donderdag 13 februari 2014

Eric Clapton (5) 1970-1971

Een tijd lang trad Clapton samen met George Harrison op als gastmuzikant met Delaney & Bonnie (ontstaan uit Mad Dogs and Englishmen van Cocker en Russell), die het voorprogramma van de tournee van Blind Faith hadden verzorgd. In de zomer van 1970 leidde dit tot de oprichting van Derek and the Dominos, aanvankelijk met Dave Mason. Zoals later ook vaak het geval was nam hij de beste musici mee. Ook deze band hield het niet lang uit: na één LP en een Amerikaanse tournee was het opnieuw gedaan. Dit leverde echter wel de klassieke dubbel LP "Layla and other assorted love songs" en een dubbele live LP "In concert" op. Layla wordt nog steeds gezien als één van de hoogtepunten in de populaire muziek, mede door het feit dat hierin duidelijk de pijn van Clapton is te voelen die hij heeft vanwege de onbeantwoorde liefde voor Pattie Boyd, de vrouw van zijn vriend George Harrison.
Het nummer 'Layla' verscheen op het album 'Layla and Other Assorted Love Songs' van Derek and the Dominos. Samen met drummer Jim Gordon schreef Clapton het lied en hoopte hiermee Pattie Boyd, de vrouw van Beatle (en tevens goede vriend van Clapton) George Harrison, te overtuigen haar echtgenoot voor hem te verlaten.
foto - Classic Rock Records : Harrison Clapton BoydClapton liet zich inspireren door het boek 'The Story of Layla and Majnun', een verhaal over een jongen die hopeloos verliefd wordt op een mooie getrouwde vrouw en uiteindelijk gek werd omdat hij niet kon trouwen met haar. Clapton zag de overeenkomst met zijn eigen leven, aangezien hij hopeloos verliefd was op de getrouwde Pattie Boyd.
Toen het album uit kwam, speelde Clapton de muziek voor Boyd, gaf haar een exemplaar van het boek, en verklaarde zijn liefde aan haar. Ze hadden een korte relatie maar Boyd weigerde uiteindelijk Harrison te verlaten. Clapton gaf het echter niet op en trouwde jaren later toch met Boyd. Later schreef Clapton ook nog 'Wonderful Tonight' voor haar.

Door de combinatie daarvan met getalenteerde en gedreven muzikanten ontstond een echte klassieker. Onder andere de inbreng van gitarist Duane Allman bracht het geheel op een hoog niveau. Voordat Duane Allman in oktober 1971 bij een verkeersongeluk om het leven kwam, heeft de band in mei 1971 nog enige tijd in de studio gezeten om een tweede album op te nemen. Na een ruzie tussen Eric Clapton en Jim Gordon in de studio was de band opgeheven.

maandag 10 februari 2014

Young, Nash, Crosby, Stills (1)

Buffalo Springfield heeft een enorme impact gehad op folk-rock en country-rock en op de complete 'California rock sound'. Buffalo Springfield blijft niet lang bij elkaar. Ze spelen slechts twee jaar tussen 1967 en 1968. In die tijd brengen ze drie albums uit.

Hun debuutalbum waarop de grote hit “For What It’s Worth’ (geschreven door Stephen Stills) staat, zet de band op de kaart als een van de beste folk-rock bands van dat moment. Ze worden vaak vergeleken met the Byrds, maar Buffalo Springfield is meer folk en country georiënteerd.

Hun tweede album is getiteld Again. De band verandert van stijl en speelt meer hard rock en psychedelische rock in plaats van folk en country. Met Stephen Stills, Neil Young en Richie Furay heeft de band drie uitstekende songwriters. Maar de drie heren hebben ook nogal botsende ego’s. Vooral Stills en Young liggen nog al eens met elkaar overhoop. Young verlaat de groep verschillende periodes. Het laatste album toont duidelijk aan dat de groep uiteenvalt in verschillende solocarrières.




Uiteindelijk breken de persoonlijke spanningen en creatieve strijd in de band Buffalo Springfield op. De band valt definitief uiteen als Neil Young de groep verlaat om te beginnen aan solocarrière. Hij komt later terug bij Stephen Stills in de groep Crosby, Stills & Nash.

De tekst van Buffalo Springfield’s hit ‘For What It’s Worth’ uit 1967 is een symbool geworden voor de turbulente jaren ’60. Vaak wordt het nummer gebruikt in documentaires en tv-specials over de jaren ’60. Het is ook in verschillende films over die tijd gebruikt, zoals Forrest Gump en Oliver Stone's Born On The Fourth Of July.


zaterdag 8 februari 2014

Muziek en herinneringen





Hoe muziek herinneringen oproept
Muziek kan tot tranen toe roeren, en een paar tonen van een liedje zijn genoeg om gevoelens en herinneringen op te roepen van decennia terug. Hoe is dat mogelijk? Een muziekwetenschapper uit Californië denkt het antwoord te hebben, en hoopt met zijn kennis Alzheimer-patiënten te helpen.
Er is nauwelijks een mens te vinden die niet gevoelig is voor de effecten van muziek. Wetenschappers doen er steeds meer onderzoek naar, en ze weten een breed publiek te bereiken met hun bevindingen. Daniel Levitin had in 2007 een verkoopsucces met het boek ‘This is your brain on music’, en de bekende neuroloog Oliver Sacks deed het een jaar later minstens zo goed met ‘Musicophilia’.

In het boek van Sacks komt de bijzondere relatie tussen muziek en geheugen duidelijk naar voren. Een mooi voorbeeld is zijn patiënt Clive Wearing, een muzikant die door een herseninfectie werkelijk niets meer kon onthouden. Na een aantal seconden al was hij vergeten wat er daarvoor was gebeurd. Toch kon hij nog de meest ingewikkelde muziekstukken spelen, ook al hield hij bij hoog en laag vol ze niet te kennen.

Een andere patiënt van Sacks voelde als gevolg van een hersenbeschadiging geen enkele emotie meer. Zijn gedrag en communicatie was gespeend van elk gevoel. Maar als hij begon te zingen, deed hij dat met alle gevoel en emotie die bij de muziek paste. Muziek was de enige toegang die hij nog had tot zijn emoties.

Precious memories
Bijna iedereen kent deze verbinding tussen muziek, geheugen en emoties uit eigen ervaring. Een paar tonen van een liedje kunnen genoeg zijn om lang vergeten ervaringen tot in detail te herbeleven. Een hete zomerdag uit je kindertijd of de eerste dans met je eerste geliefde kunnen door muziek weer in al hun intensiteit naar boven komen.

Hoe is het mogelijk dat muziek zulke intense herinneringen en emoties kan oproepen? De Californische muziekonderzoeker Petr Janata denkt dit te hebben uitgedokterd en beschreef zijn bevindingen in Cerebral Cortex.

Janata liet een aantal van zijn studenten fragmenten uit dertig liedjes horen terwijl hun hersenactiviteit werd gemeten met behulp van fMRI-scanner. Deze hersenscanner kijkt waar het bloed in het brein naar toestroomt en geeft zo een beeld van waar de meeste activiteit is. Om er zeker van te zijn dat de muziek een associatie zou kunnen oproepen met het verleden van de studenten, koos Janata liedjes uit de top-100 uit jaren waarin de proefpersonen tussen de acht en achttien jaar oud waren.

Na elk liedje gaven de studenten aan wat ze van de muziek vonden, en of het een speciale herinnering opriep. Na de hele sessie moesten ze vertellen welke liedjes de meest intense herinneringen opriepen, en wat voor herinneringen dat waren.

Dorsale deuntjes
De studenten herkenden gemiddeld zeventien van de dertig liedjes, en associeerden dertien daarvan met herinneringen. De deuntjes die de sterkste meest emotionele reacties opriepen bij de studenten, riepen tevens de meest opvallende herinneringen op. En op die momenten was er de meeste activiteit in het dorsale deel van de mediale prefrontale cortex. Oftewel: een stukje hersenschors aan de voorkant van het hoofd.


Dit resultaat is een bevestiging van onderzoek dat Janata eerder heeft gedaan. Hij had toen een ‘kaart’ gemaakt van een aantal muziekstukken, waarop de ontwikkeling van een muziekstuk was uitgeschreven: van akkoord tot akkoord, van frase tot frase en van melodie tot melodie. Als proefpersonen naar deze muziekstukken luisterden, dan bleek uit hun hersenscan dat ze deze ontwikkelingen in de muziek bijhielden in hetzelfde gebied in de hersenschors. Ook riep dit allerlei herinneringen op.

‘Het mooie is dat de delen van de hersenen die de ontwikkelingen in de muziek bijhouden, dezelfde delen zijn die reageren op hoezeer de muziek is verbonden met herinneringen’, zegt Janata.

Muziektherapie
Dat kan goed nieuws zijn voor mensen met Alzheimer. Die reageren namelijk nog heel goed op muziek die verbonden is met hun herinneringen. Muziektherapie lijkt daarom een reële mogelijkheid. Een mp3-speler met een persoonlijke selectie van liedjes zou kwaliteit van leven van Alzheimer-patiënten op een goedkope en effectieve manier kunnen verbeteren.

Dus kijk niet raar op als Alzheimer-patiënten binnenkort gelukzalig voor zich uit zitten te mijmeren met een koptelefoon op. Ze zijn dan de mooiste episodes uit hun leven aan het herbeleven.

vrijdag 7 februari 2014

Armand

Armand's (geboren op 10 april 1946, als Herman van Loenhout) kans komt in 1966 tijdens een lokale Eindhovense talentenjacht, het Cabaret Der Onbekenden. Hoewel hij tot op dat moment steeds in het Engels heeft geopereerd treedt hij binnen dit kader op met Nederlandstalig repertoire. Het levert hem een platencontract op met Phonogram, waarvoor hij de geflopte single Want Er Is Niemand/Dat Is Juist De Pest opneemt. De tweede single, Een Van Hen Ben Ik, lijkt eenzelfde lot beschoren, tot een DJ van Radio Veronica de achterkant gaat draaien:



Ben Ik Te Min, het verontwaardigde relaas van een jochie uit de lagere klasse, dat zich hardop afvraagt of hij niet goed genoeg is voor het meisje waar hij verliefd op is. 'Omdat je ouders meer poen hebben dan de mijne.' Het succes komt zo snel en zo hevig dat in één dag een elpee opgenomen wordt, simpelweg Armand geheten. De eerste LP van Armand wordt in drie versies uitgebracht. De eerste versie opent op de B-kant met het nummer Wat Het Klootjesvolk Wil Weten. Platenmaatschappij Philips heeft bij nader inzien bedenkingen bij de titel en de teksten en vervangt het liedje op latere versies met Want Er Is Niemand. Na de hitnotering van Blommenkinders verschijnt de derde versie van het album. De plaat opent ditmaal met Blommenkinders en eindigt met de B-kant van de single. Hij heeft een diepgewortelde afkeer van de burgermaatschappij en het is dat waar zijn platen als Blommenkinders (1968), Een Beetje Vriendelijkheid (1974) en Terug Naar Aarde (1976) en zijn vele singles van vervuld zijn. De muziek varieert van authentieke singer-songwriter, beat en folk tot fanfare. Het succes van Ben Ik Te Min wordt echter niet meer geëvenaard. Op 15 april '66 is Armand één van de voorprogramma's van The Rolling Stones in de Houtrusthallen te Den Haag.

dinsdag 4 februari 2014

Meezingen

Psychologen van de Goldsmith University in Londen hebben wetenschappelijk weten vast te stellen welke muzikale factoren bepalend zijn voor het ‘meezing gehalte' van bepaalde melodieën.
De onderzoekers lieten daarvoor zo’n 1000 personen meerdere songs meezingen. De proefzangers werden het meest gestimuleerd en geinspireerd door:
  • Lange, gedetailleerde muzikale zinnen. Hoe langer een zanger in een adem zingt, des te groter de neiging om mee te zingen.
  • meerdere modulaties binnen het refrein,
  • de mannelijke stem, die meer uitnodigt tot meezingen dan de vrouwelijke. De onderzoekers schrijven dit toe aan oerinstincten, welke te maken hebben met het volgen van de leider van de stam
  • Hoge mannelijke stemmen met een niet al te breed stembereik.
“We are the champions” van Queen werd op basis van dit onderzoek uitgeroepen tot de ultieme meezinger op de voet gevolgd door 'YMCA' van The Village People.
Vreemd genoeg scoorden de Bee Gees afgaande op het belang van de laatst genoemde succesfactor niet hoog.

zaterdag 1 februari 2014

Roy Orbison (1)

Roy Kelton Orbison (Vernon (Texas), 23 april 1936 – Nashville (Tennessee), 6 december 1988) was een Amerikaanse country- en rockzanger. Hij staat sinds 1987 in de Rock and Roll Hall of Fame, en sinds 1989 in de Songwriters Hall of Fame. In 2010 kreeg Orbison postuum een ster op de beroemde Hollywood Walk of Fame.


Roy Orbison begon zijn carrière in 1956 bij het platenlabel Sun Records dat geleid werd door Sam Phillips en waar ook Elvis Presley, Johnny Cash, Jerry Lee Lewis en Carl Perkins onder contract stonden of hadden gestaan. Met het nummer "Ooby Dooby" waarvan er zo'n 500.000 stuks van werden verkocht en dat tot nummer 56 op de Billboard Top 100 kwam, scoorde hij zijn enige hit voor Sun. In de periode dat hij voor het platenlabel actief was, wist hij al dat zijn hart bij het zingen van ballads lag. Sam Phillips, de eigenaar van Sun Records, wilde echter dat Roy uptempo songs opnam, dit zeer tegen de zin van Roy. Toen Roy een grote hit schreef voor The Everly Brothers ("Claudette") zag hij zijn kans schoon en kocht zijn platencontract bij Sun Records af om zodoende ergens anders zijn geluk te kunnen beproeven.

Orbison kwam terecht bij het platenlabel R.C.A. waar Elvis Presley vele hits opnam. Roy bleef echter niet lang. Na een aantal nummers op plaat te hebben gezet verliet hij in 1959 het label en kwam terecht bij Monument Records dat onder leiding stond van Fred Foster.



De eerste single "Up Town" was een bescheiden succes en bereikte plaats 72 in de Billboard Top 100. De opvolger werd uitgebracht in 1960 en maakte van Roy Orbison een wereldster. Van het nummer "Only The Lonely" gingen ruim twee miljoen exemplaren over de toonbank en met dit nummer creëerde Orbison iets dat nog nooit eerder in de Rock-'n-Roll was gehoord; de dramatische rockballad. Tussen 1960 en 1965 produceerde Roy klassiekers als "Running Scared", "Crying", "Blue Angel", "Falling", "Blue Bayou", "It's Over", "In Dreams" en "Oh, Pretty Woman". Vaak rustig beginnend, bouwde Roy langzaam naar een climax toe die zowel in de arrangementen als in de stem en teksten van Orbison tot uitdrukking werd gebracht. De stem van Roy en de composities van zijn songs zouden hem de status van legende bezorgen. Er was echter nog een element dat de muziek van Orbison uniek maakte. Roy had namelijk ook het talent om liedjes op een totaal vernieuwende manier te schrijven. Het was in de beginjaren zestig de gewoonte om een song volgens een vast patroon te schrijven. (A,B,C,B,D,B) Roy schreef echter bijvoorbeeld in schema's als A,B,C,D...Z. Er kwam in het hele liedje dus geen enkele herhaling van zinnen voor. Het vroegste voorbeeld hiervan is de song "Wedding Day" uit 1961. "In Dreams" en "Falling" uit 1963 zijn echter de bekendste voorbeelden. "Running Scared" uit 1961 was een song die ook afweek van wat gewoon was op dit gebied omdat het refrein aan het einde van het lied zat i.p.v. in het midden. Toen het contract bij Monument Records in 1965 afliep was Roy Orbison een wereldster met platenverkopen die de 30 miljoen hadden overschreden.



Orbison tekende voor het M.G.M. label dat bereid was om hem het tot dan hoogste bedrag ooit (1 miljoen dollar contant) voor een platenartiest te betalen. Verder kreeg hij de kans om in films te acteren. M.G.M. had echter wel bedongen dat er per jaar 30 songs en 1 album geproduceerd moesten worden. Daarmee kwam de nadruk te liggen op de kwantiteit in plaats van op de kwaliteit van de songs, dit in tegenstelling tot wat bij Monument Records gebruikelijk was. De eerste single op het M.G.M. label was de top 20 hit "Ride Away". Het zou zijn grootste hit voor M.G.M. zijn. In 1966 had hij met "Cry Softly Lonely One" (top 52) zijn laatste hitnotering in Amerika. In Engeland had hij meer hits met als hoogste notering "Too Soon To Know" dat in 1966 de top 3 haalde. "Penny Arcade" was in 1969 zijn laatste notering in Engeland. Het opkomen van de Beatles en andere Britse bands (The British Invasion) en de daarmee veranderende smaak bij het platenkopend publiek, zorgde ervoor dat de aanwezigheid van Orbison in de hitlijsten minder werd. Verder vonden er grote tragedies in zijn privéleven plaats. Zijn vrouw Claudette kwam in 1966 om het leven bij een motorongeluk en twee van zijn drie zoons vonden in 1968 de dood bij een brand in zijn landhuis. De carrière van Roy Orbison kwam in een diep dal terecht. De hits bleven uit en het (grote) publiek leek hem vergeten te zijn. Zijn concerten in Engeland werden nog wel goed bezocht omdat de fans hem trouw waren gebleven, maar in zijn thuisland Amerika was dat volkomen anders. Daar trad hij met regelmaat op voor een klein publiek.

woensdag 29 januari 2014

Oh when the Saints

De mondharmonica is niet ontworpen om er Blues op te spelen. Hij is bedoeld om er liedjes als "Oh when the saints" en zo op te spelen. Dat kun je ook zien aan de manier waarop de tonen in de mondharmonica zijn ingericht. Om dat uit te leggen krijg je nu wat theorie voor je kiezen.
De standaard toonladder: C majeur, heeft zeven verschillende tonen: C D E F G A B, ofwel do, re, mi, fa, sol, la, ti. C is de grondtoon. Bij een liedje in die toonsoort kunnen ook zeven accoorden worden gebruikt. Accoorden zijn samenklanken van drie tonen. Ze worden Romeins genummerd van I tot VII. Voor de muziek zoals "Oh when the saints" zijn vooral het Ie en het Ve accoord van belang. Probeer even uit of je de toonladder kunt spelen, of een kinderliedje ofzo.
Als je speelt moet je voor de ene toon blazen en voor de andere zuigen. Eigenlijk zijn zuigen en blazen verkeerde woorden want het lijkt meer op ademen. Je moet je lippen zo tuiten dat je een dun straaltje lucht krijgt. zucht dan met dat dunne straaltje door de mondharmonica.

eerste accoord
blazen           do mi sol do mi sol do
gaatjes 1 2 3 4   5   6   7   8   9  10
zuigen           re  fa  la   ti   re  fa   la
vijfde accoord

Als je goed naar het bovenstaande diagram kijkt of goed luistert naar wat er uit je harmonica komt, dan valt het op dat er een onhebbelijkheid in de mondharmonica zit. Bij gaatje 1 tot en met gaatje 6 is het namelijk zo dat een toon die je zuigt hoger is dan een toon die je blaast, maar bij gaatje 7 tot en met 10 is dat net andersom. Dat is tamelijk verwarrend als je melodieen speelt die erg hoog gaan, maar het heeft ook een voordeel. Het ontstaat doordat een octaaf maar zeven verschillende tonen heeft. Door vanaf het zevende gaatje alles om te keren, moet je de do weer blazen. Daardoor klinken alle tonen die je blaast bij elkaar. En alle tonen die je zuigt ook.
In de tekening zie je dat er bij blazen alleen maar do's mi's en Sollen staan.
Dit zijn ook de tonen van het eerste accoord (ook blazen.) Op deze manier kun je heel moeilijk vals spelen op een mondharmonica. Dat maakt dat je het snel kunt leren en makkelijk erop kunt improviseren. Toch maken de meeste blues- spelers nauwelijks gebruik van de hoogste vier gaatjes. Ik heb dat alleen de virtuozere spelers horen doen. Dat ligt aan deze nuk, maar misschien ook aan de klank. Hoe hoger die toon hoe meer het een dunne piep wordt. Lage tonen zijn lekkerder, vetter en je kunt er meer effecten op maken. Bij mij zien de eerst zes gaatjes er ook aanmerkelijk meer afgehapt uit. Er zit ook veel meer speekselkaas aan.
Nu we het toch over de tonen hebben: Het tweede gaatje zuigen is gelijk aan het derde vakje blazen. Ik dacht in het begin dat er iets niet klopte aan mijn mondharmonica, maar het bleek nodig voor die twee accoorden en het is erg handig als je blues speelt.

dinsdag 28 januari 2014

EerbeToon



Pete Seeger overleden

De Amerikaanse folklegende Pete Seeger is gisteren op 94-jarige leeftijd overleden. Dat meldde de New York Times vandaag. Seeger was jarenlang een leidende figuur in de Amerikaanse folkmuziek.

Een gesjeesde student van Harvard, tijdelijk communist, pacifist, bajesklant, milieuactivist en folklegende. De maandag overleden folkmusicus Pete Seeger was het allemaal.

Heel zijn leven bleef hij activist. Zijn Nummer We shall overcome werd het symbool van de strijd voor gelijkberechtiging van de zwarten in de VS. Muzikaliteit zat Seeger in het bloed. Zijn vader was muziekleraar, zijn moeder violiste. Seeger zelf koos op 18-jarige leeftijd voor de banjo. Dat zou het instrument zijn waarmee hij een revolutie in de folkmuziek leidde. Het kostte hem wel zijn studie aan Harvard: de banjo vroeg te veel aandacht.

Kritiek en protest
Seeger staat in de traditie van folkmuzikanten als Woody Guthrie, die geregeld kritiek hadden op de Amerikaanse samenleving. Hij richtte op 21-jarige leeftijd de Almanac Singers op. Hij trad met deze controversiële band echter op onder een schuilnaam, Pete Bowers. Zijn teksten zouden namelijk vervelend kunnen uitpakken voor de politieke carrière van zijn vader. De pacifistische, linkse boodschap die zijn band verspreidde, viel niet overal in goede aarde, al groeide de populariteit van de Almanac Singers in de Tweede Wereldoorlog.

Seeger ging eind jaren '40 optreden onder zijn eigen naam. Het activisme verdween nooit. Zijn tweede band The Weavers, opgericht in 1947, werd bijvoorbeeld genoemd naar het toneelstuk van Gerhardt Hauptmann Die Weber, over een staking. Seeger had toen al een hit gescoord met If I Had A Hammer. The Weavers droegen een minder uitgesproken boodschap uit dan zijn eerste groep: zij zat meer verhuld in de tekst.

'On-Amerikaanse activiteiten'
The Weavers scoorden begin jaren '50 een reeks hits, waaronder On Top of Old Smokey, Goodnight, Irene en Tzena, Tzena, Tzena. Het succes was echter geen lang leven beschoren. In 1953 hief de groep zich op, nadat Seeger en zijn mannen het slachtoffer waren geworden van de anticommunistische stemming van die tijd. In die dagen zat hij ook een jaar in de cel wegens 'on-Amerikaanse activiteiten'. Seeger, in de jaren '40 kortstondig lid van de Communistische Partij, was een voorvechter van mensenrechten, pacifisme en milieu-activisme.

Solo hield Seeger het langer uit, zeker toen eind jaren '50 en in de jaren '60 de folk weer floreerde. Hij scoorde hits als Where have all the flowers gone, ook bekend in de versie van Marlene Dietrich, en We shall overcome. Dat laatste nummer werd een symbool in de strijd voor gelijke rechten voor de zwarte bevolking van de VS.

Hoewel daarmee Seeger zijn belangrijkste muzikale kruit had verschoten, bleef hij schrijven. Dat leverde in 1997 nog een Grammy Award op. Tot op het laatst was Seeger actief. Hij bleef nummers schrijven, bijvoorbeeld tegen de wereldleiders en milieuvervuilers, zoals in 2010 een nummer over het olielek in de Golf van Mexico.

zondag 26 januari 2014

Paul Butterfield

Paul Butterfield was de eerste blanke mondharmonica- speler, die door zijn krachtige zelfontwikkelde stijl onder de grootsten van de blues geplaatst mag worden. Het is haast ongelofelijk om te beschrijven wat Butterfield voor de blues heeft betekent. Voor zijn komst behandelden de blanken de blues altijd met een voorzichtig respect, maar hij veroverde een plaats van binnenuit en won het respect van medemuzikanten en publiek, zowel blank als zwart. Al zijn eerste opnamen uit het midden van de zestiger jaren waren een ware revolutie. Niet alleen was zijn band gevormd uit zowel blanken als zwarten leden, ook zijn muziek bestond uit electrische blues, vermengd met rock & roll, psychedelica, jazz en – op “East-West” – klassieke Indiase muziek.

Toen de leden van zijn band, waaronder Michael Bloomfield en Elvin Bishop, afscheid namen om hun eigen carrière te starten, werd de invloed van Butterfields muziek minder, maar zijn krachtige harmonicaspel was nog steeds onnavolgbaar. Halverwege de zeventiger jaren had hij zich voor een groot deel teruggetrokken, terwijl hij leed aan een zwakke gezondheid en een drugsverslaving, dat hem uiteindelijk het leven kostte.


Paul Butterfield werd geboren op 17 december 1942 in Chicago en groeide op in Hyde Park als zoon van een advocaat en een schilderes. Zijn ouders stimuleerden zijn muzikale aspiraties. Eerst nam hij fluitlessen, maar al snel raakte Paul geïnteresseerd in de muziek die in de South Side, waar hij woonde, overal te horen was: de blues. Met zijn vriend Nick Gravenites, die later professioneel blueszanger en -gitarist werd, begon hij al rond 1957 de clubs te bezoeken. Butterfield en Gravenites begonnen zelf muziek te maken en speelden al snel op de colleges in het Midwesten. Op de University of Illinois in Chicago ontmoette hij een andere bluesfan, gitarist Elvin Bishop. Butterfield concentreerde zich steeds meer op de muziek en verwaarloosde zijn studie. Hij werd een behoorlijk goede zanger en harmonicaspeler, maar moest toch de universiteit verlaten.


Butterfield en Bishop begonnen de bluesclubs te bezoeken en speelden ook zoveel mogelijk mee. Zij waren vaak de enige blanken in de clubs, maar werden al snel geaccepteerd vanwege hun enthousiasme en muzikaliteit. In 1963 kreeg Butterfield een vast contract aangeboden bij Big John's, een club aan de North Side, waar hij met Bishop, bassist Jerome Arnold en drummer Sam Lay ging spelen.


De beide laatsten had hij van Howlin' Wolf overgenomen door hen gewoon meer geld te bieden. Live-opnamen van deze eerste versie van de Paul Butterfield Blues Band verschenen in 1972 op de lp "An Offer You Can't Refuse".
In 1964 werd de Paul Butterfield Blues Band ontdekt door producent Paul Rothchild en, nadat gitarist Michael Bloomfield aan de band werd toegevoegd, werd een platencontract getekend bij Elektra.

In het begin was er wat wrijving tussen Butterfield en Bloomfield, omdat beide eigen ideeën hadden over de te kiezen richting. Maar na enkele maanden won het wederzijdse respect en begonnen zij clubs te bezoeken om zoveel mogelijk mee te spelen. De eerste opnamen werden afgekeurd, maar één van de nummers “Born In Chicago” verscheen op een verzamel-lp en veroorzaakt nogal wat opschudding in en rond Chicago.
In de zomer van 1965 gingen zij weer de studio in en, aangevuld met organist Mark Naftalin, werd de debuut-lp opgenomen. In de tussentijd kregen zij de kans om op te treden op het Newport Jazz Festival. Toen Bob Dylan hen hoorde vroeg hij ze hem later die avond te begeleiden. Dat werd het legendarische, of beruchte, concert waar Bob Dylan voor het eerst elektrisch versterkte muziek bracht en door de puristen werd uitgejouwd. Hoe dan ook, zij stonden hiermee aan de wieg van de electrische folkrock-beweging, dat het einde betekende van het traditionele festival.





Korte tijd later bracht de band hun eerste lp, “The Paul Butterfield Blues Band” uit, dat voor heel wat beroering zorgde onder de blanke bluesfans. Die hadden, buiten de Britse bluesbands, nooit eerder blanken zulke blues horen maken. Daarnaast gaf het de blanke bluesfans de kans zich verder te verdiepen in de geschiedenis van de blues en zo hun invloeden, zoals Muddy Waters en B.B. King, te leren kennen. Eind 1965 werd Sam Lay ziek en werd hij vervangen door jazzdrummer Billy Davenport.

Met zijn ondersteuning werd het geluid van de band uitgebreid, vooral door Bloomfields belangstelling voor de klassieke Indiase muziek. Dit nieuwe geluid is goed te beluisteren op hun tweede plaat “East-West”.

Op het hoogtepunt besloot Michael Bloomfield de band te verlaten om samen met Nick Gravenites The Electric Flag op te richten. Voor hun derde lp nam Elvin Bishop de rol op zich van leadgitarist. Deze lp, “The Resurrection Of Pigboy Crabshaw”, toont meer soulinvloeden en was voorzien van een blazerssectie met o.m. David Sanborn. Deze lp was het einde van Butterfields toptijd. De opvolger “In My Own Dream” viel tegen en zowel Bishop als Naftalin besloten in 1968 de band te verlaten.
In de hoop een commercieel te succes te halen huurde Elektra producer/schrijver Jerry Ragavoy in. Maar de samenwerking met Butterfield, die meer de jazzy kant op wilde, ging vrij moeilijk. Het resultaat, “Keep On Moving” was weer een tegenvaller. Toch was Butterfield nog niet helemaal afgeschreven. Zijn band was nog steeds populair genoeg om op Woodstock op te treden en hij nam deel aan Muddy Waters' “Father And Sons”-sessie.
Na in 1970 “Live” en in 1971 “Sometimes I Just Feel Like Smilin'” te hebben uitgebracht brak Butterfield met Elektra. In 1972 was op Elektra nog de lp "An Offer You Can't Refuse" verschenen, waarop de Paul Butterfield Blues Band één kant vulde met live-opnamen uit 1963. De andere kant werd gevuld door Big Walter Horton.
Moe van het opnemen, de personele zorgen en het toeren trok hij zich terug in Woodstock. Met een aantal muzikanten, waaronder Geoff en Maria Muldaur, vormde hij de groep Better Days. Met hen nam hij de soundtrack voor de film “Steelyard Blues” op. In 1972 volgde de eerst lp “Better Days” op Bearsville, het eigen label van Butterfields manager Albert Grossman. Het was niet op het niveau van zijn oude werk, maar werd toch alom gewaardeerd. Een jaar later volgde “It All Comes Back” en in 1975 werkte hij met Muddy Waters op diens “The Woodstock Album”.

Butterfield ging verder met zijn solocarrière, maar met tegenvallende resultaten. “Put It In Your Ear” verscheen in 1976, maar ook deze maakte weinig indruk. In hetzelfde jaar verscheen hij in de concertfilm “The Last Waltz” van The Band. De volgende jaren beperkte Butterfield zich tot sessiewerk. In 1981 deed hij nog een poging tot een come-back. Met producer Willie Mitchell werd “North-South” opgenomen, maar door het overheersende synthesizer- geluid en zwak materiaal sloeg ook dit niet aan. Rond deze tijd begon Butterfield problemen te krijgen met zijn gezondheid. Jarenlang alcohol- en drugsmisbruik eisten hun tol. Hij raakte nu ook verslaafd aan heroïne.

Omdat hij wat meer rond Los Angeles kon optreden verhuisde hij daarheen. Midden tachtiger jaren toerde hij wat meer en trad o.m. Op met Rick Danko, Levon Helm en leden van Booker T. & the Mgs. In 1986 bracht hij nog “The Legendary Paul Butterfield Rides Again” uit. Maar door zijn heroïneverslaving raakte hij zelf bankroet.
Op 4 mei 1987 overleed Paul Butterfield aan een hartstilstand als gevolg van een overdosis; hij was nog geen 45 jaar oud geworden. Een maand eerder had hij nog opgetreden op het gefilmde concert B.B. King & Friends, dat bij verschijnen aan hem werd opgedragen.