Spread Your Wings deed het niet zo goed in de hitparades, maar ook deze Deacon-compositie mag er zijn.
donderdag 30 april 2015
30 April: Queen's Day
In onze jaarlijkse serie 30 April: Queen's Day graag dit keer aandacht voor de basspeler John Deacon. Bijgenaamd de stille Queen (en niet geheel onterecht: zijn stem is op geen enkel studio album te horen) nam Deacon slechts een handevol composities voor zijn rekening. Toch bleken, ondanks zijn eigen twijfel, de songs zeer hitgevoelig: You're My Best Friend, Another One Bites The Dust en I Want To Break Free werden wereldhits. Na het herdenkingsconcert n.a.v. Mercury's dood trok Deacon zich terug om niet meer in het openbaar te verschijnen.
Spread Your Wings deed het niet zo goed in de hitparades, maar ook deze Deacon-compositie mag er zijn.
Spread Your Wings deed het niet zo goed in de hitparades, maar ook deze Deacon-compositie mag er zijn.
woensdag 29 april 2015
Lonnie Donegan
De Britse zanger en grondlegger van de Skiffle, Lonnie Donegan, overlijdt op 3 November 2002. Donnegan stond bekend als de Koning Van De Skiffle. De skiffle is de populaire muziekstroming aan het eind van de jaren vijftig in Engeland voor de komst van de Beatles. Anthony James Donegan wordt op 29 April 1931 in GLasgow, Schotland geboren, en is in de jaren vijftig en zestig een idool voor veel muzikanten die later in de folkrevival een belangrijke rol spelen, zoals Andy Irvine en Christy Moore. Tijdens de eerste optredens van Lennon en McCartney spelen ook zij skiffle-muziek. Lonnie Donegan heeft een aantal grote hits met ondermeer Does Your Chewing Gum Lose Its Flavour On The Bedpost Overnight?, Rock Island Line en My Old Man's A Dustman (Nr 1 in Engeland). Lonnie Donegan is ook een voorbeeld voor een hele generatie Britse gitaristen, waaronder Brian May (Queen) en Mark Knopfler (Dire Straits). Mark Knopfler, die omschrijft Donegan als iemand die grote muzikale invloed op hem had. Paul McCartney is in 1978 de drijvende kracht achter een speciaal album over de muziek van Donegan, waarop ook Elton John en Brian May figureren. Donegan speelde recent ook met Van Morrison. Donegan is halverwege een tournee door Groot-Brittannië wanneer hij in Peterborough overlijdt. Lonnie Donegan is 71 jaar geworden.
maandag 27 april 2015
1962 ♫ ♫ Zuiderzeeballade
Geschreven door Willy van Hemert.
Sylvain Poons zong dit lied al in 1958 samen met de 14-jarige Oetze Verschoor, maar het lied werd in 1962 een groot succes.
Toen hij wat ouder werd, speelde hij vaak de Joodse schlemiel, zoals Abraham Mossel in de televisieserie De kleine waarheid.
De Zuiderzeeballade werd door De Krekels gecovered en van een nieuwe tekst voorzien tijdens de verjaardag van Gerrit, september 2011
zaterdag 25 april 2015
In Alle Staten: New Jersey
De 51 Amerikaanse staten hebben ieder zo hun eigen favoriete en succesvolle artiest.
In de komende 51 afleveringen komen alle staten aan bod met een kort overzicht van de artiesten die, behalve er geboren zijn, zich het meest met die staat identificeerden. Bekende voorbeelden: Arkansas-Johnny Cash, Californië-Brian Wilson (Beach Boys), Georgia-Ray Charles en Texas-Buddy Holly.
Maar wie vertegenwoordigt Hawaii, Alaska, Florida of New York ?
In deze 31e aflevering:
New Jersey
Weer zo's staat met een ontelbaar aantal grote artiesten: Jon Bon Jovi, Rickie Nelson, Dionne Warwick, Whitney Houston, Sarah Vaughan, Paul Simon, Count Basie en Bruce Springsteen: allemaal New Jersey-anen. Ook Frankie Valli en zijn 4 Seasons komen er vandaan.
En Frank Sinatra. "New Jersey New Jersey" bekt natuurlijk niet zo lekker als...
woensdag 22 april 2015
La Bamba
De song La Bamba is onlosmakelijk met film verbonden. Het dook in 1947 al op in de prent Fiesta van regisseur Richard Thorpe geproduced door Jack Cummings voor Metro-Goldwyn-Mayer met in de hoofdrollen Ricardo Montalban, Esther Williams, Mary Astor en Cyd Charisse. Het verhaal is opgebouwd rond toreador Mario Morales die koste wat het kost songwriter wil worden. Zijn tweelingszus Maria Morales wil op haar beurt stierenvechtster worden. Terwijl Mario muziek studeert, neemt zij zijn plaats in de arena in. In de soundtrack van de film duikt muziek op van de bekende klassieke componist Aaron Copland, naast traditionele melodieën zoals Jarabe Tapatio en La barca oro, naast La luna enamorada van Martinez Durango en La Bamba van Luis Martinez Serrano.
La Bamba is een Mexicaans lied dat veel in Veracruz werd gezongen en werd geschreven in de son jarocho stijl ( je hoort zowel Spaanse als Afrikaanse invloeden). Door de bank wordt het liedje op harp of gitaar gespeeld, meestal op de jarana jarocha, een kleine gitaar, en op de requinto jarocho, ook een soort kleine gitaar die enkele zangers begeleiden. De meest bekende son jarocho is La Bamba. Waarschijnlijk is de titel afgeleid van het werkwoord bambolear wat zoveel betekent als “al schuddend dansen”. De dans dook vaak op tijdens huwelijksfeesten waarmee de bruid en bruidegom het feest inzetten, een gebruik dat in Veracruz en omstreken zo goed als verdwenen is. Het bekendste fragment in het liedje is en blijft “Yo no soy marinero, soy capitan! Ik ben geen marinier, maar kapitein op het schip”. Veracruz is namelijk een bekende havenstad, vandaar. In de dans is het voetenwerk, el zapateado, erg belangrijk, terwijl het ritme almaar sneller wordt. Het liedje werd bekend in de versies van Mariachi Vargas de Tecalitlan en Los Pregoneros del Puerto, terwijl in The Originals Arnold Rypens aangeeft dat Andres Huesca y su Trio Huracan het al eersten op plaat zetten. Hij geeft ook aan dat La Bamba bekend was onder de titel El Jarabe del Veracruzano wat zoveel betekent als de bruiloft van Veracruz.
Maar het was pas toen Ritchie Valens in 1958 het liedje van een rockversie voorzag dat het in Europa echt doorbrak en we hier op zoek gingen naar het origineel dat dankzij groepen als Los Paragayos en Los Machucambos op onze dansvloer terechtkwam.
In 1958 dook Ritchie Valens de opnamestudio in samen met gitarist Carol Kaye en drummer Earl Palmer om La Bamba aan een breder publiek voor te stellen. Rock ‘n roll deed het toen nog erg goed en Valens wist er zich mee de eeuwigheid in te zingen. In 2001 werd hij niet voor niets opgenomen in The Rock and Roll Hall of Fame. Ritchie kampte tijdens de opname met een probleem. Al was hij apentrots op zijn Mexicaanse roots, hij sprak geen woord Spaans. Hij kende wel de tekst van La Bamba dankzij zijn tante Ernestine Reyes die hem fonetisch de juiste uitspraak aanleerde. Producer Bob Keane zorgde dat alles in de plooi viel en bracht La Bamba in de maand oktober van 1958 op single uit als b-kant van de hit Donna en dat op het Del-Fi Label. Donna geraakte top op twee van Billboard’s Hot One Hundred en de 29ste december prijkte La Bamba op de 22ste plaats. Lang zou Ritchie van zijn succes niet kunnen genieten, want samen met The Big Bopper en Buddy Holly kwam hij tijdens een vliegtuigongeval de 3de februari 1959 op 17 jarige leeftijd om het leven.
Dat verhaal van Ritchie Valens inspireerde in 1987 Luis Valdez tot het schrijven van het scenario voor de film La Bamba met in de hoofdrol Lou Diamond Phillips. Luis zou de film ook regisseren en deed voor de productie een beroep op Bill Borden en Taylor Hackford. Het verhaal draait niet alleen om Ritchie Valens, maar ook om diens halfbroer Bob Morales, zijn vriendin Donna Ludwig en de rest van de familie. De acteurs kregen de volle steun medewerking van de familie Valenzuela (de echte familienaam van Ritchie Valens) en waren zelfs tijdens de opnamen op de set life aanwezig om de acteurs de nodige hints te geven. Voor de muziek werd een beroep gedaan op Carlos Santana, Miles Goodman en Los Lobos die van La Bamba een succesvolle versie wisten neer te zetten. De 24ste juli ging de film in première en werd een echte voltreffer. De soundtrack scoorde al even goed en werd snel tot de platina status verheven. De film zou eerst als Let’s go worden gelanceerd, zo genoemd naar de hit Come on let’s go van Ritchie Valens, maar de impact van het nummer La Bamba was zo groot, dat er snel beslist werd dat dit de definitieve titel zou worden. In de film zelf zijn Los Lobos, die alle liedjes van Ritchie opnieuw vertolken, even te zien tijdens een scene in het stadje Tijuana. Brian Setzer mag tijdens de film even opduiken als Eddie Cochran en Marshall Crenshaw als Buddy Holly.
Los Lobos werd speciaal door regisseur Luis Valdez aangezocht om de hits van Ritchie Valens een nieuw geluid te geven. Hij weigerde om de oude tracks van Ritchie te gebruiken. Het was voor hoofdacteur Lou Diamond Phillips dan ook een hele klus om zijn gitaarspel synchroon af te stemmen op dat van Los Lobos. Er was permanent een gitaarleraar aanwezig om hem de juiste akkoorden en vingerzettingen aan te leren. Curt Soberl was door Luis Valdez aangeduid om zich met de muziek bezig te houden. Hij weet nog goed hoe moeilijk het was om Phillips gelijktijdig met de opnamen van Los Lobos te laten meezingen. Daarom dat de begeleiding van Los Lobos en de zangpartijen van hun leadzanger David Hidalgo gescheiden werden opgenomen. Los Lobos had als populaire Mexicaanse band La Bamba al lang op hun repertoire staan. Ze wisten maar al te goed dat jet liedje méér dan 200 jaar oud was toen zij het nog eens opnieuw op plaat zetten. Ook Ritchie was in zijn tijd vertrouwd met het liedje omdat hij als kind de song vaak had gehoord tijdens bruiloften en familiefeesten. Het is dus niet juist dat Ritchie het liedje voor het eerst hoorde in een bordeel in Tijuana, zoals in de film La Bamba verteld wordt.
Het waren Cesar Rosas en David Hidalgo van Los Lobos die ontdekten dat Mexicaanse muziek hun voorliefde wegdroeg. Iets later ontmoetten ze drummer Louie Perez, bassist Conrad Lozano en gitarist Frank Gonzales. In 1973 was Los Lobos als groep een feit. Ze leerden de knepen van het vak als een soort balorkest tijdens vele bruiloften en feestpartijen. Dankzij de groep The Blasters, die ze tijdens een concert tegen het lijf liepen, kregen ze een contract aangeboden door platenfirma Slash en van danaf ging het voor hen snel de goede richting uit. Als muziekgenre kozen ze voor de chicanorock, een stijl gespeeld door muzikanten van Mexicaanse afkomst, wonend in de buurt van Los Angeles. Ze spelen eigenlijk typische Tex-Mex muziek. In 1983 namen ze hun eerste album op … And a Time to Dance. Vier jaar later was het wereldwijd raak met de soundtrack voor de film La Bamba. De titelsong werd een internationale nummer één. De 29ste augustus 1987 verdrongen Los Lobos Madonna en Who’s that girl van de eerste plaats om zelf drie weken na mekaar bovenaan de Amerikaanse charts te staan schitteren tot Michael Jackson samen Siedah Garrett die eerste plaats kwam inpalmen met I just can’t stop loving you. Ook in Engeland, net zoals in Nederland, zat er in de top veertig voor de heren een eerste plaats in. In onze toenmalige top dertig werd voor La Bamba een tweede plaats gereserveerd. Nog twee liedjes uit de film zouden Los Lobos in onze hitlijsten een bescheiden succes opleveren: Come on let’s go en Donna.
In 1995 verzorgden Los Lobos de soundtrack voor de film Desperado. Voor de song Mariachi Suite, die ze speciaal voor de film schreven, kregen ze een Grammy Award.
La Bamba is een Mexicaans lied dat veel in Veracruz werd gezongen en werd geschreven in de son jarocho stijl ( je hoort zowel Spaanse als Afrikaanse invloeden). Door de bank wordt het liedje op harp of gitaar gespeeld, meestal op de jarana jarocha, een kleine gitaar, en op de requinto jarocho, ook een soort kleine gitaar die enkele zangers begeleiden. De meest bekende son jarocho is La Bamba. Waarschijnlijk is de titel afgeleid van het werkwoord bambolear wat zoveel betekent als “al schuddend dansen”. De dans dook vaak op tijdens huwelijksfeesten waarmee de bruid en bruidegom het feest inzetten, een gebruik dat in Veracruz en omstreken zo goed als verdwenen is. Het bekendste fragment in het liedje is en blijft “Yo no soy marinero, soy capitan! Ik ben geen marinier, maar kapitein op het schip”. Veracruz is namelijk een bekende havenstad, vandaar. In de dans is het voetenwerk, el zapateado, erg belangrijk, terwijl het ritme almaar sneller wordt. Het liedje werd bekend in de versies van Mariachi Vargas de Tecalitlan en Los Pregoneros del Puerto, terwijl in The Originals Arnold Rypens aangeeft dat Andres Huesca y su Trio Huracan het al eersten op plaat zetten. Hij geeft ook aan dat La Bamba bekend was onder de titel El Jarabe del Veracruzano wat zoveel betekent als de bruiloft van Veracruz.
Maar het was pas toen Ritchie Valens in 1958 het liedje van een rockversie voorzag dat het in Europa echt doorbrak en we hier op zoek gingen naar het origineel dat dankzij groepen als Los Paragayos en Los Machucambos op onze dansvloer terechtkwam.
In 1958 dook Ritchie Valens de opnamestudio in samen met gitarist Carol Kaye en drummer Earl Palmer om La Bamba aan een breder publiek voor te stellen. Rock ‘n roll deed het toen nog erg goed en Valens wist er zich mee de eeuwigheid in te zingen. In 2001 werd hij niet voor niets opgenomen in The Rock and Roll Hall of Fame. Ritchie kampte tijdens de opname met een probleem. Al was hij apentrots op zijn Mexicaanse roots, hij sprak geen woord Spaans. Hij kende wel de tekst van La Bamba dankzij zijn tante Ernestine Reyes die hem fonetisch de juiste uitspraak aanleerde. Producer Bob Keane zorgde dat alles in de plooi viel en bracht La Bamba in de maand oktober van 1958 op single uit als b-kant van de hit Donna en dat op het Del-Fi Label. Donna geraakte top op twee van Billboard’s Hot One Hundred en de 29ste december prijkte La Bamba op de 22ste plaats. Lang zou Ritchie van zijn succes niet kunnen genieten, want samen met The Big Bopper en Buddy Holly kwam hij tijdens een vliegtuigongeval de 3de februari 1959 op 17 jarige leeftijd om het leven.
Dat verhaal van Ritchie Valens inspireerde in 1987 Luis Valdez tot het schrijven van het scenario voor de film La Bamba met in de hoofdrol Lou Diamond Phillips. Luis zou de film ook regisseren en deed voor de productie een beroep op Bill Borden en Taylor Hackford. Het verhaal draait niet alleen om Ritchie Valens, maar ook om diens halfbroer Bob Morales, zijn vriendin Donna Ludwig en de rest van de familie. De acteurs kregen de volle steun medewerking van de familie Valenzuela (de echte familienaam van Ritchie Valens) en waren zelfs tijdens de opnamen op de set life aanwezig om de acteurs de nodige hints te geven. Voor de muziek werd een beroep gedaan op Carlos Santana, Miles Goodman en Los Lobos die van La Bamba een succesvolle versie wisten neer te zetten. De 24ste juli ging de film in première en werd een echte voltreffer. De soundtrack scoorde al even goed en werd snel tot de platina status verheven. De film zou eerst als Let’s go worden gelanceerd, zo genoemd naar de hit Come on let’s go van Ritchie Valens, maar de impact van het nummer La Bamba was zo groot, dat er snel beslist werd dat dit de definitieve titel zou worden. In de film zelf zijn Los Lobos, die alle liedjes van Ritchie opnieuw vertolken, even te zien tijdens een scene in het stadje Tijuana. Brian Setzer mag tijdens de film even opduiken als Eddie Cochran en Marshall Crenshaw als Buddy Holly.
Los Lobos werd speciaal door regisseur Luis Valdez aangezocht om de hits van Ritchie Valens een nieuw geluid te geven. Hij weigerde om de oude tracks van Ritchie te gebruiken. Het was voor hoofdacteur Lou Diamond Phillips dan ook een hele klus om zijn gitaarspel synchroon af te stemmen op dat van Los Lobos. Er was permanent een gitaarleraar aanwezig om hem de juiste akkoorden en vingerzettingen aan te leren. Curt Soberl was door Luis Valdez aangeduid om zich met de muziek bezig te houden. Hij weet nog goed hoe moeilijk het was om Phillips gelijktijdig met de opnamen van Los Lobos te laten meezingen. Daarom dat de begeleiding van Los Lobos en de zangpartijen van hun leadzanger David Hidalgo gescheiden werden opgenomen. Los Lobos had als populaire Mexicaanse band La Bamba al lang op hun repertoire staan. Ze wisten maar al te goed dat jet liedje méér dan 200 jaar oud was toen zij het nog eens opnieuw op plaat zetten. Ook Ritchie was in zijn tijd vertrouwd met het liedje omdat hij als kind de song vaak had gehoord tijdens bruiloften en familiefeesten. Het is dus niet juist dat Ritchie het liedje voor het eerst hoorde in een bordeel in Tijuana, zoals in de film La Bamba verteld wordt.
Het waren Cesar Rosas en David Hidalgo van Los Lobos die ontdekten dat Mexicaanse muziek hun voorliefde wegdroeg. Iets later ontmoetten ze drummer Louie Perez, bassist Conrad Lozano en gitarist Frank Gonzales. In 1973 was Los Lobos als groep een feit. Ze leerden de knepen van het vak als een soort balorkest tijdens vele bruiloften en feestpartijen. Dankzij de groep The Blasters, die ze tijdens een concert tegen het lijf liepen, kregen ze een contract aangeboden door platenfirma Slash en van danaf ging het voor hen snel de goede richting uit. Als muziekgenre kozen ze voor de chicanorock, een stijl gespeeld door muzikanten van Mexicaanse afkomst, wonend in de buurt van Los Angeles. Ze spelen eigenlijk typische Tex-Mex muziek. In 1983 namen ze hun eerste album op … And a Time to Dance. Vier jaar later was het wereldwijd raak met de soundtrack voor de film La Bamba. De titelsong werd een internationale nummer één. De 29ste augustus 1987 verdrongen Los Lobos Madonna en Who’s that girl van de eerste plaats om zelf drie weken na mekaar bovenaan de Amerikaanse charts te staan schitteren tot Michael Jackson samen Siedah Garrett die eerste plaats kwam inpalmen met I just can’t stop loving you. Ook in Engeland, net zoals in Nederland, zat er in de top veertig voor de heren een eerste plaats in. In onze toenmalige top dertig werd voor La Bamba een tweede plaats gereserveerd. Nog twee liedjes uit de film zouden Los Lobos in onze hitlijsten een bescheiden succes opleveren: Come on let’s go en Donna.
In 1995 verzorgden Los Lobos de soundtrack voor de film Desperado. Voor de song Mariachi Suite, die ze speciaal voor de film schreven, kregen ze een Grammy Award.
maandag 20 april 2015
Steve Marriott
Steve Marriott, eens zanger van The Small Faces en Humble Pie, komt op 20 april 1991 bij een brand in zijn woning in het Engelse graafschap Essex op 44 jarige leeftijd om het leven. De brand is waarschijnlijk ontstaan in zijn slaapkamer door een brandende sigaret.Zijn stoffelijk overschot wordt gevonden in een kast in de slaapkamer. Uit de lijkschouwing blijkt dat Seve Marriott drugs heeft gebruikt. Vermoedelijk is hij uit angst in de kast gekropen.
The Small Faces zijn vooral in Engeland ongelooflijk populair geweest en dat was met name te danken aan zanger en basgitarist Ronnie Lane en zanger en gitarist Steve Marriott.
Dat de groep enigszins in de vergetelheid is geraakt is vooral te wijten aan het feit dat de heren er een gewoonte van maakten om heibel te schoppen met hun platenmaatschappijen. In 1969 loopt Steve Marriot boos van het podium af tijdens een concert om niet meer terug te keren. De groep vult de leemte met de dan nog onbekende Ron Wood en Rod Stewart. Al snel veranderen ze de groepsnaam in The Faces, maar het heilige vuur is eruit en in 1970 is het eind van de groep een feit. Marriott overlijdt op 20 april 1991 als gevolg van een brand, wellicht veroorzaakt door een brandende sigaret, die door zijn 16e eeuwse huis in Arkesden, Essex raast. Postuum ontvangt hij later de Ivor Novello Award in 1996 voor zijn Uitmuntende Bijdrage aan de Britse Muziek, en hij staat in Mojo genoteerd als een van de top-100 beste zangers van deze tijd.
zaterdag 18 april 2015
Nederlandse Folk
De roots van de Nederlandse folk liggen in de jaren zestig. Aanvankelijk was deze, zoals alle popmuziek uit die tijd, volledig op Engeland en (vooral) Amerika gericht. Voor de vroegste liefhebbers van het genre groeide de huiskamer van het Amsterdamse echtpaar Thon en Loes Fikkermans onder de naam Folkclub '65 uit tot een belangrijke ontmoetingsplaats. Nog befaamder werd de taveerne die Cobi Schreijer in het Haarlemse Waaggebouw runde. Hier speelden mensen als Pete Seeger en Joan Baez naast een jonge Boudewijn de Groot en de eerste schuchtere Nederlandse folkies. Schreijer (die later tot een vooraanstaand feministe zou uitgroeien) was zelf een gerespecteerd artieste. In 1967 nam ze een baanbrekende lp met oud-Hollandse volksliedjes op. Iets soortgelijks was in de jaren vijftig al eens gedaan door pioniers als Jantina Noorman en Jaap Kunst, maar hun benadering was vooral academisch van aard. Hoe naief Vanwaar Komt Ons De Koele Wijn... ons veertig jaar later ook in de oren klinkt, Cobi Schreijer trok de Nederlandse volksmuziek pardoes de popcultuur binnen.
Ondertussen kwam aan de overkant van de Noordzee een stel Britten met een spectaculaire nieuwe sound op de proppen. Bands als Pentangle, Incredible String Band, Fairport Convention en Steeleye Span combineerden volksmuziek en elektrisch versterkte rock met opmerkelijk resultaat. Klassieke albums als Liege And Lief en Please To See The King gaven ook de Nederlandse folk een nieuwe impuls, hoewel early adopters als Crackerhash en King's Galliard niet zozeer de elektriciteit als wel de voorliefde voor Britse en Ierse thema's overnamen. Maar die speelden ze dan ook met verve. In 1976 sleepte King's Galliard op een folkfestival in Ierland nota bene de eerste prijs in de wacht; de thuisspelende concurrentie had het nakijken.
Toch had het iets eigenaardigs, dat wroeten in andermans wortels. Buitenlandse artiesten als John Renbourn en Martin Carthy spraken er openlijk hun verbazing over uit. Zij riepen de Nederlandse folkies op om inspiratie te putten uit hun eigen nationale traditie. Dat pleidooi was niet aan dovemansoren gericht. En zo ontstond, zo'n vijf jaar na de Britse folkhausse, een specifiek Nederlandse tak van het genre. Niet slecht voor een land waarvan Heinrich Heine ooit beweerde dat hij er onmiddellijk heen zou gaan als de wereld verging, in Nederland gebeurt immers alles vijftig jaar later. Een van de eerste vaandeldragers van deze authentiek Nederlandse folk was Fungus uit Vlaardingen. Eind 1974 scoorden zij zowaar een hit met een rockversie van het volksliedje Kaapren Varen. Het zette de Nederfolk op de kaart bij een breder publiek, maar zou een van de weinige commerciële successen van het genre blijven.
Binnen de Nederlandse popmuziek had folk zijn eigen reservaat. De artiesten speelden in folkclubs en hadden relatief weinig contact met muzikanten uit andere genres. Er waren folkfestivals (Rotterdam Folk, Tsjoch), radioprogramma's over folk (Onder De Groene Linde, Folk Live) en een folkblad (Janviool, dat later overging in New Folk Sounds). Ook waren er gespecialiseerde platenmaatschappijen, die het opkomende folktalent een welkome kans boden om hun werk op vinyl uit te brengen. Het Leeuwardense Universe werd uit frustratie opgericht door platenhandelaar Wobbe van Seijen, toen deze geen bestaande maatschappij kon interesseren voor zijn band Hello. Stoof was een dochter van Munich Records uit Bennekom, waar de legendarische (in 2006 overleden) Job zomer de scepter zwaaide. Samen met kleinere ondernemingen als Crossroad, Xilovox, Hakketoon en het door King's Galliard opgerichte Pan brachten deze labels in de gloriedagen van de Nederfolk ettelijke honderden lp's op de markt (singles waren een zeldzaam verschijnsel). Daarbij werd niet op een cent gekeken: luxe klaphoezen en inlegvellen waren eerder regel dan uitzondering.
Uiteindelijk konden de Nederlandse folkies de boze buitenwereld niet buiten de deur houden. De nieuwe stromingen in de popcultuur van de late jaren zeventig waren weliswaar niet specifiek tegen een marginaal verschijnsel als folk gericht, maar het nihilisme van punk en het hedonisme van disco stonden mijlenver af van de hippiegemeenschap die in de folk haar idealen altijd weerspiegeld had gezien. Hoewel de Nederfolk tot begin jaren tachtig interessante platen bleef voortbrengen, nam de publieke belangstelling gestaag af. Folk werd een levend fossiel. Clubs hadden steeds meer moeite om het hoofd boven water te houden en veel artiesten raakten in een identiteitscrisis: hoelang konden ze dezelfde muziek voor (hooguit) hetzelfde publiek blijven spelen?
Halverwege de jaren tachtig waren de gouden jaren van de Nederfolk ten einde. Bands als Irolt, de Perelaar en King's Galliard hielden het voor gezien, het genre verdween in de marge van de vaderlandse popmuziek en is daar tot op de dag van vandaag eigenlijk niet meer uitgekomen. Inmiddels is een hele generatie opgegroeid die nog nooit van Fungus gehoord heeft; veel fans van Devendra Banhart hier te lande realiseren zich niet dat de wortels van diens muziek voor een deel in hun eigen achtertuin liggen. Daar moet verandering in komen. Dutch Rare Folk zet de deur naar een verborgen schatkamer van de Nederpop op een kier. Betreden op eigen risico.
Ondertussen kwam aan de overkant van de Noordzee een stel Britten met een spectaculaire nieuwe sound op de proppen. Bands als Pentangle, Incredible String Band, Fairport Convention en Steeleye Span combineerden volksmuziek en elektrisch versterkte rock met opmerkelijk resultaat. Klassieke albums als Liege And Lief en Please To See The King gaven ook de Nederlandse folk een nieuwe impuls, hoewel early adopters als Crackerhash en King's Galliard niet zozeer de elektriciteit als wel de voorliefde voor Britse en Ierse thema's overnamen. Maar die speelden ze dan ook met verve. In 1976 sleepte King's Galliard op een folkfestival in Ierland nota bene de eerste prijs in de wacht; de thuisspelende concurrentie had het nakijken.
Toch had het iets eigenaardigs, dat wroeten in andermans wortels. Buitenlandse artiesten als John Renbourn en Martin Carthy spraken er openlijk hun verbazing over uit. Zij riepen de Nederlandse folkies op om inspiratie te putten uit hun eigen nationale traditie. Dat pleidooi was niet aan dovemansoren gericht. En zo ontstond, zo'n vijf jaar na de Britse folkhausse, een specifiek Nederlandse tak van het genre. Niet slecht voor een land waarvan Heinrich Heine ooit beweerde dat hij er onmiddellijk heen zou gaan als de wereld verging, in Nederland gebeurt immers alles vijftig jaar later. Een van de eerste vaandeldragers van deze authentiek Nederlandse folk was Fungus uit Vlaardingen. Eind 1974 scoorden zij zowaar een hit met een rockversie van het volksliedje Kaapren Varen. Het zette de Nederfolk op de kaart bij een breder publiek, maar zou een van de weinige commerciële successen van het genre blijven.
Binnen de Nederlandse popmuziek had folk zijn eigen reservaat. De artiesten speelden in folkclubs en hadden relatief weinig contact met muzikanten uit andere genres. Er waren folkfestivals (Rotterdam Folk, Tsjoch), radioprogramma's over folk (Onder De Groene Linde, Folk Live) en een folkblad (Janviool, dat later overging in New Folk Sounds). Ook waren er gespecialiseerde platenmaatschappijen, die het opkomende folktalent een welkome kans boden om hun werk op vinyl uit te brengen. Het Leeuwardense Universe werd uit frustratie opgericht door platenhandelaar Wobbe van Seijen, toen deze geen bestaande maatschappij kon interesseren voor zijn band Hello. Stoof was een dochter van Munich Records uit Bennekom, waar de legendarische (in 2006 overleden) Job zomer de scepter zwaaide. Samen met kleinere ondernemingen als Crossroad, Xilovox, Hakketoon en het door King's Galliard opgerichte Pan brachten deze labels in de gloriedagen van de Nederfolk ettelijke honderden lp's op de markt (singles waren een zeldzaam verschijnsel). Daarbij werd niet op een cent gekeken: luxe klaphoezen en inlegvellen waren eerder regel dan uitzondering.
Uiteindelijk konden de Nederlandse folkies de boze buitenwereld niet buiten de deur houden. De nieuwe stromingen in de popcultuur van de late jaren zeventig waren weliswaar niet specifiek tegen een marginaal verschijnsel als folk gericht, maar het nihilisme van punk en het hedonisme van disco stonden mijlenver af van de hippiegemeenschap die in de folk haar idealen altijd weerspiegeld had gezien. Hoewel de Nederfolk tot begin jaren tachtig interessante platen bleef voortbrengen, nam de publieke belangstelling gestaag af. Folk werd een levend fossiel. Clubs hadden steeds meer moeite om het hoofd boven water te houden en veel artiesten raakten in een identiteitscrisis: hoelang konden ze dezelfde muziek voor (hooguit) hetzelfde publiek blijven spelen?
Halverwege de jaren tachtig waren de gouden jaren van de Nederfolk ten einde. Bands als Irolt, de Perelaar en King's Galliard hielden het voor gezien, het genre verdween in de marge van de vaderlandse popmuziek en is daar tot op de dag van vandaag eigenlijk niet meer uitgekomen. Inmiddels is een hele generatie opgegroeid die nog nooit van Fungus gehoord heeft; veel fans van Devendra Banhart hier te lande realiseren zich niet dat de wortels van diens muziek voor een deel in hun eigen achtertuin liggen. Daar moet verandering in komen. Dutch Rare Folk zet de deur naar een verborgen schatkamer van de Nederpop op een kier. Betreden op eigen risico.
vrijdag 17 april 2015
The Story of The Rolling Stones, deel 5
The Rolling Stones: de grootste rock & roll-band ter wereld met een lange geschiedenis.
Als enige single verschijnt in '69 het decadente Honky Tonk Women. Voor Decca wordt in München de laatste studio-LP opgenomen, Let It Bleed, die in december wordt uitgebracht en opnieuw van hoge kwaliteit is. Om de witte-platenhandel tegen te gaan en om aan de laatste eisen van het aflopende Decca-contract te voldoen, verschijnt in '70 de opwindende live-LP ‘‘Get Yer Ya-Ya'S Out!'', waarvan de opnamen stammen van concerten uit '69 in de New-Yorkse Madison Square Garden. '70 is verder een rustig Stones-jaar, afgezien van de premières van de films Gimmie Shelter, Ned Kelly en Performance. De laatste twee zijn speelfilms met Jagger in respectievelijk een hoofd- en bijrol. Zijn van de soundtrack van Performance afkomstige Memo From Turner wordt een solohit.
In '71 wordt Rolling Stones Records opgericht en daarmee het beroemde, door Andy Warhol ontworpen tong-logo geïntroduceerd. De eerste single op het label is Brown Sugar, dat een nummer 1-hit wordt en ook te vinden is op het uitstekende Sticky Fingers, waarvoor Andy Warhol de gulp-met-rits-hoes ontwerpt. Muzikale assistentie verlenen onder anderen Ry Cooder (gitaar), Billy Preston (orgel), Jim Price (trompet), Nicky Hopkins (piano), Jack Nitzsche (piano) en Paul Buckmaster (violen). Na het niets voorstellende Jamming With Edward verschijnt in '72 op Rolling Stones Records het dubbelalbum ‘‘Exile On Main St.'', dat aanvankelijk met gematigd enthousiasme ontvangen wordt, toch nummer-1 wordt en in de herwaardering een voor de rockmuziek essentieel album blijkt. Samen met Stevie Wonder wordt een gigantische tournee door de Verenigde Staten ondernomen, met als hoogtepunt een concert in het Robert Kennedy Memorial Stadium voor 48.000 bezoekers. Allen Klein wordt dat jaar door de groep de deur gewezen.
In november en december wordt op Jamaica gewerkt aan Goat'S Head Soup, dat augustus '73 verschijnt. De daarvan afkomstige hitballad Angie wordt dat jaar vertolkt tijdens groots opgezette tournees door Nieuw-Zeeland, Australië en Europa. Het parodiëren van de nichtenrock, waartoe op Goat'S Head Soup een aanzet wordt gegeven, vindt zijn vervolg op It'S Only Rock 'N' Roll, waarop tevens de eerste reggae-interpretatie voorkomt.
Als enige single verschijnt in '69 het decadente Honky Tonk Women. Voor Decca wordt in München de laatste studio-LP opgenomen, Let It Bleed, die in december wordt uitgebracht en opnieuw van hoge kwaliteit is. Om de witte-platenhandel tegen te gaan en om aan de laatste eisen van het aflopende Decca-contract te voldoen, verschijnt in '70 de opwindende live-LP ‘‘Get Yer Ya-Ya'S Out!'', waarvan de opnamen stammen van concerten uit '69 in de New-Yorkse Madison Square Garden. '70 is verder een rustig Stones-jaar, afgezien van de premières van de films Gimmie Shelter, Ned Kelly en Performance. De laatste twee zijn speelfilms met Jagger in respectievelijk een hoofd- en bijrol. Zijn van de soundtrack van Performance afkomstige Memo From Turner wordt een solohit.
In '71 wordt Rolling Stones Records opgericht en daarmee het beroemde, door Andy Warhol ontworpen tong-logo geïntroduceerd. De eerste single op het label is Brown Sugar, dat een nummer 1-hit wordt en ook te vinden is op het uitstekende Sticky Fingers, waarvoor Andy Warhol de gulp-met-rits-hoes ontwerpt. Muzikale assistentie verlenen onder anderen Ry Cooder (gitaar), Billy Preston (orgel), Jim Price (trompet), Nicky Hopkins (piano), Jack Nitzsche (piano) en Paul Buckmaster (violen). Na het niets voorstellende Jamming With Edward verschijnt in '72 op Rolling Stones Records het dubbelalbum ‘‘Exile On Main St.'', dat aanvankelijk met gematigd enthousiasme ontvangen wordt, toch nummer-1 wordt en in de herwaardering een voor de rockmuziek essentieel album blijkt. Samen met Stevie Wonder wordt een gigantische tournee door de Verenigde Staten ondernomen, met als hoogtepunt een concert in het Robert Kennedy Memorial Stadium voor 48.000 bezoekers. Allen Klein wordt dat jaar door de groep de deur gewezen.
In november en december wordt op Jamaica gewerkt aan Goat'S Head Soup, dat augustus '73 verschijnt. De daarvan afkomstige hitballad Angie wordt dat jaar vertolkt tijdens groots opgezette tournees door Nieuw-Zeeland, Australië en Europa. Het parodiëren van de nichtenrock, waartoe op Goat'S Head Soup een aanzet wordt gegeven, vindt zijn vervolg op It'S Only Rock 'N' Roll, waarop tevens de eerste reggae-interpretatie voorkomt.
donderdag 16 april 2015
Simon & Garfunkel (deel 4)
Intussen is de moderne akoestische folk in Amerika aan een opmars begonnen, met Joan Baez als opkomende ster. Pete Seeger is de grote wijze man van deze vrij links ingestelde tegenbeweging, en inspirator van een groep jonge singer-songwriters die veel in café's in New York en Cambridge (USA, bij de Harvard Universiteit) optreden, zoals Phil Ochs en Tom Paxton. Veel furore maakt Bob Dylan, met een stijl die het midden lijkt te houden tussen Woody Guthrie en James Dean. Paul maakt het van dichtbij mee, tijdens optredens op Washington Square, het belangrijkste plein in de bohémien-wijk van New York, Greenwich Village.
In eerste instantie zijn het muzikanten als Merle Travis en Earle Scruggs die Simon's aanpak van de muziek veranderen. Paul en Art zetten steeds meer folk-songs op hun repertoire en kunnen optreden op Washington Square, midden in Greenwich Village, en in folk-clubs. De atmosfeer in legendarische café's als Gerde's Folk City en The Bitter End bevalt hen goed. Curieus genoeg is een van Simon's laatste hitfabriek-singles, "Lone Teen-Ranger", dan juist een minieme hit geworden: het komt in de vroege maanden van 1963 op nummer 97 terecht.
Paul studeert af op Queens met een graad in Engelse literatuur en gaat werken bij Edward B. Marks University, een muziekuitgeverij in de stad. Zijn taak is het om de songs van Marks bij platenlabels te slijten. 's Avonds treedt hij op in folkclubs als Paul Kane, een naam geïnspireerd door de legendarische film Citizen Kane van Orson Welles. De dubbele identiteit is tevens handig om vermoedens van belangenverstrengeling te omzeilen. Paul wordt meegesleept in de rebelse stemming onder Amerikaanse studenten. In juni 1963 gaat Art verder studeren aan de Berkeley Universiteit, vlakbij San Francisco, aan de andere kant van de Verenigde Staten. Paul neemt het vliegtuig naar Parijs, voor wat een uitgebreide vakantie heet te worden, om zijn toekomst rustig te overdenken.
In eerste instantie zijn het muzikanten als Merle Travis en Earle Scruggs die Simon's aanpak van de muziek veranderen. Paul en Art zetten steeds meer folk-songs op hun repertoire en kunnen optreden op Washington Square, midden in Greenwich Village, en in folk-clubs. De atmosfeer in legendarische café's als Gerde's Folk City en The Bitter End bevalt hen goed. Curieus genoeg is een van Simon's laatste hitfabriek-singles, "Lone Teen-Ranger", dan juist een minieme hit geworden: het komt in de vroege maanden van 1963 op nummer 97 terecht.
Paul studeert af op Queens met een graad in Engelse literatuur en gaat werken bij Edward B. Marks University, een muziekuitgeverij in de stad. Zijn taak is het om de songs van Marks bij platenlabels te slijten. 's Avonds treedt hij op in folkclubs als Paul Kane, een naam geïnspireerd door de legendarische film Citizen Kane van Orson Welles. De dubbele identiteit is tevens handig om vermoedens van belangenverstrengeling te omzeilen. Paul wordt meegesleept in de rebelse stemming onder Amerikaanse studenten. In juni 1963 gaat Art verder studeren aan de Berkeley Universiteit, vlakbij San Francisco, aan de andere kant van de Verenigde Staten. Paul neemt het vliegtuig naar Parijs, voor wat een uitgebreide vakantie heet te worden, om zijn toekomst rustig te overdenken.
woensdag 15 april 2015
Muziek en winkelgedrag
Muziek is een belangrijk element in de winkelomgeving. De invloed van muziek als omgevingsstimulus is veelvuldig onderzocht . Dit is te verklaren omdat muziek gemakkelijk kan worden aangepast tegen relatief lage kosten. Dit onderzoek houdt zich echter bezig met de vraag welke invloed muziek kan hebben op de beoordeling van het verkooppersoneel door de consument. Hier is in de literatuur niet eerder aandacht aan besteed. Daarnaast wordt er gekeken naar de invloed van muziek op de emoties welke consumenten in de winkelomgeving ervaren, het toenaderingsgedrag welke consumenten vertonen, de waargenomen aantrekkelijkheid van de winkelomgeving, de koopintentie en de loyaliteit aan de winkel.

Muziek kan op verschillende manieren de emoties en het gedrag van consumenten beïnvloeden De onderzoekers Garlin en Owen geven in hun review vijf categorieën van variabelen aan. Volgens Garlin en Owen kan achtergrondmuziek in winkelomgevingen invloed kan hebben op de emotionele response van de consument, uitgaven van de consument, attitudes welke consumenten hebben richting het merk, de tijdsbeleving en het gedrag van consumenten.
Het meeste onderzoek naar de invloed van achtergrondmuziek heeft zich gericht op de emotionele response van de consument. Zo laat onderzoek van Dubé en Morin (2001) zien dat wanneer men veel plezier ervaart door muziek, men de service omgeving positiever beoordeelt dan wanneer men weinig plezier ervaart. Indirect beïnvloed de mate van plezier de attitude richting de winkel. Alpert en Alpert (1988) toonden aan dat droevige muziek zorgde voor meer negatieve emoties en vrolijke muziek voor positieve emoties.

Ook heeft een deel van het onderzoek zich gericht op de invloed van achtergrondmuziek op de uitgaven van consumenten. Onderzoek toont aan dat de emotionele response op de omgeving indirect het koopgedrag van de consument beïnvloed. Volgens onderzoek van Donovan en Rossiter brengen consumenten meer tijd door in een winkel welke als plezierig en opwindend wordt ervaren.
Daarnaast is er ook een positief verband met affiliatie. Er kan verwacht worden dat wanneer een winkelomgeving als plezierig en opwindend wordt ervaren consumenten meer tijd spenderen en er meer interactie is met het verkooppersoneel. Dit vergroot vervolgens de kans dat de consument overgaat tot een aankoop. Baker e.a. toonden in 1992 aan dat er een significante invloed is van opwinding op de uitgaven van de consument. Ook Sherman, Mathur en Smith vonden dat opwinding een positieve invloed had op de uitgaven van de consument. Uit een ander onderzoek blijkt dat snelle muziek ervoor zorgt dat de consument sneller door de winkel wandelt en er dus sneller weer buiten is. Muziek met een rustig tempo daarentegen zorgt ervoor dat de consument meer tijd in de winkel doorbrengt. Hierdoor vergroot men de kans dat de consument iets koopt. Muziek kan dus invloed hebben op de tijd die de consument doorbrengt en indirect van invloed zijn op de omzet van de winkel. Dit komt waarschijnlijk omdat de consument onbewust loopt op het ritme van de muziek.
Daarnaast kan achtergrondmuziek de attitude van de consument richting het merk, de winkel, de servicekwaliteit of de prijs beïnvloeden. Onderzoek van Dubé en Morin laat zien dat achtergrondmuziek indirect de attitude richting de winkel beïnvloedt. De serviceomgeving wordt positiever beoordeeld als de muziek plezier opwekt. Deze gevoelens van plezier opgewekt door muziek versterken de attitude van de consument richting de winkel. Ten slotte kan achtergrond muziek ook het daadwerkelijke gedrag van de consument beïnvloeden. Areni en Kim vonden in hun studie dat in een wijnwinkel duurdere wijn werd gekocht wanneer er klassieke muziek werd gedraaid dan wanneer er top veertig muziek werd gedraaid. Zij verklaren dit aan het feit dat klassieke muziek beter past bij het kopen van duurdere wijn. In een andere studie vond men dat in een supermarkt waar Franse muziek werd gedraaid meer Franse wijnen werden gekocht, terwijl er meer Duitse wijn werd gekocht wanneer er Duitse muziek werd gedraaid. Bruner (1990) stelt dat ook het muziekgenre invloed kan hebben op de percepties en voorkeuren van de consument. Klassieke muziek is een genre dat wordt geassocieerd met termen als prestigieus en stijlvol. Een winkel waar klassieke muziek wordt gespeeld wordt waarschijnlijk als meer prestigieus en stijlvol gezien in tegenstelling tot een winkel waar men top 40 muziek hoort.

Op basis van deze bevindingen kan verwacht worden dat wanneer er sophisticated muziek wordt gedraaid t.o.v. non-sophisticated muziek dit een positieve invloed heeft op de geloofwaardigheid van het verkooppersoneel. Sophisticated muziek wordt beschouwd als aantrekkelijk, stijlvol, elegant, smaakvol, beschaafd en chic. Onderzoek van Sharma en Stafford (2000) heeft aan kunnen tonen dat de geloofwaardigheid van het verkooppersoneel wordt beïnvloed door de ambiance van de winkel. Het blijkt dat wanneer een winkelomgeving aantrekkelijk en schoon is consumenten het verkooppersoneel als meer geloofwaardig beschouwen. In de lijn van dat onderzoek is te verwachten dat muziek ook van invloed kan zijn op de geloofwaardigheid van het verkooppersoneel.
Muziek kan op verschillende manieren de emoties en het gedrag van consumenten beïnvloeden De onderzoekers Garlin en Owen geven in hun review vijf categorieën van variabelen aan. Volgens Garlin en Owen kan achtergrondmuziek in winkelomgevingen invloed kan hebben op de emotionele response van de consument, uitgaven van de consument, attitudes welke consumenten hebben richting het merk, de tijdsbeleving en het gedrag van consumenten.
Het meeste onderzoek naar de invloed van achtergrondmuziek heeft zich gericht op de emotionele response van de consument. Zo laat onderzoek van Dubé en Morin (2001) zien dat wanneer men veel plezier ervaart door muziek, men de service omgeving positiever beoordeelt dan wanneer men weinig plezier ervaart. Indirect beïnvloed de mate van plezier de attitude richting de winkel. Alpert en Alpert (1988) toonden aan dat droevige muziek zorgde voor meer negatieve emoties en vrolijke muziek voor positieve emoties.
Ook heeft een deel van het onderzoek zich gericht op de invloed van achtergrondmuziek op de uitgaven van consumenten. Onderzoek toont aan dat de emotionele response op de omgeving indirect het koopgedrag van de consument beïnvloed. Volgens onderzoek van Donovan en Rossiter brengen consumenten meer tijd door in een winkel welke als plezierig en opwindend wordt ervaren.
Daarnaast is er ook een positief verband met affiliatie. Er kan verwacht worden dat wanneer een winkelomgeving als plezierig en opwindend wordt ervaren consumenten meer tijd spenderen en er meer interactie is met het verkooppersoneel. Dit vergroot vervolgens de kans dat de consument overgaat tot een aankoop. Baker e.a. toonden in 1992 aan dat er een significante invloed is van opwinding op de uitgaven van de consument. Ook Sherman, Mathur en Smith vonden dat opwinding een positieve invloed had op de uitgaven van de consument. Uit een ander onderzoek blijkt dat snelle muziek ervoor zorgt dat de consument sneller door de winkel wandelt en er dus sneller weer buiten is. Muziek met een rustig tempo daarentegen zorgt ervoor dat de consument meer tijd in de winkel doorbrengt. Hierdoor vergroot men de kans dat de consument iets koopt. Muziek kan dus invloed hebben op de tijd die de consument doorbrengt en indirect van invloed zijn op de omzet van de winkel. Dit komt waarschijnlijk omdat de consument onbewust loopt op het ritme van de muziek.
Daarnaast kan achtergrondmuziek de attitude van de consument richting het merk, de winkel, de servicekwaliteit of de prijs beïnvloeden. Onderzoek van Dubé en Morin laat zien dat achtergrondmuziek indirect de attitude richting de winkel beïnvloedt. De serviceomgeving wordt positiever beoordeeld als de muziek plezier opwekt. Deze gevoelens van plezier opgewekt door muziek versterken de attitude van de consument richting de winkel. Ten slotte kan achtergrond muziek ook het daadwerkelijke gedrag van de consument beïnvloeden. Areni en Kim vonden in hun studie dat in een wijnwinkel duurdere wijn werd gekocht wanneer er klassieke muziek werd gedraaid dan wanneer er top veertig muziek werd gedraaid. Zij verklaren dit aan het feit dat klassieke muziek beter past bij het kopen van duurdere wijn. In een andere studie vond men dat in een supermarkt waar Franse muziek werd gedraaid meer Franse wijnen werden gekocht, terwijl er meer Duitse wijn werd gekocht wanneer er Duitse muziek werd gedraaid. Bruner (1990) stelt dat ook het muziekgenre invloed kan hebben op de percepties en voorkeuren van de consument. Klassieke muziek is een genre dat wordt geassocieerd met termen als prestigieus en stijlvol. Een winkel waar klassieke muziek wordt gespeeld wordt waarschijnlijk als meer prestigieus en stijlvol gezien in tegenstelling tot een winkel waar men top 40 muziek hoort.
Op basis van deze bevindingen kan verwacht worden dat wanneer er sophisticated muziek wordt gedraaid t.o.v. non-sophisticated muziek dit een positieve invloed heeft op de geloofwaardigheid van het verkooppersoneel. Sophisticated muziek wordt beschouwd als aantrekkelijk, stijlvol, elegant, smaakvol, beschaafd en chic. Onderzoek van Sharma en Stafford (2000) heeft aan kunnen tonen dat de geloofwaardigheid van het verkooppersoneel wordt beïnvloed door de ambiance van de winkel. Het blijkt dat wanneer een winkelomgeving aantrekkelijk en schoon is consumenten het verkooppersoneel als meer geloofwaardig beschouwen. In de lijn van dat onderzoek is te verwachten dat muziek ook van invloed kan zijn op de geloofwaardigheid van het verkooppersoneel.
Abonneren op:
Posts (Atom)