en trad hij nog maar incidenteel op. In 1961 diende zich nog een nieuweling aan, die grote bekendheid zou verwerven in de Nederlandse jazz en lichte muziek: pianist Louis van Dijk, de winnaar van het Loosdrecht Jazz Concours van dat jaar.

donderdag 18 maart 2021

Le Temps des Cerises

Le Temps des Cerises is een Frans liefdeslied, eigenlijk een strijdlied uit 1866, dat sindsdien wereldwijd uitgegroeid is tot een klassieker.
De tekst is geschreven door Jean-Baptiste Clément, de muziek door Antoine Renard.

Het lied wordt sterk geassocieerd met de Commune van Parijs (1871). De Parijzenaar Jean-Baptiste Clément (1837–1903) groeide op in een tijd van stijgende politieke bewustwording van de arbeiders en hij was vol hoop bij de oprichting van de Eerste Internationale in 1864. Toen in de lente van 1871, na de Frans-Duitse Oorlog en de uitroeping van de Franse Republiek, de ‘Parijse Commune’ ontstond, was hij een geestdriftige aanhanger. Overmoedig grepen de revolutionairen de macht, verklaarden de hoofdstad onafhankelijk, en kondigden allerlei sociale maatregelen af. De Commune duurde slechts een tweetal maanden, van 18 maart tot 28 mei 1871.

De Commune wordt uiteindelijk neergeslagen door de Franse troepen en een ultiem gevecht op het kerkhof “Père LaChaise” op 28 mei 1871. 157 Communards worden gefusilleerd bij de “Mur des Fédérés”. Het is einde van de “Semaine Sanglante”.
Haar belegering en repressie kostten het leven aan meer dan twintigduizend opstandelingen en zo’n achthonderd soldaten. Jean-Baptiste Clément vocht mee aan de zijde van ‘de communards’.
De laatste dag van de strijd ontmoette hij op de barricade een arbeidster, Louise. Zij was te hulp gesneld om de gewonden te verzorgen. Clément droeg zijn vijf jaar oude gedicht Cerises aan haar op.
Later groeide het lied voor de onbekende verpleegster op de barricade uit tot een zinnebeeld, een kenwijsje en een klassieker van het franse chanson.

Quand nous en serons au temps des cerises (Quand nous chanterons le temps des cerises)
Et gai rossignol et merle moqueur
Seront tous en fête
Les belles auront la folie en tête
Et les amoureux du soleil au cœur
Quand nous chanterons le temps des cerises
Sifflera bien mieux le merle moqueur

Mais il est bien court , le temps des cerises
Où l'on s'en va deux cueillir en rêvant
Des pendants d'oreilles
Cerises d'amour aux robes pareilles (aux larmes pareilles)
Tombant sous la feuille en goutte de sang
Mais il est bien court le temps des cerises
Pendants de corail qu'on cueille en rêvant

Quand vous en serez au temps des cerises
Si vous avez peur de chagrins d'amour
Evitez les belles
Moi qui ne crains pas les peines cruelles
Je ne vivrai pas sans souffrir un jour
Quand vous en serez au temps des cerises
Vous aurez aussi des chagrins d'amour

J'aimerai toujours le temps des cerises,
C'est de ce temps-là que je garde au cœur
Une plaie ouverte
Et Dame Fortune en m' étant offerte
Ne saura jamais calmer ma douleur (Ne pourra jamais fermer ma douleur)
J'aimerai toujours le temps des cerises
Et le souvenir que je garde au cœur

In een liedbundel uit 1885 droeg Clément het op aan "la vaillante citoyenne Louise, ambulancière de la Rue Fontaine-au-Roi, le dimanche 28 mai 1871" en die hij nooit meer terugzag. Zijn liefdeshoop werd geïdentificeerd met politico-sociale verzuchtingen omdat genoemde barricade de laatste was die in handen bleef van de Communards. Clément, die wist te ontvluchten en tien jaar in ballingschap in Brussel en Londen verbleef, merkte bij zijn terugkeer tot zijn grote ontroering dat zijn romantische bevlogenheid intussen het hart had gestolen van de hele Franse goegemeente.

Eerste uitvoerder was de Belgische tenor Antoine Renard die in 1868 de tekst van Jean Baptiste Clément in zijn loge kreeg toegestopt. Die tekst was al van 1866, vijf jaar vóór de Parijse Commune. Meest bekende nummer uit die periode en een universeel links strijdlied sedertdien.

maandag 15 maart 2021

Jazz en Nederland (deel 3): de bezetting


Nadat Duitsland in mei 1940 Nederland heeft bezet, lijkt alles aanvankelijk op de oude voet door te gaan. De gemobiliseerde muzikanten nemen hun plaats in de orkesten weer in. Engelse (en ‘joodse’) muziek wordt weliswaar verboden, maar zolang Amerika niet in oorlog is met Duitsland, geldt dat verbod niet voor de Amerikaanse muziek van bijvoorbeeld Glenn Miller.

Op het Jazzwereld-Feest wordt opgetreden door onder anderen The Moochers onder leiding van trompettist-componist Boy Edgar, een Jam Session-combinatie (met musici als saxofonist Tinus Bruijn, bassist Eddie Hamm en drummer Maurice van Kleef, die onder meer Blue Lou en Honeysuckle Rosevertolken), en The Swing Papas met klarinettist Peter Schilperoort en trompettist Joost van Os.

Intussen groeit bij het Nederlandse publiek de honger naar amusement en vertier. The Ramblers van Theo Uden Masman en de band van de Deense entertainer Boyd Bachman vieren overal in Nederland triomfen. Het orkest van pianist Ernst van ‘t Hoff verovert met zijn gedisciplineerde Swingmuziek ook een grote bekendheid. In 1941 en 1942 maakt Van ‘t Hoff uitgebreide tournees door Duitsland, waar een grote behoefte aan buitenlandse orkesten en musici bestaat, doordat de meeste Duitse muzikanten voor de Wehrmacht zijn opgeroepen.

Orkestleden als klarinettist Cees Verschoor, de saxofonisten Tonny Helweg en Tinus Bruijn, trompettist Rinus van den Broek en trombonist André Smit benutten hun verblijf in Berlijn om ook met Duitse en internationale studiocombinaties platen te maken. Van den Broek en Smit (en ook andere Nederlandse muzikanten) spelen zelfs mee op talrijke Berlijnse opnamen van Charlie and his Orchestra. Dat internationale orkest levert voor Duitse propagandazenders, die op Engeland zijn gericht, vertolkingen van populaire Engelse en Amerikaanse songs die voor de gelegenheid zijn voorzien van anti-Britse, anti-Amerikaanse en antisemitische teksten.

Tegelijkertijd geeft de Ernst van ‘t Hoff-band tijdens de engagementen in het Berlijnse top-etablissement Delphi-Palast muzikale signalen van verstandhouding aan de Duitse ‘Swingfreunde’. De herkenningsmelodie Alles wird gut begint met het viernotige thema van Beethovens vijfde symfonie, dat tevens het wereldberoemde pauzemotief van de BBC-radio is – een toespeling die het Duitse publiek niet ontgaat.

Na de Duitse inval in Rusland, in juni 1941, wordt in Nederland een dansverbod afgekondigd. Jazz- en amusementsorkesten kunnen vanaf dat moment alleen nog in theaters optreden. Dat leidt in hun muziek tot een versterking van het element show (‘schouw’ in het Dietse jargon van die dagen). De Nederlandse WA doet soms invallen tijdens voorstellingen, om op te treden tegen al te uitbundig gedrag van het publiek en tegen het spelen van verboden muziek. In het voorjaar van 1942 wordt het Nederlandse muzikanten verboden Engelse titels en orkestnamen te gebruiken. The Ramblers dopen zichzelf om tot ‘Theo Uden Masman en zijn dansorkest’. The Moochers noemen zich voortaan ‘De Moetschers’.

In maart van datzelfde jaar vaardigt het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten het Verbod van negroide en negritische elementen in dans- en amusementsmuziek uit:

Nederlandse musici mogen het woord ‘jazz’ niet meer gebruiken om hun muziek aan te duiden. Ook is een lange reeks met name genoemde jazz-effecten voortaan verboden: ‘de toepassing van den “growl” op koperen blaasinstrumenten’, ‘het zogenaamd “scat”-zingen’, ‘de toepassing van “hot”-intonaties’, ‘alle toepassing van ostinate “licks” en “riffs”, meer dan driemaal achtereen voor een solist, meer dan zestienmaal achtereen voor een sectie of voor twee of meer secties’, ‘de “boogie-woogie”, “honky-tonk” of “barrelhouse”-stijl’, ‘het gebruik van “plungers” en “wah-wah”-dempers’, ‘stop “chorussen” voor slagwerk behalve voor koperen bekkens’ en ‘het aanwenden van een langdurig volgehouden “offbeat”-effect’.

Nu het Nederlanders officieel is verboden jazz te spelen, leggen sommige jazzmusici zich toe op de ‘Hawaiian Swing’, die een grote populariteit bereikt. In de ‘M-A-U-I Eilanders’ van Hawaiian-gitarist Han de Willigen spelen bijvoorbeeld vibrafonist Coen van Nassau en gitarist Jan Mol. De latere pianiste-entertainer Pia Beck begint haar loopbaan als lid van de ‘Samoa-girls’, een zanggroep die onder meer optreedt met het orkest van Ernst van ‘t Hoff.

De joodse musici worden, net als de overige Nederlandse joden, vanaf juli 1942 opgeroepen voor deportatie. Sommigen duiken onder, zoals violist-trompettist Sem Nijveen. Die andere violist uit Groningen, Benny Behr, belandt laat in de oorlog in het ‘Durchgangslager Westerbork’ en wordt daar op 12 april 1945 bevrijd.

Vele anderen gaan via Westerbork naar de vernietigingskampen in Polen en worden daar vermoord, zoals de saxofonisten Sal Doof en Hans Mossel (de vooroorlogse leider van het AVRO Dansorkest), trompettiste Clara de Vries en het populaire zang-duo Johnny & Jones (Nol van Wezel en Max Kannewasser, die in Westerbork nog in de kamprevue optreden, alvorens via Theresienstadt in Bergen-Belsen te belanden, waar ze voorjaar 1945 sterven).

Voor niet-joodse beroepsmuzikanten blijft er ruimschoots werkgelegenheid in Nederland. Theo Uden Masman en zijn dansorkest spelen voor de genazificeerde Nederlandsche Omroep (onder andere tijdens ‘Winterhulp’-uitzendingen) en geven daarnaast concerten voor de ‘Duitsche Weermacht’, voor het ‘Nederlandsch Arbeidsfront’ (de nazi-vakbeweging) en voor ‘Frontzorg Nederland’, de organisatie die wat vrolijkheid wil brengen voor familieleden van de 22.000 Nederlandse SS’ers en daarnaast geld inzamelt voor de nabestaanden van hen die aan het Oostfront vielen.

De Nederlandse jazzliefhebbers draaien thuis de platen uit hun vooroorlogse collecties en organiseren af en toe in besloten clubverband lezingen-met-platen of huisfeestjes met amateur-orkesten. In Den Haag blijft The Dutch Swing College op die manier actief. In Zaandijk viert de Hot Record Club in augustus 1944 zelfs haar eerste lustrum, en kan dan terugblikken op lezingen en causerieën over ‘Jazz en haar Cultureele Waarde’ (november 1940), ‘Blues’ (februari 1942) en ‘Zang in Jazzmuziek’ (april 1944).

Voor de beroepsmuzikanten in Hilversum dreigt in 1944, net als voor alle andere Nederlandse mannen tussen de achttien en veertig jaar, de Duitse Arbeidsinzet, waarvoor regelmatig razzia’s worden gehouden. De Duitse hot-violist en orkestleider Helmut Zacharias, die met zijn ‘Unterhaltungsorchester’ (in werkelijkheid onderdeel van het ‘Musikkorps des Wehrmachtbefehlshabers’) in Hilversum voor de Nederlandsche Omroep optreedt (en daarnaast enthousiast meedoet aan besloten jam-sessions) waarschuwt zijn Nederlandse collega’s enkele malen dat een razzia op til is (en moet dat bekopen met overplaatsing naar het Oostfront).

vrijdag 19 februari 2021

Mama Cass

Op 19 Februari 1941 wordt Ellen Naomi Cohen (op foto met haar moeder Bess) geboren, beter bekend als Mama Cass van The Mamas & The Papas. In de zomer van 1965 wordt ze, als laatste, lid van de groep van John & Michelle Philips en zijn de Mamas & Papas een feit.
Mama Cass was een prominent lid van The Mamas and the Papas, een succesvolle folkformatie die eind jaren zestig hits scoorde als Monday, Monday, California Dreaming, I Saw Her Again en Dedicated To The One I Love. Cass was een opvallende verschijning door haar tamelijk kolossale omvang.
Ze groeide op in Washington D.C.. Tijdens haar middelbareschooltijd kwam ze serieus in aanraking met muziek toen ze in de schoolmusical The Boyfriend een rol als Franse verpleegster speelde. Hierna stond haar besluit vast: ze wilde het toneel op. Druk van haar ouders om toch een universitaire graad te halen was aan dovemansoren gericht.
Ze vertrok naar New York en deed audities bij theatergezelschappen. In die tijd had ze haar naam al veranderd in Cass Elliot. Cass was de koosnaam die haar vader haar gaf (naar de Trojaanse prinses Cassandra, die evenals de jonge Ellen Naomi roodharig was) en Elliot was de naam van een overleden vriend die ze op deze wijze wilde gedenken.
Ze speelde in diverse stukken en ging zelfs de competitie aan met Barbra Streisand om een hoofdrol. Vrijwel gelijktijdig met haar stap op het toneel begon haar zangcarrière. Samen met Tim Rose en John Brown formeerde ze in 1963 een folkgroep genaamd Triumvirate, later omgedoopt tot “Big Three” toen James Hendricks de plaats had ingenomen van John Brown. Hoewel ze enig succes hadden in de vorm van optredens in landelijke televisieprogramma’s als The Tonight Show, Hootenanny en the Danny Kaye Show was de groep geen lang leven beschoren en viel de groep in de loop van 1964 uit elkaar.
In 1964 ontstond zo het kwartet genaamd Cass Elliot and The Big Three waarin o.a. deelgenomen werd door de Canadezen Denny Doherty en Zal Yanovsky. Al snel werd deze groep herdoopt tot The Mugwumps die opereerde vanuit een nachtclub in Washington. Ze brachten een single uit bij Warner Music, maar tegen het eind van het jaar viel ook deze groep uit elkaar. Elliot begon vervolgens aan een solocarrière in Washington, D.C.
Jimi Hendrix, Michelle Phillips en Mama Cass Elliott.
Denny Doherty had zich aangesloten bij John en Michelle Phillips en het trio trad op onder de naam The New Journeymen. Ze vertrokken naar de Maagdeneilanden waar Cass zich al snel bij hen voegde. De groep The Mamas and the Papas was geboren.
De groep scoort een reeks van top 10 hits waarvan de laatste, Dream A Little Dream Of Me, tevens de eerste solohit is van Mama Cass. Na haar vertrek uit The Mama’s & Papa’s begint ze aan een solo carriere. Haar solocarriere duurt helaas niet lang.
Tijdens een verblijf in Engeland, waar ze twee weken aaneenoptreedt in het London Palladium, overlijdt ze op 29 Juli 1974 aan een hartaanval. Aanvankelijk wordt gezegd dat ze gestikt is tijdens het eten van een broodje. Tijdens de lijkschouwing blijkt evenwel dat ze een hartaanval heeft gehad, veroorzaakt door overgewicht.
Mama Cass Elliot ligt begraven op het Court of Tanach, Mount Sinai Memorial Park in Los Angeles.

maandag 15 februari 2021

Jazz en Nederland (deel 2): 1940-1945

De jaren van oorlog en bezetting vormen voor de jazz in Nederland een periode vol dramatiek en paradoxen. De joodse musici, die voor de oorlog een belangrijke rol hebben gespeeld in de Nederlandse jazz en dansmuziek, worden in de loop van 1941 uit het openbare leven – en dus ook uit de jazz- en dansorkesten – verdreven. Velen van hen worden gedeporteerd en in de Duitse vernietigingskampen vermoord.

De Duitse bezetter verbiedt het spelen van Engelse en vanaf december 1941 ook Amerikaanse muziek (na de Japanse aanval op Pearl Harbor, die ertoe leidt dat de Verenigde Staten aan de Tweede Wereldoorlog gaan deelnemen). In 1942 vaardigt het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten zelfs een gedetailleerd Verbod van negroide en negritische elementen in dans- en amusementsmuziek uit.

Tegelijkertijd groeit de publieke behoefte aan jazz en amusementsmuziek. Talrijke Nederlandse orkesten hebben een overvloed aan werk: frequente optredens in het land en regelmatige radio-uitzendingen, eerst voor de gelijkgeschakelde omroepverenigingen, later voor de genazificeerde Nederlandsche Omroep. Ook is er lucratief werk voor Nederlandse musici in Duitsland en voor de propaganda-uitzendingen van de Deutsche Europa Sender.

Na de bevrijding ontstaat enige opschudding rond The Ramblers van Theo Uden Masman en de orkestleiders Ernst van ‘t Hoff en Dick Willebrandts, die collaboratie met de bezetter wordt verweten. Maar de meeste Nederlandse topmusici uit 1940-‘45 vinden spoedig hun plaats in de naoorlogse radio-orkesten: naast The Ramblers (VARA) ook The Skymasters (AVRO), het orkest Klaas van Beeck (KRO) en het Metropole Orkest (Nederlandse Radio Unie, de voorloper van de NOS).

donderdag 11 februari 2021

Gene Vincent

De later als rock & roll-zanger Gene Vincent bekend geworden Vincent Eugene Craddock wordt op 11 februari 1935 in Norfolk, Virginia geboren. 

Op twaalfjarige leeftijd krijgt Gene Vincent zijn eerste gitaar. Als hij zeventien jaar is, komt Vincent bij de Amerikaanse marine. In Japan overkomt hem een motorongeluk, waardoor hij zijn verdere leven mank loopt. Eenmaal uit dienst doet Vincent mee aan een auditie voor een radioprogramma. Daardoor krijgt hij een vaste plaats in het programma Country Showtime van WCMS. Korte tijd later schrijft Vincent in voor een auditie van platenmaatschappij Capitol. Hij wint en komt daardoor in contact met Sheriff Tex Davis. Samen schrijven zij in maart 1956 de slowrocker Be-bop-a-lula. Onder leiding van de befaamde producer Ken Nelson wordt het nummer op de plaat gezet. Het wordt een grandioze hit. Met zijn begeleidingsgroep The Blue Caps neemt Vincent een groot aantal rock & roll-nummers op: Race With The Devil, Gonna Back Up Baby, Bluejean Bop, Crazy Legs, Lotta Lovin', Dance To The Bop, Rocky Road Blues, Right Now en Wild Cat. De opnamen die hij in 1956 en 1957 samen met The Blue Caps (vrijwel allemaal tieners nog) maakt, behoren tot de beste momenten in de rock & roll. Met name de inbreng van gitarist 'Galloping' Cliff Gallup is van een adembenemende agressie en in die tijd grensverleggend. 

Zijn opvolger vanaf 1958, Johnny Meeks, is eveneens technisch zeer begaafd, maar hij mist de bezetenheid van Gallup. Op 17 april 1960, tijdens een tournee door Engeland, raken Gene Vincent en zijn vriend en collega Eddie Cochran betrokken bij een auto-ongeluk. Cochran wordt gedood en Vincent zwaar gewond. Het betekent een zware slag voor Vincent en gedurende twee jaar laat hij niets meer van zich horen. 

In 1962 vestigt Gene zich voor lange tijd in Engeland. Hij laat zich begeleiden door Engelse formaties als Beat Boys, Sounds Incorporated, Shouts en Puppets en treedt veelvuldig op in Engeland en Frankrijk. Vanaf 1964 maakt hij platen voor achtereenvolgens Columbia, Challenge, Dandelion en Kama Sutra. Met name de twee elpees op Kama Sutra zijn zeer sfeervolle platen, waarop de vrolijke rocker van weleer heeft plaatsgemaakt voor een weemoedige oude man van nog geen veertig jaar, die terugkijkt op zijn leven. Op 12 oktober 1971 overlijdt Gene Vincent op 36 jarige leeftijd te Newball bij Los Angeles aan een gesprongen maagzweer.

zaterdag 30 januari 2021

Elvis eerste album

Elvis Presley begint op 30 januari 1956 in de RCA Studios in New York aan de opnamen van zijn eerste LP. Presley wordt hierbij begeleid door gitarist Scotty Moore, bassist Bill Black, drummer D.J. Fontana en pianist Shorty Long. De nummers Blue Suede Shoes, My Baby Left Me, One-Sided Love Affair en So Glad You're Mine worden op 30 januari 1956 op de band vastgelegd. Een dag later worden I'm Gonna Sit Right Down And Cry en Tutti Frutti opgenomen. De opname-sessie voor het debuutalbum van Elvis Presley wordt op 3 februari 1956 afgesloten met Lawdy Miss Clawdy en Shake Rattle And Roll. Precies drie jaar later op 30 januari 1959 komt Elvis Presely op de eerste plaats in de Engelse hitlijst met de dubbele A-kant single One Night b/w I Got Stung. Het is voor Elvis Presley zijn derde nummer 1 hit in Engeland (All Shook Up en Jailhouse Rock zijn de andere twee). One Night b/w I Got Stung staat 5 weken op de eerste plaats.

vrijdag 15 januari 2021

Jazz en Nederland (deel 1): 1920-1939: The Penny Serenade

In 1920 deed de jazz als dansmuziek haar intrede in Nederland, maar al ver daarvoor waren hier Afro-Amerikaanse muziekuitingen te horen die als voorlopers van de jazz gelden. Zo traden in 1877 de Fisk Jubilee Singers op, een zwart gemengd koor van voormalige slaven, dat gepolijste spirituals zong. Dit protestants-christelijke gezelschap bezocht in een tournee van twee maanden de belangrijkste steden boven de grote rivieren en werd op paleis Het Loo ontvangen door koning Willem III. Met ragtime en cakewalk kon, behalve via Amerikaanse bladmuziek, worden kennisgemaakt tijdens optredens van de Amerikaanse marsenkoning John Philip Sousa, die in 1900 en 1903 met zijn band naar Nederland kwam.

Nederlandse componisten lieten zich al vroeg inspireren door Amerikaanse populaire muziek, zoals Jacq. Grit met zijn Masseltop Rag. Deze muziek kon in gedrukte vorm worden verspreid. Maar voor de doorbraak van de jazz was de grammofoonplaat essentieel. Het notenschrift kan niet de ritmische nuances aangeven die voor een element als swing zorgen en de Europese uitvoeringspraktijk kent niet de persoonlijke toonvorming die de jazzmuzikant kenmerkt. In 1917 maakte The Original Dixieland Jazzband, een blank vijftal uit New Orleans, in New York de eerste jazzplaten, die zeer goed werden verkocht. Ze traden in 1919 in Engeland op en werden ook daar populair.

Door de Eerste Wereldoorlog waren de Nederlandse contacten met de Verenigde Staten en Engeland tussen 1914 en 1918 grotendeels verbroken. Maar in 1919 kon de Amsterdamse dansleraar James Meyer naar Londen gaan om daar kennis te nemen van de nieuwste dansmode. Hij hoorde de ODJB en besloot dat hij in zijn dansschool ook zo’n kwintet moest hebben. In 1920 werd James Meyers Jazz Band opgericht, die onder leiding kwam te staan van Meyers huispianist Leo de la Fuente. Geschikte koperblazers waren niet te vinden, dus had het orkest de curieuze bezetting viool, fagot, piano, banjo en slagwerk. Er werd gespeeld van gedrukte arrangementen die een eigen interpretatie kregen, en er werd soms wat geïmproviseerd. In Den Haag richtte John van Brück in 1921 het tweede professionele Nederlandse jazzorkest op: The Royal Dancing Band, opnieuw een vijfmans combinatie.

Het woord ‘jazz’ werd gebruikt om de nieuwste Amerikaanse dansmode aan te duiden, maar wat het muzikaal betekende wist niemand precies. Die onduidelijkheid kwam later ook naar voren bij begrippen als Swing, bebop en free-jazz. In de Amerikaanse smeltkroes had muziek van zwarte Amerikanen zich vermengd met Europese invloeden, en daar werd het etiket ‘jazz’ op geplakt.

Het woord ‘jazz’ kwam dus eerder naar Nederland dan de muziek. De meeste mensen wisten niet beter dan dat het een nieuwe dans was, die wals en tango in populariteit naar de kroon stak. Symbolisch voor de jazz waren de zwarte beoefenaren en instrumenten als slagwerk, banjo en saxofoon; die zie je dus in allerlei afbeeldingen uit de jaren twintig bijvoorbeeld op bladmuziek en in de reclame.

De misverstanden omtrent de jazz werden in 1926 goed duidelijk. In dat jaar gaf Paul Whiteman, bijgenaamd ‘The King of Jazz’, met zijn Amerikaanse band concerten in het Scheveningse Kurhaus en het eerbiedwaardige Concertgebouw te Amsterdam. Voor het eerst werd de vraag ‘wat is jazz?’ in brede kring aan de orde gesteld. In een vraaggesprek met de muziekcriticus van De Telegraaf, L.M.G. Arntzenius, verklaarde Whiteman:

‘Jazz begon bij de negers; wij zijn op hun basis aan het werk gegaan. Jazz is een Amerikaanse kunstvorm geworden. Van negerkunst kunt ge niet meer spreken, de gehele ontwikkeling is Amerikaans.’

Het bezoek van Whiteman aan Nederland is uitvoerig gedocumenteerd, onder meer op film. Maar de Nederlandse optredens van het blanke jazzorkest The Georgians in 1925 en 1926 en van de zwarte sopraansaxofonist Sidney Bechet in 1926 verdienen zeker ook vermelding. Bechet zat in het orkest van de Black People Show, die veel publiek trok, maar weinig aandacht kreeg van de officiële kunstkritiek. Die begon pas over jazz te schrijven bij de komst van Paul Whiteman.

Een tweede mijlpaal, met name voor de beoefening en de verspreiding van de jazz in Nederland, is de oprichting van het orkest The Ramblers onder leiding van Theo Uden Masman in 1926. Vanaf 1929 maakte de band grammofoonplaten en in de jaren dertig begeleidden The Ramblers grote Amerikaanse solisten zoals tenorsaxofonist Coleman Hawkins, multi-instrumentalist Benny Carter en pianist Freddy Johnson.

Die verering vinden we onder meer in het maandblad De Jazzwereld, dat in 1931 werd opgericht en tot december 1940 zou verschijnen. Vooral de jaargang 1933 kan een groot aantal jazz-evenementen melden. Behalve het orkest van Duke Ellington speelden toen in Nederland: Louis Armstrong, de Britse band van Ray Noble met de populaire trompettist Nat Gonella (in Nederland gefilmd), en de zwarte Amerikaanse trompettist Johnny Dunn (die is gefilmd met een orkest onder leiding van de Surinaams-Nederlandse gitarist Lex van Spall met de Belgische drummer Bobby ’t Sas). In 1934 trad zanger-orkestleider Cab Calloway in Nederland op.

The Ramblers kunnen model staan voor de nauwe band tussen jazz en amusementsmuziek, die in de jaren twintig en dertig bestond en die zowel werd verdedigd als bestreden. Die strijd culmineerde in de jaren veertig tijdens de opkomst van de bebop.

De grote hoeveelheid documentatie over The Uden Masman en The Ramblers biedt ook informatie over de sociaal-economische positie van de jazzmuzikanten. De Jazzwereld schreef regelmatig over hetzelfde onderwerp. De jazzmusicus begon zijn carrière meestal als jonge amateur; sommigen van hen werden via de semi-profstatus uiteindelijk beroepsmuzikant. Het orkest The Electorians onder leiding van André Ceurvorst speelde hier een belangrijke rol. Musici als Melle Weersma, Boy Edgar en Tinus Bruijn deden er waardevolle ervaring op. De band ging na het vertrek van Ceurvorst verder onder de naam The Moochers. De in 1935 in Den Haag opgerichte Swing Papa’s vormden de kern van het naoorlogse Orchestra of the Dutch Swing College.

Tegenover de jonge amateurs en semi-profs stonden de oudere klassiek gevormde musici, die moeite hadden met het spelen van jazz en met een jaloers oog keken naar de jazzmusici die hun het brood uit de mond stootten. Vooral in de jaren van economische crisis leidde dat tot heftige discussies en tot maatregelen zoals het weren van buitenlandse musici. En bijvoorbeeld in Amsterdam werd streng gecontroleerd dat amateur-musici voor hun optredens niet werden betaald.

De jazzliefhebbers verenigden zich in allerlei clubs. Omdat het woord jazz ongewenste associaties met amusement kon wekken, gebruikten ze vaak de term ‘hot music’. In de Gramophoon-Revue van april 1933 maakte J. B. van Praag melding van een beginselverklaring, ‘waarin uitdrukkelijk wordt vastgesteld, dat jazzmuziek alleen maar hot gespeeld kan zijn. Tot nu toe heeft men het begrip “jazz” voor alle mogelijke muziek gebruikt.’

De Nederlandse Hot Club en later de Nederlandse Jazzliga hadden in de jaren dertig een overkoepelend functie en waren nauw verbonden met het blad De Jazzwereld. Ze organiseerden concoursen, filmvoorstellingen en concerten, zoals in 1937 het optreden van het kwintet van de Hot Club de France met gitarist Django Reinhardt, dat ook op film werd vastgelegd, samen met beelden van de Swing Papa’s en The Rhythm Harmonists.

Alleen de platenhandel bood verkoopmogelijkheden voor de jazz. Bladen als de Gramophoon-Revue en Schijvenschouw besteedden dan ook ruime aandacht aan jazzplaten, evenals natuurlijk De Jazzwereld. Het betrof voornamelijk import uit Amerika en Engeland. Decca-importeur Henk van Zoelen zette daarnaast zijn eigen Nederlandse productiebedrijf op. Dankzij zijn belangstelling voor jazz zijn veel historische opnamen gemaakt van Nederlandse orkesten en Amerikaanse solisten.

Jazzplaten bleven echter voorbehouden aan een kleine bovenlaag, die zich de aanschaf kon veroorloven. In de jaren twintig kostte een 78-toerenplaat twee gulden. Onder invloed van de economische crisis daalde de prijs van de goedkoopste platen naar één gulden. Maar dit betekende nog altijd dat de liefhebber voor een 78-toerenplaat (twee nummers, samen circa zes minuten) naar verhouding aanzienlijk meer betaalde dan tegenwoordig voor een cd met ruim een uur muziek.

Jazzliefhebbers werden dan ook weinig gevonden in het arbeidersmilieu, maar veel meer in studentenkringen. De Nederlandse culturele bovenlaag had er weinig belangstelling voor. De schilder Mondriaan was in jazz geïnteresseerd; zijn collectie 78-toerenplaten berust nu bij het Haags Gemeentemuseum, dat daaruit een cd heeft samengesteld. Maar schrijvers als Simon Vestdijk en Menno ter Braak lieten zich weinig aan jazz gelegen liggen. Al wordt in het werk van de dichters Jan Hanlo, Jan Greshoff en C. Buddingh’ enige jazzbelangstelling zichtbaar, over het algemeen droegen de vooraanstaande cultuurdragers niet bij aan de versterking van het imago van de jazz. Na de oorlog zou dat veranderen door onder anderen Remco Campert, Lucebert en Simon Vinkenoog.

Den Haag, Rotterdam en Amsterdam kenden Negro-clubs. De Amsterdamse Kit Kat Club (waar later de jazzclub Sheherazade zou komen) was een doorn in het oog van de autoriteiten. Ze beschouwden deze Negro-clubs als ongewenst en levensgevaarlijk voor jonge Nederlandse meisjes. De Kit Kat Club werd daarom in 1937 gesloten. De Surinaamse muzikanten en het zwarte bedienende personeel kwamen op straat te staan.

Ook in andere clubs waren eind jaren dertig zwarte musici volop aan het werk. In de eerste oorlogsjaren waren ze zelfs de enigen die nog jazz mochten spelen. Voor blanke musici was dit weliswaar niet nadrukkelijk verboden, maar het werd wel zodanig aan banden gelegd, dat ze erg moesten oppassen. Max Woiski, Lex Vervuurt en Lex van Spall konden doorgaan, want ze kregen een ariër-verklaring.

Ook Indische Nederlanders speelden een rol in het Nederlandse jazzleven. Velen van hen waren net als de Surinamers van gemengd bloed, een groep waarop vaak zowel door blanken als zwarten werd neergezien (vergelijk de Creolen in New Orleans rond de eeuwwisseling) Leden van dergelijke groepen werden vaak wel getolereerd en ook gewaardeerd als ‘kunstenmakers’.

Coleman Hawkins keerde wegens de oorlogsdreiging in 1939 terug naar Amerika. Hij begreep goed wat er aan de hand was, want hij was in 1935 naar Europa gekomen als gastsolist bij de Britse band van Jack Hylton. Dat orkest reisde naar Duitsland, maar Hawkins mocht daar vanwege zijn huidskleur niet binnen. In 1939 ging, ook in verband met de oorlogsdreiging, een bezoek van de Jimmie Lunceford-band aan Nederland niet door. Duke Ellington kwam dat jaar nog wel en maakte een nog diepere indruk dan in 1933, zoals uit de persverslagen blijkt.

woensdag 6 januari 2021

Shine on you crazy diamond

Hij bewoog zich altijd als een schaduw door het muzieklandschap. Zijn ster scheen al vroeg heel fel, maar doofde langzaam uit. Het moet een grote aderlating voor de bandleden van Pink Floyd zijn geweest om zanger/gitarist/songschrijver/visionair Syd Barrett zo af te zien takelen.

Dit is een verhaal over vriendschap, naïviteit, onschuld, gekte en ego's. Het verhaal van de originele oprichter van Pink Floyd. De man die eind 1965 de flower power-tijd mede een gezicht gaf met zijn band The Pink Floyd Sound (later gereduceerd tot Pink Floyd). Syd Barrett (Cambridge, 6 januari 1946) was een buitenbeentje in het Cambridge van de jaren zestig. Zijn vader stierf toen Barrett (toen nog Roger Keith Barrett geheten) twaalf was, maar tegen die tijd had hij zich al ontwikkeld tot creatieveling. Hij schilderde en schreef korte gedichten. Het was dan ook niet vreemd dat het zwarte schaap van de familie aan de kunstacademie van Londen ging studeren.

Daar ontmoette hij muzikant Roger Waters. Al gauw begonnen ze in bandjes te spelen en de muziek van Pink Floyd viel op in een tijd dat veel Engelse bandjes Amerikaanse (blues)muziek probeerden na te bootsen. De liedjes die Barrett voor de eerste incarnatie voor Pink Floyd schreef, klonken totaal anders dan die van hun collegae. Middle class English. Ook zijn gitaarspel en de podiumpresentatie van zijn band waren compleet vernieuwend in Engeland. In 1966 werd The UFO Club geopend in het hippe Londen en Pink Floyd mocht er wekelijks aantreden als huisband. Al gauw wist heel uitgaand Londen waar het te doen was. Er bestaan videobeelden van Barrett en Pink Floyd uit die tijd. Hij zit voorovergebogen over zijn gitaar op een stoel en maakt feedbackherrie met een aansteker. Ondersteund door vloeistofprojecties. In dat hippe sfeertje waren de toen legale drugs als marihuana en LSD erg populair en Pink Floyd verzorgde graag de soundtrack met tergend lange, dreigende psychedelische jamsessies afgewisseld met wat meer songgericht materiaal uit de koker van Barrett, in wie de band volgens de NME een briljant songwriter had gevonden. In 1967 kwam hun eerste single voor EMI uit; Arnold Layne. Het publiek van de BBC radio omarmde het nummer, maar er was ook kritiek. Het nummer gaat namelijk over een travestiet die damesondergoed van waslijnen steelt en het dan voor de spiegel aantrekt. Dat kon echt niet door de beugel, vond de immer kritische Britse muziekpers.



Het nummer kwam desondanks vrij hoog in de hitlijsten en met hun tweede single See Emily play pakten ze de zesde positie in de UK charts. EMI kon haast niet wachten om met het getalenteerde viertal (gecompleteerd door drummer Nick Mason en toetsenist Rick Wright) de studio in te duiken voor het debuut. Waters stelde voor om naast de successingles ook wat van hun psychedelische livegeluid te laten horen, wat resulteerde in definitieve studioversies van Astronomy Domine en Instellar Overdrive. Syd Barrett en Roger Waters hebben er nooit een geheim van gemaakt dat ze samen LSD slikten, maar tijdens de promotie van The Piper at the Gates of Dawn ging Barrett zich steeds vreemder gedragen. Er bestaan filmpjes op YouTube van Barrett's eerste LSD-trip.


Soms stond hij anderhalf uur stoïcijns op het podium zonder een noot te spelen. Een andere keer verscheen hij bij een fotosessie met afgeschoren wenkbrauwen. De andere jongens wisten het ook niet meer en besloten om er maar een tweede gitarist bij te halen. Een jongen uit de buurt luisterend naar de naam David Gilmour. Hij moest een beetje op Syd letten, zeg maar. Zijn partijen opvangen als Barrett weer eens van de wereld was. Dat ging niet lang goed maar niemand durfde Barrett uit de band te gooien. Want hij was de bandleider, zanger en songwriter van Pink Floyd. Tot ze hem op een dag thuis gingen ophalen voor een optreden. Roger Waters stopte het toerbusje bij Barrett's voordeur, keek stilzwijgend achterom naar zijn bandmakkers die niet wisten waar ze moesten kijken en trok langzaam weer op. Zonder Barrett. En dat was het einde van Syd Barrett als artistiek leider en bandlid van Pink Floyd. In juni 1968 verscheen het tweede album van Pink Floyd, A Saucer Full of Secrets: een heel goede plaat met daarop nog enkele nummers van Barrett. Roger Waters trok de band steeds meer naar zich toe. Veel latere fans hebben dit 'overnemen' als hoogverraad gezien omdat Rogers nu de baas was. Gezien de geschiedschrijving klopt dat niet helemaal, maar daarover later meer.

In een reactie aan NME liet Barrett weten een solocarrière te willen starten. Mensen dichtbij hem vonden dat een paniekreactie en ook Waters had met hem te doen omdat het zo onhaalbaar leek dat Barrett ooit nog als succesvol muzikant zou wederkeren. Het verhaal ging dat hij gek was geworden van psychedelische drugs en psychiatrische aandoeningen. Barrett's vervanger David Gilmour nam het voor hem op en produceerde Barrett's eerste soloplaat: The Madcap Laughs. Opgenomen in 1970 in de Abbey Road Studio's. Het bleek een rampzalige onderneming. Barrett had geen afgemaakte liedjes, zijn stem en geest waren weinig helder en hij wilde enkel experimenteren en losse flarden opnemen. Zijn brein was niet consistent genoeg om zich te concentreren op een album in plaats van een willekeurige verzameling half afgemaakte liedjes en probeersels. Desondanks bracht EMI de plaat uit omdat het de ex-voorman van Pink Floyd betrof. Dertig jaar later mag deze wanhopig eerlijke plaat waarop Barrett danste op de vulkaan een klassieker genoemd worden. Wat het daadwerkelijk ook is.

Barrett was niet bereid om interviews te doen en het handjevol liveshows dat hij deed (vaak met Gilmour op gitaar) strandden steevast in apathische toestanden, en zijn nieuwe band leek hem ook niet helemaal te begrijpen. Hij maakte nog een tweede album, simpelweg genaamd Barrett (november 1970) maar optreden zou hij nooit meer. Hij was een drugsgebruikende kluizenaar geworden. Of zoals we op z'n Hollands plachten te zeggen: hij had een klap van de molen gehad, psychisch. Al snel ging hij weer terug naar Cambridge om bij zijn moeder te wonen. Daar had hij genoeg aan een dagindeling van boodschappen doen, tuinieren, schilderen en tv kijken. De ster was voor eeuwig gedoofd. David Gilmour zorgde ervoor dat Barrett zijn royalties kreeg over de singles en albums die hij met Pink Floyd maakte, maar er kwam maar bar weinig terug. Onder de supervisie van doktoren en psychiaters leefde Barrett de rest van zijn leven, inwonend bij zijn inmiddels bejaarde moeder. Het is een tragisch verhaal van iemand die nog zoveel in zijn mars had terwijl niemand zijn kunst begreep. En hij kon het blijkbaar zelf ook niet waarmaken.



Er was nog een niet te vermijden incident. In 1975 was de 'nieuwe' Pink Floyd bezig met het opnemen van het nummer Shine on You Crazy Diamond. Een dikke kale man met afgeschoren wenkbrauwen kwam de studio binnen en nam zonder een woord te zeggen plaats op de bank naast de bandleden. Na een half uur zwijgzaamheid begonnen de jongens zich af te vragen wie die vreemdeling nu toch was. Het was een totaal onherkenbare Syd Barrett. Een Barrett die zomaar komt binnengewandeld tijdens de opnames van Wish You Were Here, een song van Waters die over hem gaat. Waters hield het niet droog. Vanaf midden jaren zeventig zijn er enkele door gluiperige persratten genomen foto's van Barrett in de pers verschenen. En een laatste muzikale stuiptrekking van demo's genaamd Opel. Vond de familie Barrett niet fijn. Heel Pink Floyd en vooral Roger Waters zit nu nog met een schuldgevoel: "wat als…?" Die vraag gaat niet meer beantwoord worden. De drie soloplaten van Syd Barrett zijn nu opnieuw uitgebracht door EMI. Syd Barrett stierf op 7 juli 2006 aan pancreaskanker. Shine on you crazy diamond.