zaterdag 15 maart 2014

The Mississippi Sheiks


In de stortvloed van cd’s die we in de aanloop naar de Kerstperiode elk jaar weer over ons heen krijgen dreigt er menig fijn plaatje ten onder te gaan. Alle aandacht gaat naar de grote kleppers of nieuwe beloftevolle debutanten. Wie kijkt dan nog om naar een tribute voor haast vergeten bluesmuzikanten?
Ik heb het over Things About Coming My Way, A tribute to the music of The Mississippi Sheiks op het label Black Hen Records.
“The Mississippi wie?” hoor ik u denken. Daarom eerst een brokje geschiedenis.


de sheiks door Robert Crumb


The Mississippi Sheiks
In ons collectieve geheugen roept het woord blues twee beelden op: een eenzame zwarte gitarist met een akoestische gitaar, of een zwetende even zwarte man met een elektrische gitaar in een rokerige club. Toch is iemand als Robert Johnson – zowat het archetype van de akoestische blues – gestorven als een onbekende, terwijl de eens zo populaire Mississippi Sheiks nu zo goed als vergeten zijn.
De stringband, met gitaren, fiddles, bas en en mandolines of banjo’s gaat terug tot de negentiende eeuw. In het landelijke Amerika waren ze de enige bron van dansmuziek. Deze bands hadden allemaal een gelijkaardig repertoire, of de muzikanten nu zwart of blank waren. Ze speelden zowel walsen als polka’s, volksliedjes, blues en andere populaire melodietjes.
Aan het begin van de vorige eeuw was een van de populairste stringbands in Jackson, Mississipppi die van Ezell Chatmon. Hij werd begeleid door zijn vele zonen en andere familieleden. Sommigen daarvan groeiden later uit tot grote bluesmannen. Charlie Patton was bijvoorbeeld zijn halfbroer en Peter Chatman raakte bekend als Memphis Slim.
De Chatmons opereerden onder diverse namen: Walter Jacobs And The Carter Brothers, The Chatman Brothers, The Mississippi Mud Steppers, The Mississippi Blacksnakes en, vanaf 1926, The Mississippi Sheiks. Die naam ontleenden ze aan de in die periode populaire film The Sheik, met Rudolph Valentino.
De kern van de groep bestond tegen die tijd uit de fiddler Lonnie Chatmon en gitarist Walter Vinscon. De gitaristen Bo en Sam Chatmon hadden daarnaast ook succesvolle solo carrières en konden daarom niet altijd aanwezig zijn.
Dat was ook zo tijdens de eerste opnamesessie van de familie Chatmon. Die sessie voor het platenlabel Okeh, vond plaats op 17 februari 1930 in Shreveport, Louisiana. Walter zong, zichzelf begeleidend met zijn gitaarspel, terwijl Lonnie de fiddle beroerde. Onder de pseudoniemen Walter Jacobs en Lonnie Carter legden ze een aantal nummers vast, waaronder ‘The Jazz Filddler’, ‘World Gone Wrong’ en ‘Sittin’ On Top Of The World’.
Sittin’ On Top Of The World 
Dat laatste nummer sloeg onmiddellijk aan. Over de gehele Verenigde Staten gingen er meer dan een miljoen exemplaren van het achtenzeventig toeren plaatje van de hand. De opvolger ‘Stop And Listen’ deed het bijna even goed. The Mississippi Sheiks groeiden uit tot een ontzettend populaire band, met vele imitatoren.
In het boekje bij Heritage, een cd van de retro string band Carolina Chocolate Drops schrijft Dom Flemmons: “Van ‘Sitting on Top of the World’ wordt verteld dat het het favoriete nummer was van Bonnie en Clyde. Het werd ook geregeld uitgevoerd tijdens grote bijeenkomsten van de mafia. De Sheiks zelf beweerden later dat ze het ooit zongen op verzoek van Al Capone.”
Alles samen hebben ze zo’n zeventig nummers op band gezet, in diverse genres.
Maar de depressie maakte komaf met een en ander. Vanaf 1933 ging het succes achteruit en na een laatste sessie in 1935 trokken de mannen terug naar hun boerderijen.



De herkomst
Walter Vinson beweerde dat hij ‘Sitting on Top of the World’ schreef de ochtend nadat ze hadden opgetreden op een  danspartij voor blanken in Greenwood, Mississippi. De melodie had hij echter zo goed als zeker geleend van Tommy Johnson’s ‘Big Road Blues’ uit 1928. Victor Records, die het copyright op ‘Big Road Blues’ hadden, kloegen OKeh Records aan en de zaak werd in der minne geregeld.
Overigens gebruikte Robert Johnson het statige ritme en de melodie van het nummer van The Sheiks voor zijn eigen ‘Come On In My Kitchen’, terwijl Charlie Patton er ‘Some Happy Day’ van maakte en Tampa Red ‘Things About Coming My Way’. Anderzijds kunnen al deze songs ook worden terug gelinkt aan ‘How Long, How Long’ van Leroy Carr & Scrapper Blackwell, een dikke blueshit uit 1928.