dinsdag 16 september 2014

Nieuwe Nederlandse biografie over Cornelis Vreeswijk

De blues tussen Stockholm en IJmuiden

Het succes van Cornelis Vreeswijk in Zweden is voor ons thuisblijvers bijkans net zo moeilijk te bevatten als dat van Frau Antje in Duitsland of Hansje Brinker in de Verenigde Staten. Exportfolklore die het over de grenzen veel beter doet dan hier te lande. Vanzelfsprekend gaat die vergelijking volkomen mank, al was het maar omdat Vreeswijk – als mens van vlees en bloed – maar wat graag in Nederland was doorgebroken. Afgezien van de platinastatus van zijn elpee Cornelis Vreeswijk uit 1972, met De nozem en de non, is hem dat nooit echt gelukt.

Vreeswijk was een behoorlijk gemankeerde man, zoveel wordt duidelijk uit de biografie van Rutger Vahl, Misschien wordt ’t morgen beter. Cornelis Vreeswijk. De blues tussen Stockholm en IJmuiden. Verslavingsgevoelig, pathologisch jaloers en bij tijd en wijle ronduit paranoïde zijn slechts enkele karaktertrekken die uit zijn levensschets naar voren komen. Waren het de twee jaar in het Antonius Ziekenhuis, waar hij in 1944 als zevenjarige met TBC werd opgenomen, die zijn verlatingsangst verklaren? Of hij werkelijk aan de longaandoening leed, is nog maar de vraag. Wellicht wilde Jeanne Vreeswijk even met grote vakantie van haar kinderen, want de oorlog hield flink huis in IJmuiden, waar Cornelis is opgegroeid. De Hoogovens waren een gewild doelwit van geallieerde bombardementen, de bezetter beschouwde de kustplaats als een strategisch bolwerk in de Atlantic Wall. Toch ervoer Vreeswijk zijn verzorging in het Antonius als een idyllische periode. Hij las veel, wat hij zijn leven lang is blijven doen, en was gefascineerd door de vrouwen om hem heen – de nonnen en de Madonna’s. “Wij kinderen overleefden de oorlog – ‘omdat zij wonderen deed’./ Zelf dacht ik er vooral aan wat er schuilging onder haar gipsen kleed,” zong hij in Till en gipsmadonna (“Aan een gipsen madonna”). De Heilige als object van begeerte, ook dat werd een levenslang thema. De nozem en de non was een adaptie van de Beatrijslegende, waarin een kosteres haar habijt aflegt voor de genoegens van een aardse liefde. In de Middeleeuwse sage keerde de non uiteindelijk terug in de schoot van de moederkerk, in de versie van Vreeswijk gebeurt dat niet. De nozem en de non is vooral een aanklacht tegen de burgerlijke moraal van “mevrouw Janssen” en “de kapelaan”, die in het geflikflooi van de begijn met de rocker het werk van de duivel zien.



Visa en folk

Vreeswijk sloot met zijn teksten moeiteloos aan bij de tijdgeest van de jaren zestig. Hij was twaalf toen zijn avontuurlijke vader Jacob Vreeswijk met zijn gezin naar Marielund in Zweden emigreerde. De taal leerde hij door de poëzie van Nils Ferlin en Gunnar Ekelöf te lezen, muzikaal werd hij vooral beïnvloed door George Brassens. Vreeswijk debuteerde in 1964 met Ballader och oförskämdheter (“Ballades en brutaliteiten”), producent Anders Burman had wel oren naar de liedjes van de immigrant. In de Verenigde Staten vond een revival van de folk plaats, Zweden kende de eeuwenoude traditie van de visa, volksmuziek waarin het leven in al zijn facetten bezongen werd. Vreeswijk maakte zich het culturele erfgoed van zijn nieuwe vaderland op een originele wijze eigen, dat is wellicht het geheim van zijn succes. Hij zong teksten van het achttiende-eeuwse enfant terrible Carl Michael Bellman alsof ze vers van de pers waren, profileerde zich als marxist en hertaalde Bob Dylan en Dylan Thomas voor de Zweedse protestgeneratie. Het succes van Ballader och grimascher, zijn tweede studioalbum, maakte hem schatrijk. Hij had het er maar wat moeilijk mee. “Wanneer komt men erachter dat ze je te veel betaald hebben?” Verlegen, in het diepst van zijn wezen niet sociaal vaardig en beschaamd vanwege zijn zwaarlijvigheid raakte hij zo’n twee jaar na zijn doorbraak aan de harddrugs. De combinatie met de grote hoeveelheden alcohol leidde tot achtervolgingswanen. Hij botste met de Zweedse autoriteiten, volgens Vreeswijk vanwege zijn politieke stellingnames, maar het hielp natuurlijk niet mee dat hij meermaals dronken achter het stuur zat terwijl hij niet eens in het bezit van een rijbewijs was. In 1967 verdween hij voor drie maanden in de gevangenis en liep zijn eerste huwelijk op de klippen. Vreeswijk verlangde naar het “gezellige” Nederland en ervoer het welvarende Zweden als kil en solitair. In de eerste helft van de jaren zeventig trachtte hij onder Phonogram en met producent Gerrit den Braber door te breken in zijn moederland. De chemie bleef uit. “Technisch gesproken stelt de hele Cornelis Vreeswijk geen moer voor,” sneerde Jacques d’Ancona in het Nieuwsblad van het Noorden en Het Parool ergerde zich aan het “weinigzeggend rijm” van liedjes als: “Felicia verdween,/weet iemand hoe dat kwam./Het hek was van de dam./En het begon te sneeuwen,/daar vloog ze als de meeuwen.”

Zelfdestructief

“Er was een Cornelis van de jaren zestig en een Cornelis van de jaren zeventig,” concludeert Rutger Vahl in zijn biografie. Die van de jaren zeventig is vooral de Cornelis van de zelfdestructie, waarin zijn uitstapje naar Nederland hem van het Zweedse publiek vervreemdde, relaties op de klippen liepen en zijn alcohol- en drugsverslaving tot psychische problemen leidden. Er was hoop toen Bim in zijn leven kwam, zijn tweede echtgenote. Vreeswijk viel voor haar doortastendheid. Ze nam zijn torenhoge belastingschulden onder handen en gaf hem lik op stuk als hij haar de onhebbelijke kanten van zijn persoonlijkheid liet zien, maar ook zij vond zijn achterdocht uiteindelijk onverdraaglijk. In 1975 volgde de echtscheiding. De teloorgang liep, gek genoeg, parallel met die van de Zweedse samenleving in zijn geheel. De sociaaldemocratische welvaartsstaat begon barsten te vertonen, tijdens de parlementsverkiezingen van 1976 werd de arbetareparti van Olaf Palme voor het eerst in 44 jaar verslagen. De come back van Vreeswijk, toen hij op oudejaarsavond 1985 door Ulf Lundell (“de Zweedse Bruce Springsteen”) op het podium werd uitgenodigd en een nieuwe generatie zijn muziek omarmde, vond ruim een jaar voor de moord op de premier plaats. Die moord luidde het einde in van “het ideaal van het folkhemmet, het thuis van het volk, waar consensus en het algemeen belang sterker waren geweest dan onderlinge tegenstellingen,” aldus Rutger Vahl.

Het knappe aan Misschien wordt ’t morgen beter. Cornelis Vreeswijk. De blues tussen Stockholm en IJmuiden is dat Rutger Vahl de context van die Zweedse samenleving meeslepend weet te beschrijven. Vahl, opgegroeid met de muziek van Cornelis Vreeswijk (zijn vader was een fan), is onmiskenbaar verknocht aan het oeuvre van de Hollandse troubadour op Zweedse bodem. Toch schiet Vahl in zijn analytische vermogens te kort, waardoor we als lezer vooral een feitenrelaas over leven en werk van Cornelis Vreeswijk krijgen voorgeschoteld en verweesd achterblijven bij de grote vragen die het boek oproept. Waar kwam toch die haat-liefdeverhouding van Vreeswijk met zijn tweede vaderland vandaan, dat hem ogenschijnlijk in zijn armen had gesloten? Hoe kon Vreeswijk, in weerwil van zichzelf, uitgroeien tot de megaster wiens vroegtijdige dood op 12 november 1987 tot op de dag van vandaag in Zweden wordt betreurd? Wellicht is Misschien wordt ’t morgen beter ook de biografie van een man die met zijn pathologische achterdocht nog het meest twijfelde aan de rechtmatigheid van zijn eigen succes en de proef op de som nam door zichzelf kapot te maken. Die biografie moet nog geschreven worden.

Misschien wordt ‘t morgen beter. Cornelis Vreeswijk. De blues tussen Stockholm en IJmuiden
Rutger Vahl
Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar
ISBN 9789038898728
Verschenen april 2014

Luister hier naar OBA Live met daarin het interview door Theodor Holman met Rutger Vahl.

link naar oorspronkelijke bericht