donderdag 20 april 2017

Rock around the clock

Terecht mag je zeggen dat als je een breuklijn wil aanduiden in de muziekgeschiedenis tussen amusementsmuziek en pop je de single Rock around the clock van Bill Haley als mijlpaal kan nemen om die grens te trekken. Je kan zelfs spreken van muziekstijlen voor en muziekstijlen na die wat velen beschouwen als de allereerste rockplaat in de geschiedenis van de lichte muziek.

Nu moeten we voorzichtig zijn met Rock around the clock aan te duiden als allerteerste rockplaat,want puristen zweren bij Rocket 88 van Jackie Brenston opgenomen in 1951 en uitgebracht op het Chess label. Brenston was saxofonist in de band van Ike Turner. Iets later nam Bill Haley dat nummer ook op en zo kan je stellen dat die versie de allereerste rockplaat was gezongen door een blanke jongen, wat in het Amerika in die dagen heel belangrijk was, want race records, platen van zwarte zangers, werden gemeden toen gemeden als de pest. Gelukkig waren er blanke deejay’s als Alan Freed die die zwarte platen oppikten en aan een blank publiek lieten horen. Freed was de eerste die de term rock and roll gebruikte. Hij had die ontleend van het liedje We’re gonnan rock, we’re gonna roll, een plaat uit 1947 van Wild Bill Moore. Dus, Bill Haley aanduiden als the father of rock and roll geeft de man de eretitel waar hij recht op heeft.

Bill begon in de groep The Downhomers. Hij was daar aangenomen niet alleen omdat hij kon gitaar spelen, maar kon jodelen. Toch hield hij het niet lang vol bij hen, wordt deejay bij WSNJ in New Jersey om iets later zijn groep The Four Acves of Western Swing samen te stellen. Dat verhaal duurt ook niet lang en in 1949 treedt hij op met zijn nieuwe band The Saddlemen. Hun muziekstijl wordt een mengeling van country en rhythm and blues. Drie jaar later is er de single Rock this joint om dat te illustreren. Omdat Haley zijn stijl almaar aanpast, krijgt de groep in 1953 weer een andere naam. Vanaf dan noemen ze zich The Comets en scoren hun eerste echte hit met Crazy man, crazy. Meteen kunnen we ook stellen dat dit de eerste rock and roll plaat is die de hitlijsten haalt. De plaat geraakt tot op 15 in de Amerikaanse top honderd.

In New York heeft intussen muziekuitgever Jimmy Meyers onder zijn schuilnaam Jimmy De Knight samen met Max Freedman speciaal voor Halye het nummer Rock around the clock geschreven. Maar hun toenmalige platenbaas Dave Miller van Holiday Records ziet dat nummer niet zitten. Het is wachten tot in 1954 dat contract afloopt Haley het voor Decca Records mag opnemen nadat Milt Gabler hun een nieuwe deal had aangeboden. De 20ste maart van dat jaar stond Sonny Dae al in de studio samen met zijn groep The Knights om een versie van Rock around the cock op te nemen, maar de 12de april is de beurt aan Bill Haley. Hij trekt samen met The Comets aangevuld met tweetal sessiemuzikanten naar de studio. Twee songs worden opgenomen: Thirteen women en Rock around the clock. De eerste reacties op de plaat waren matig. Er was méér oor naar hun cover van Joe Turner’s Shake, rattle and roll. Met deze single dook Haley de top tien binnen. Vanaf dan werd hij een nationaal idool. Met de singles Dim, dim the lights en Mambo rock zou hij nadien de top twintig veroveren. Jimmy Myers bleef echter geloven in het hitpotentieel van Rock around the clock. Hij zond iedereen die hij in Hollywood kende een exemplaar in de hoop dat het in een of andere soundtrack zou opduiken. En zo gebeurde het ook. In de lente van 1955 werd de film The blackboard jungle gelanceerd met in de hoofdrol Glenn Ford. Het verhaal over een leraar die met agressieve studenten krijgt af te rekenen. De film begint met het liedje Rock around the clock. De vlam sloeg gelijk in de pijp en binnen de kortste keren werd de singleversie opnieuw in de rekken gezet. De 9de juli 1955 stond Rock around the clock op nummer 1 in de Amerikaanse charts en zou het daar 8 weken na mekaar uithouden.

Hiermee was ook een nieuwe trend gezet, namelijk die van de rockfilm. Dat succes werd snel aangevuld toen producer Sam Katzman Bill Haley en zijn Comets centraal plaatste in de film Rock around the clock, maar de echte hits op plaat bleven vreemd genoeg uit. Haley kwam wel erg goed aan de bak dankzij zijn vele live-optredens. In de jaren zestig trad hij vaak in Europa op, met name in Engeland en profiteerde nadien van de rock and roll revival. Toch voelde Haley dat hij er niet meer echt bijhoorde en ook nooit gehoord had, want collega’s als Elvis Presley, Little Richard, Buddy Holly en Chuck Berry werden in het rock and roll milieu meer op hun waarde geschat. Haley geraakte aan de drank en hield er een hevige vorm van paranoia aan over. De 9de februari 1981 begaf zijn hart het. Hij overleed in zijn huis in Harlingen, Texas.

zaterdag 15 april 2017

Geschiedenis van de jazz (7)

Alhoewel in Engeland deze richting ook vertegenwoordigd was door twee bandleaders, namelijk Ronnie Scott (die vooral bekend werd door zijn eigen club in Soho, waar hij jamde met Amerikaanse gasten) en Johnny Dankworth (met als zangeres zijn vrouw Cleo Laine), toch blijft de bop ook hier een genre in de marge. Een meer populaire big band was die van Ted Heath met gitarist Bert Weedon en zanger Dickie Valentine.

De Trad Jazz daarentegen bezorgde de jazz een populariteit die zelfs zijn weerspiegeling vond in de pophitparade met namen als Sidney Bechet, Acker Bilk, Ken Colyer en Chris Barber. De oorzaak van die populariteit moeten we gaan opsporen in het jaar 1934. Toen kon de muzikantenvakbond een ban op Amerikaanse orkesten afdwingen. Het laatste combo dat te gast was, was dat van Louis Armstrong en men kan zeggen dat de jazz-evolutie in Engeland zo’n 25 jaar op datzelfde niveau is blijven stilstaan. Het was onder invloed van Humphrey Lyttelton dat in de jaren veertig de revival van dixieland werd ingezet.

Toch was er één overeenkomst met de aanhangers van de bop en dat is dat ook deze trad jazz scene zich links situeerde op de politieke kaart. En niet zo maar “flauwtjes” links: de meeste organisatoren waren lid van de communistische partij. Dat was eigenlijk vrij logisch in een tijd dat men alleen al door het spelen van zwarte muziek een radicaal standpunt innam.

Ken Colyer b.v. baatte in de jaren veertig een communistisch boekenwinkeltje uit in het centrum van Londen. Daar had hij ook een klein rekje met importplaten uit de Verenigde Staten: “Folk songs from the American working-class people”. Hierbij ook platen van Woody Guthrie en Leadbelly. Hoe het samengaan van trad jazz en Amerikaanse folk uiteindelijk tot de Britse beat boom heeft geleid, leg ik uit in mijn bijdrage over skiffle (zie elders op deze blog), maar wordt ook goed geïllustreerd door de manier waarop The Spencer Davis Group tot stand is gekomen. Lawrence Winwood had namelijk eveneens een trad jazz combo, waarin ook zijn zonen Muff en Steve speelden, ook al was Steve toen amper de korte broek ontgroeid.

Steve Winwood: “Muff and I would go along with our dad and play on some of the dance sections with him. They used to do the fox-trot, the waltz, the quickstep and a rock’n'roll jive section with popular numbers by the Shadows and Duane Eddy. We’d play along on all of that stuff.”

Later stichtte de oudste zoon Muff zijn eigen trad bandje The Muff Woody Jazz Band, uiteraard met zijn broertje Steve. Toen ze in 1963 in The Golden Eagle in Birmingham optraden, zat er in het voorprogramma een folkgitarist, Spencer Davis, die o.a. nummers van Big Bill Broonzy en Leadbelly zong. Davis zag wel iets in een vermenging van trad jazz en folk en overhaalde de Winwood-brothers om samen een rhythm’n'blues-groepje te stichten: The Spencer Davis Group!

Ook Nederland geraakte aangestoken door de nostalgie-rage met The Dutch Swing College Band. In Vlaanderen waren het de Cotton City Jazz Band en (later) The Jeggpap New Orleans Jazz Band, respectievelijk uit Gent en Dendermonde.
Daar de bop ondertussen voor vele jazzliefhebbers in de Verenigde Staten toch iets te “hitsig” was, stelde men daar nu de cool jazz voorop, waarmee het centrum van het muzikale leven zich nog verder naar het westen verplaatse. De coolvertolkers zochten vooral naar een andere klankkleur. Dit trachten zij eerst te bereiken met eigenaardige samenstellingen. Zo bestond de Second Herman Herd uit vier saxofonisten: Woody Herman zelf, Zoot Sims, Herb Steward en Stan Getz.

Er was ook nog het Gerry Mulligan-kwartet dat bestond uit: Gerry Mulligan, baritonsax; Chet Baker, trompet; een bassist en een drummer. Dat is trouwens ook de dood geweest voor de cool: de effecten werden goedkoop. Als Chet Baker dan ook nog begint te zingen bijvoorbeeld onderscheidt hij zich in niets van een commercieel product. Dat gevaar zat er ook in bij Miles Davis, maar deze weet dit te onderscheppen door technische spitsvondigheden (bijvoorbeeld de wawapedaal op zijn trompet) en vooral door zijn talent en feeling vermijdt hij ook de sleur op de meeste van zijn platen. Miles Davis parafraseerde Gustav Mahler toen hij als regel opgaf: “Don’t play what’s there, play what’s not there.”

vrijdag 7 april 2017

Graceland

In 1987 kreeg Paul Simon voor zijn album Graceland een Grammy for Album of the Year. Ook de titelsong ging met de eer lopen en werd bekroond met een Grammy for the Song of The Year. In 2007 ontving Simon met de nodige honeurs The Library of Congress Gershwin Prize for Popular Song. Graceland is tot op de dag van vandaag Paul’s best verkochte album: méér dan veertien miljoen exemplaren. Zelf vindt hij Graceland niet alleen zijn beste album, maar eveneens de beste song die hij ooit heeft geschreven.
In 1984 stelde Simon  vast dat zijn album Hearts and Bones, zijn zesde soloalbum in een productie van Russ Titelman, Roy Halee en Lenny Waronkel, niet goed verkocht had. Ook de twee singles daaruit Allergies en Think too Much werden geen hoogvliegers. Muzikaal zat Simon op een dood spoor Net dan krijgt hij van een vriend een cassette met daarop muziek die je in de straten van Soweto op elke hoek kan horen. Zuid-Afrikaanse muziek in een aanstekelijk ritme. Ginder noemen ze dat genre mbaqanga: een mengeling van jazz, marabi en kwela, gemakkelijke volkse deuntjes die op eenvoudige en goedkope instrumenten worden gespeeld, zoals zelfgemaakte fluitjes. De muziek die Paul Simon op die cassette te horen krijgt, staat verzameld op het album Gumboots: accordeon jive hits, volume II. Op zijn album Graceland heeft Simon trouwens een volledige track gewijd aan Gumboots. Het is zeer vrolijke en aanstekelijke muziek uit een tijdperk dat van wereldmuziek nauwelijks sprake was. De enige Zuid-Afrikaanse hits die tot bij ons waren geraakt, waren sommige songs van Hugh Masakela en Myriam Makeba. De Zuid-Afrikaanse liedjes die Paul Simon te horen krijgt op die cassette worden uitgevoerd door The Boyoyo Boys. Hij had thuis al  scattend met hun stemmen op de achtergrond een aantal liedjes uitgeprobeerd en wou hen contacteren om samen met hen in hun thuisland wat nummers in the blikken. Simon stond er toen niet bij stil dat op basis van de apartheid die in Zuid-Afrika heerste,  er op dat moment een internationale culturele boycot werd gevoerd. Via zijn platenfirma geraakt hij in contact met Hilton Rosenthal, een muziekproducer die hem een hele rist Zuid-Afrikaanse platen laat beluisteren. Simon negeert, een beetje onwetend, beweert hij achteraf, de culturele boycot, vraagt aan Rosenthal een aantal muzikanten op te trommelen en nog geen jaar later zit hij in de studio in Johannesburg om een aantal nieuwe songs in te blikken. De muzikanten die hij daar heeft aangetrokken zijn: Tao Ea Matsekha, een groep uit Lesotho, General M.D. Shiranda and The Gaza Sisters en The Boyoyo Boys Band. Maar de fusie tussen zijn liedjes en hun Zuid-Afrikaanse ritmen vlot moeilijker dan Simon aanvankelijk dacht. De samensmelting lukt niet zo goed. Via urenlange jamsessies komen ze uiteindelijk tot een soort aanvaardbare mix van beide werelden. Voor Simon is het erg moeilijk om datgene dat hij wil horen te omschrijven, want zijn muzikanten praten nauwelijks Engels. Nu is de sfeer ook niet meteen je dat. In Zuid-Afrika was het niet de gewoonte dat blanke en zwarte muzikanten met elkaar vlot omgingen, schouderklopjes uitdeelden, samen aan tafel zaten enz… De sfeer was beladen, er hing een onaangename spanning in de lucht. In 1985, wanneer Paul Simon druk bezig is met de opnamen van Graceland, staat het apartheidsregime volop in de belangstelling. Vergeten we niet dat Nelson Mandela, de voormalige leider van het ANC, het Afrikaanse Nationaal Congres, nog in de gevangenis zit en dat de blanke Frederik Willem De Klerk als president de plak zwaait. Met geweld wordt de zwarte meerderheid de kop ingedrukt. Simon ziet hoe het racisme in Zuid-Afrika nog altijd hoogtij viert. Hij houdt die ondraaglijke sfeer niet vol en verhuist met de ganse ploeg naar de opnamestudio in New York. In Zuid-Afrika heeft Paul Simon intussen wel al zes nummers voor zijn album klaar. Hij was anders te werk gegaan dan normaal. Deze keer kwam hij niet naar de studio met kant en klare teksten. Ook geen melodie zat er in zijn hoofd. Hij wilde eerst vertrouwd geraken met de verschillende ritmen, die ook eerst inblikken en pas dan zou hij er  een tekst bij schrijven en inzingen.
Eenmaal in New York gearriveerd, zijn de Zuid-Afrikaanse muzikanten dol van blijdschap. Ze voelen zich verlost, vrij en gewaardeerd als zwarten. Er wordt verder gewerkt in The Hit Factory in New York City. Paul Simon viert zijn muzikale teugels en trekt naar Lafayette, Louisiana om daar samen met enkele zydeco muzikanten enkele fragmenten in te blikken. Hetzelfde doet hij in Los Angeles samen met Los Lobos. Die werkten mee aan het nummer All Around the World of The Myth of Fingerprints. Maanden nadat het album een immens succes te beurt is gevallen, claimen Los Lobos een deel van de auteursrechten van de song. Tot op de dag van vandaag is die kwestie nog altijd niet opgelost ook al houden ze vol dat toen Simon in de studio arriveerde er niets op papier stond en dat zij hem aan de melodielijn en een deel van de lyrics hebben geholpen.  Voor de song Diamonds on the Soles of Her Shoes doet Simon een beroep op Ladysmith Black Mambazo onder leiding van Joseph Shabalala en de Senegalees Youssou N’Dour op percussie.Ladysmith Black Manbazo werd in het begin van de jaren zestig opgericht door Josephen leende veel van de muziektraditie en songs van de Zulu’s. Pas in 1973 namen ze hun eerste plaat op. Zij werden toen al gerekend tot de beste Zuid-Afrikaanse a-capellagroep.
De titelsong Graceland, nochtans Simon’s lievelingsnummer, werd op single géén hit. Hij schreef het liedje toen hij met de auto op weg was naar Graceland en terugdacht aan zijn mislukt huwelijk met actrice Carrie Fisher. Dat hield amper elf maanden stand. Carrie is ondermeer bekend van haar rol als prinses Leia in de Star War films van George Lucas. De laatste jaren geeft Carrie lezingen over haar alcohol- en drugsverslaving en haar bipolaire stoornis.  Paul Simon wou tijdens de opname van het nummer Graceland koste het wat het kost The Everly Broters als backing vocals en die zeiden maar al te graag ja. Opvallend is het aandeel van bassist Bakithi Kumalo en gitarist Ray Phiri. Na het opnemen van de basistracks worden er iets later steelgitarist Demola Depoju en The King Sunny Ade Band uit Nigeria aan toevoegd. Het nummer werd qua basistracks in de Ovation Studios in Johannesburg ingeblikt en later bijgewerkt in de Amigo Studios in Los Angeles en The Hit Factory in New York. The Everly Brothers zijn niet de enige bekenden die aan het album Graceland meewerkten, want Linda Ronstadt hoor je in de achtergrond tijdens het nummer Under African Skies. Dus geen hit voor de single Graceland die de 6de december 1986 op het Warner Label op 45 toeren werd uitgebracht. In Billboard’s Hot One Hundred geraakte de plaat niet hoger dan de 81ste plaats. You can call me Al uit het album Graceland had het op single veel beter gedaan met een 23ste plaats als hoogste score. In het buitenland hoeven we voor de singleversie van Graceland ook niet op zoek te gaan naar een hoge notering. You can call me Al werd bij ons gelauwerd met een tweede plaats in de top dertig. Voor Graceland  zelf was daarin geen ereplaats weggelegd. Onze noorderburen leggen het zelfde palmares voor.
Het album Graceland wordt wél een fenomenaal succes. Wereldwijd een regelrechte hit. Met zijn album toonde Paul Simon dat Afrika stond voor veel méér dan armoede en ellende. Toch oogstte hij kritiek omdat men vond dat hij  door de door de ANC uitgeroepen culturele  boycot naast zich neer te leggen niet had meegeholpen aan het uitroeien van het apartheidsregime. Tijdens betogingen wordt er letterlijk  ‘Yankee Go Home’ in zijn richting gescandeerd. Ook al had hij de Zuid-Afrikaanse muziek een mooi klank- en uithangbord gegeven op zijn album Graceland, toch vonden de aanhangers van het ANC niet dat hij hun daarmee ook maar één stap had verder geholpen. Het zat hun hoog dat hij vooraf geen afspraken had gemaakt met de vrijheidsbeweging. Zij vonden dat Simon door in Zuid-Afrika te komen musiceren en opnemen, akkoord ging met president De Klerk en zijn regering. Op basis van hun apartheidspolitiek werden blanken en zwarten nog altijd van elkaar gescheiden, er werd op het zwarte ras laatdunkend neergekeken. Op het moment dat Graceland in 1985 in de hitlijsten opduikt, woedt de strijd op zijn hevigst. Hoe vreemd het ook in onze oren mag klinken, het ANC had liever gehad dat Simon niet met Zuid-Afrikaanse muzikanten had samengewerkt.
Toch trekt Simon in 1987 met de ganse bende op tournee, voor die heren natuurlijk een feest, want thuis kwamen ze alleen aan de bak in obscure zaaltjes ver uit de buurt van bekende nachtclubs en concertzalen.  Samen met Simon werkten ze in een sfeer van gelijkheid, alles draaide om de muziek. En vergeten we niet uit het oog dat door het succes van Graceland er méér aandacht door de buitenwereld werd geschonken aan het probleem van apartheid in Zuid-Afrika. Graceland bracht mensen bij elkaar en die vaststelling staat nog altijd buiten kijf. Dit doet kenners daarom ook beamen dat Graceland dan ook een trapje hoger staat dan het album Bridge over Troubled Water, nog zo’n klassieker van Paul Simon, maar dan samen met Art Garfunkel. Wanneer in 1992 Nelson Mandela president van Zuid-Afrika wordt en aan het apartheidsregime een halt wordt toegeroepen, is Mandela de eerste om Paul Simon in zijn land uit te nodigen voor een concert.

zaterdag 1 april 2017

Geschiedenis van de Nederlandse popmuziek (1)

Populaire muziek is van alle tijden. In de middeleeuwen en de renaissance zijn er al deuntjes die algemeen bekend zijn. Hoe die klonken weten we in veel gevallen nog omdat de melodieën zijn overgeleverd als psalmen, gezangen en kinderliedjes. Met de uitvinding van de radio en de grammofoonspeler eind 19e eeuw wordt het mogelijk geluid vast te leggen en te verspreiden. Dit betekent ook in Nederland een stimulans voor de liedcultuur, die vooral in de jaren twintig en dertig een flinke vlucht neemt.

De bekendste Nederlandse artiesten in die tijd zijn de cabaretier Jean-Louis Puisuisse en de revue-artiesten Louis Davids, Willy Derby, Lou Bandy en Frans van Schaik. Belangrijkste vertegenwoordigers van de jazzcultuur zijn The Ramblers en het Miller Sextet. Opmerkelijk is de populariteit van de hawaiianmuziek, in de jaren twintig geïntroduceerd door verlofgangers uit Indië en Indische Nederlanders. In de zomer van 1945, als heel Nederland feest viert, ontketenen de Kilima Hawaiians, een ware hawaiian-rage.


Van popmuziek is pas sprake wanneer zich binnen die populaire muziek een aparte muziekcultuur voor jongeren aftekent. In Nederland gebeurt dat in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. In de loop van de jaren vijftig krijgen jongeren, voor het eerst in de geschiedenis, een eigen besteedbaar budget. Dat gaat op aan bromfietsen, nylons, sigaretten, snacks en grammofoonplaten (45 toeren singles).

zaterdag 25 maart 2017

Ticket to ride

De 22ste mei 1965 stonden The Beatles bovenaan de Amerikaanse hitlijsten met Ticket to ride. Drie maanden later traden ze op in het Shea Stadium in New York voor méér dan 55.000 dolgedraaide fans. Die 23ste augustus bracht het concert 304.000 dollar op, op wereldschaal een recordbedrag.
Na het overweldigend succes van hun eerste film A Hard Days Night werd er niet lang geaarzeld om een tweede in te blikken Help. Een nummer dat in de soundtrack opduikt, is het door John Lennon geschreven Ticket to Ride dat hij in 1965 schreef net voor ze naar de Bahama’s zouden afzakken om daar aan de filmopnamen te beginnen. Hij dacht tijdens het schrijven terug aan hun verblijf in Hamburg toen ze daar in de hoerenbuurt optraden. Zijn gedachten gingen terug naar de dames van lichte zeden die op regelmatige basis op onderzoek bij de dokter moesten ter controle of ze geen geslachtsziekte hadden opgelopen. Ze kregen dan een kaart mee met daarop de stempel oké wat ze in de wandelgangen al lachend a ticket to ride noemden. Niet te verwarren zoals de fans in het begin dachten te horen met’ A ticket to Ryde’, een plaatsje op het Island of Wight. Een familielid van Paul McCartney baatte hier een restaurant uit. Lennon liet het nummer aan Paul horen om het verder af te werken en in nog geen drie uur tijd was de song klaar. Ticket to ride was een song die ze scheven om hun elpee Help kant en klaar te krijgen, kortom ze hadden voldoende liedjes nodig. Opvallend aan het liedje is dat het ritme van de song op het einde versneld wordt. Lennon was zo’n ijdeltuit dat hij het nummer helemaal naar zijn kant trok. Het was ‘zijn’ song. Hij dichtte Paul alleen de verdienste toe dat die Ringo Starr aangaf hoe hij de drums diende bespeeld te worden.
Duidelijk te horen is dat Lennon de solozang voor zijn rekening neemt en McCartney de harmonieën mag invullen daarbij geruggesteund door George Harrison. Gelukkig voor hen pasten de technici van dienst Norman Smith, Jerry Boys en Ken Scott een nieuwe opnametechniek toe: het gebruik van meerdere sporen zodat de zangstemmen vlot konden gedubd worden. Het nummer hoefde niet telkens opnieuw te worden opgenomen als er stemmen aan toegevoegd moesten worden.
De 15de februari 1965 om half drie begonnen ze met de opname van Ticket to Ride. Die sessie duurde tot kwart voor zes en was goed voor twee takes. Tijdens de eerste werd het ritme vastgelegd, tijdens de tweede de zang. Ticket to Ride is het allereerste Beatles nummer waarop McCartney de leadgitaar tokkelt. Meestal was dat een klus die door George werd geklaard. Nadien hielden ze zich bezig met een aantal overdubs: het toevoegen van extra zang en effecten. Niet dat The Beatles nadien meteen naar huis gingen, want ze hadden besloten nog een aantal songs voor de soundtrack op te nemen. Ze hielden een break van kwart voor zes tot zeven uur en namen nadien nog I need you en Another girl op. De 18de februari werd de monomix afgewerkt, de 23ste februari de stereomix. Twee maanden later speelden The Beatles Ticket to Ride voor het eerst live tijdens een concert dat de 11de april 1965 in Blackpool plaatsvond. De 26ste mei van dat jaar speelden ze het live tijdens een opname voor de BBC.
De 9de april 1965 wordt Ticket to Ride in Engeland op single uitgebracht met op de b-kant het door Lennon geschreven Yes it is. Het werd een quicky. John schreef dit tegen een hoog tempo. Achteraf zou Lennon zich schamen voor de kwaliteit van deze song. Hij klasseerde het als een liedje bestemd voor ‘de meatmarket’. Omdat hij niet meteen verse ideeën had, gebruikte Lennon dezelfde akkoorden en basismelodie als in This Boy. Fans zouden Yes it is achteraf koesteren.
Ticket to Ride werd de vijfde single van The Beatles die in de Britse top veertig meteen doorstootte naar de eerste plaats. Vijf weken na mekaar zouden ze daar blijven staan pronken en pas afhaken nadat ze méér dan 700.000 stuks van die single in Engeland alleen al verkocht hadden. In het totaal was Ticket to Ride goed voor zeven weken top tien notering in de Britse charts. In Amerika kwam Ticket to Ride de top honderd binnen op de 57ste plaats. Nadien schoof de single door naar plaats 58, vervolgens naar drie om de 22ste mei Herman’s Hermits met Mrs Brown you’ve got a lovely daughter te onttronen. Slechts één week bleven The Beatles Billboard’s Hot One Hundred aanvoeren, want toen kwamen The Beach Boys sterk oprukken met Help Me Rhonda.
De 12de juni 1965 kregen The Beatles te horen dat Queen Elizabeth hen zou ridderen, ze zouden een MBE in ontvangst mogen nemen. Dat leidde tot groots protest vanuit de conservatieve hoek van MBE-gelauwerden die prompt hun onderscheiding terugstuurden.

Ticket to ride werd in ons Belgenland geen grote hit. Er zat voor The Beatles slechts een tiende plaats in. Tot dan toe hadden ze nog met geen enkele single op één gestaan. Dat zou pas iets later lukken, datzelfde jaar nog, met Yesterday en nog iets later met Yellow Submarine, Hey Jude, Get Back en The ballad of John and Yoko. Onze noorderburen waren grotere fans van The Fab Four. Daar hadden de heren eerder al zeven maal op de eerste plaats gestaan en deden dat met Ticket to Ride nog een keertje over om nadien nog eens dertien keer die eerste plaats opnieuw in te palmen.
De 6de augustus 1965 werd de soundtrack Help op de markt gebracht met daarop dus ook het nummer Ticket to Ride. De titelsong Help was de 19de juli als tweede single al gereleaset en ook deze single werd in vele hitlijsten wereldwijd een nummer één.

maandag 20 maart 2017

Unchained Melody

Gezongen versie in gevangenisfilm Unchained, opgenomen op locatie in de echte Chino gevangenis in Californië. Genomineerd voor een Oscar. Er wordt hier en daar valselijk vanuit gegaan dat Hy Zaret deze tekst al in 1936 schreef, als een naamloos liefdesgedicht voor zijn toenmalige vriendin, onder de naam William Stirret, terwijl zijn ware naam Hyman Zaritsky was.

De Unchained Melody is er een die haar naam niet gestolen heeft. Het is een melodie die schijnbaar eindeloos tot de verbeelding spreekt. The Righteous Brothers hadden daar in 1965 een grote hit mee en 25 jaar later ondervond diezelfde versie niet de minste moeite om dat succes nog eens over te doen als thema van de film Ghost (met Patrick Swayze en Whoopie Goldberg). Maar ondanks die verrijzenis is de Righteous Brothers-versie maar klein bier vergeleken bij de Unchained Melodies die nog eens tien jaar eerder in 1955 de markt beheersten.



Het was dan nog maar begin ’55, dus vóór Bill Haley het rock-’n-roll-tijdperk mocht inluiden en de markt voor een aanzienlijk stuk nog mee beheerst werd door de verkoop van bladmuziek. Het was het nummer dat telde, niet zozeer de uitvoerder. Mensen waren in het liedje geïnteresseerd ongeacht door wie het nu gezongen werd. Eenmaal de partituur voor handen, kwam het er voor iedere platenfirma op aan zo snel mogelijk een eigen versie uit te brengen en met Unchained Melody was dat niet anders. Raar koppel die North en Zaret. De ene zou later de muziek schrijven bij een aantal spektakelfilms als Spartacus, de andere schreef ook het Woody Guthrie-achtige One Meat Ball. Toen de opdracht kwam muziek te verzinnen bij de film Unchained kwam toen – logischerwijs – Unchained Melody voor de dag. Todd Duncan zong het in de film, maar de versie op plaat werd een open strijd tussen wel twintig verschillende versies op evenveel platenlabels. In Engeland haalde die van Jimmy Young de beste cijfers, in Amerika vooral de semi-instrumentale van Les Baxter op Capitol. Het jaar nadien zou die orkestleider dat succes bevestigen met een tweede n°1: The Poor People Of Paris, een (slechte) vertaling van La Goualante du pauvre Jean van Edith Piaf. Arme Mensen is inderdaad iets anders dan Arme Jan.

In 1955 werden Alex North en tekstschrijver Hy Zaret gecontacteerd om een lied te schrijven als thema voor de obscure film “Unchained”. De song werd uiteindelijk bekend als “Unchained Melody”.
In de song komt het woord “unchained” zelfs niet voor. De tekst gaat over iemand die smacht naar zijn geliefde die hij “een lange lange tijd” niet heeft gezien.

De film gaat echter over een man die overweegt te ontsnappen uit de gevangenis, een leven op de vlucht, of het uitzitten van zijn straf en dan terug te keren naar zijn vrouw en familie.
De versie met Todd Duncan werd genomineerd voor een Oscar in 1955, maar de Best-Song award ging naar de rivaliserende hit “Love Is a many splendoured Thing”
Todd Duncan zong de song in de film, Les Baxter (Capitol Records catalogusnummer 3055), bracht een instrumentale versie uit die op # 2 van de Bilboard Charts kwam. Al Hibbler volgde er onmiddellijk achter met een vocale versie (Decca Records catalogusnummer 29441), die # 3 bereikte in de Billboard charts.

De versie van de Rightheous Brothers, geproduced door Phil Spector, was eigenlijk een solo van Bobby Hatfield.


woensdag 15 maart 2017

Geschiedenis van de jazz (6)

De jazz was nu opnieuw aan een intellectualisering toe. Het was echter anders dan in de tijd van Paul Whiteman: men trachtte niet langer het “onbeschaafde” van jazz te verdoezelen, integendeel, door de klassieke kennis trachtte men de grenzen van de jazz nog wat te verleggen.

De eerste vertegenwoordiger was Stan Kenton, die zelf geen materiaal schreef, maar een aantal vaste componisten van – wat hij noemde – “progressieve jazz” had. Nochtans was het orkest van Kenton tijdens de oorlog populair geworden door de zangeressen Anita 0′Day en June Christy.

Na hem kwam Dave Brubeck, de eerste jazzartiest die de mogelijkheden van campussen zag voor tournees. En dan had je natuurlijk John Lewis’ Modern Jazz Quartet, alhoewel deze eerder thuis horen in de main stream van jazz (met mensen als Kenny Clarke en Milt Jackson), maar Lewis’ voorkeur voor de fuga-componeertechniek uit de zeventiende eeuw rechtvaardigt hun opname hier. Hun voornaamste belang ligt echter in het eindelijk herinvoeren van de collectieve improvisatie.

De composties van William Russo, Rolf Liebermann en Gunther Schuller liggen echter eerder in het klassieke vlak. Zijzelf noemden zich echter third stream musicians, waarmee ze duidelijk bedoelden: noch klassiek, noch jazz.

Wat zeker mede de ondergang van de big bands heeft versneld, is de taks die na W.O.II geheven werd op het dansen. Dat was (buiten het feit dat de staat op die manier gemakkelijk geld in ‘t bakje kreeg) vooral een maatregel tegen de “zedenverwildering”, waardoor in datzelfde kader ook strenge eisen qua leeftijd werden gesteld. Dat leidde in Vlaanderen o.m. tot een “Protest Rock”.

Dat halo van “slechte invloed” werd nog in de hand gewerkt toen Elmer Bernstein voor “The man with the golden arm” in 1956 een pseudo-jazz-score schreef, die de bindingen tussen jazz en de onderwereld suggereerde en er tevens de oorzaak van zou zijn dat van dan af alle gangsterfeuilletons dergelijke lamentabele muziek meekregen. Daarom gingen de jazz-fanaten veel kritiek uitoefenen op het artisticiteit van het genre. Zij noemden het geen jazz meer en uit reactie speelden zij opzettelijk niet-dansbare muziek: de bop, later be-bop of re-bop.

Voor vele swing-groten was dit “nieuwe klimaat” een dubbele doodsteek: niet alleen was het succes gaan vliegen, ook bij hun collega’s vonden ze geen gehoor meer. Benny Goodman b.v. probeerde toen bop te spelen, maar toen dit hem niet lukte, kapte hij ermee.

Enkel Duke Ellington en Lionel Hampton overleefden de slijtageslag, de eerste wegens zijn genialiteit, de tweede omdat hij erg dicht de rock’n'roll benaderde en soms nog nauwelijks te onderscheiden was van jump bands. Typisch is het zogenaamde “spuwincident” in het orkest van Cab Calloway in 1941. Cab stond te zingen op het podium, met zijn rug naar zijn orkest, toen hij plots een rochel voelde. Hij beschuldigde trompettist Dizzy Gillespie, vooral omdat hij sowieso al een hekel had aan de vroege bebop die Dizzy aan het ontwikkelen was. Dizzy ontkende en er ontstond een gevecht, waarbij Dizzy Cab probeerde te steken met een mes. Hij werd ontslagen, ook al gaven Jonah Jones en Milt Hilton toe dat zij de spuwers waren geweest. Het hele incident zou voor Gillespie een aansporing vormen om verder te werken aan het nieuwe genre.

De bop zorgde voor een hele omwenteling binnen de muziek op het gebied van harmonie (akkoordenbehandeling), melodie (ook niet-traditionele instrumenten konden nu de melodielijn aangeven) en het ritme (om dezelfde reden dus, nl. dat ritme-instrumenten zich niet daartoe beperkten zodat er vele tempowisselingen waren, een van de vele redenen trouwens, waarom men er niet kon op dansen).

Alhoewel de bop dus de nieuwe lijn binnen de jazz aangaf (met Charlie Parker en Dizzy Gillespie b.v.), miste ze de populaire trein mijlenver en… opzettelijk! Met de muziek, radicaliseerden nl. ook de politieke opvattingen van de zwarte muzikanten. Saxofonist Dexter Gordon legde het aan Rob Leurentop van Knack als volgt uit: “In de jaren 30 moest iedereen die wilde werken niet alleen jazz spelen maar ook dansen of zingen, kortom: zich verkopen. Wij, de jongeren, beschouwden dat als een vorm van Uncle Tomming. Het enige wat ons interesseerde was muziek maken op onze voorwaarden. Dat hing natuurlijk samen met veranderingen in de maatschappij, met de bewustwording van de kleurling. Wij beantwoorden dus niet meer aan het image dat het publiek van de jazzmuzikant had, namelijk de goedlachse zwarte die alsmaar vrolijk is, en danst en zingt.”

vrijdag 10 maart 2017

Meestergitaristen: Leo Kottke


Akoestische gitaarvirtuoos Leo Kottke werd geboren op 11 september 1945, in Athens (Georgia).
Hij bracht zijn jeugd door in 12 verschillende Amerikaanse staten waardoor hij, als kind, in aanraking komt met een verscheidenheid aan muzikale stijlen.
Hij probeert eerst de viool en de trombone uit voordat hij op zijn 11e jaar de gitaar ter hand neemt.
Kottke verloor een groot deel van het gehoor in zijn linker oor door een ongeluk met vuurwerk.
Leo Kottke verlaat vroegtijdig de middelbare school om liftend, als rondreizende muzikant, de kost te verdienen. Nadat hij zich in de Twin Cities area (Minneapolis-St. Paul) vestigd is hij geregeld te zien in de plaatselijke folk-clubs. In 1969 komt zijn debuut-LP uit; Twelf String Blues, live opgenomen in Minneapolis′ Scholar Coffee House, uitgebracht op het de kleine label Oblivion.
Kottke′s explosieve fingerpicking techniek gecombineerd met zijn drukke toerschema midden jaren 80, resulteerde in een aanhoudende pijn in zijn handen, die hem in zijn spel begon te belemmeren. Hij past zijn spel aan naar een meer klassieke techniek en krimpt zijn toerschema drastiesch in.
Er komt weinig nieuw werk meer uit van Kottke maar hij kan verder teren op zijn status van cult-figuur.

donderdag 2 maart 2017

Loudness War

Muziekopnames klinken niet zo goed als vroeger. Opnamen klinken modderig, geknipt en hebben gebrek aan punch. Dit komt door de "loudness war” die heeft plaatsgevonden in de opnamestudio's. Om een nummer te onderscheiden van de rest draaien de technici de volumeknop steeds hoger. Harder klinkende tracks trekken de aandacht van de luisteraar, en in de overvolle muziekmarkt is aandacht belangrijk. Echter, er is een keerzijde aan dit alles. Muziek wordt gecomprimeerd. Hard, luid, soft: er is weinig verschil tegenwoordig. Het resultaat is dat onze muziek overspannen lijkt, is er weinig emotioneel bereik, en de hele tijd luisteren naar luid en hard wordt vervelend en vermoeiend.
Kijkend naar het volume voor de opnames van een aantal artiesten kunnen we zien hoe wijd verspreid deze “ loudness war “  werkelijk is.

Laten we beginnen met het volume van Dave Brubeck's Take Five. Er is een loudness range van -33 tot ongeveer -15 dB - een bereik van ongeveer 18 dB.

Dave Brubeck - Take Five

Neem nu een kijkje nemen op een track van het nieuwe album van Metallica. Hier zien we een dB van ongeveer -3 dB tot ongeveer -6 dB - voor een bereik van ongeveer 3 dB. Het verschil is nogal opvallend. U kunt het gebrek aan dynamisch bereik in de plot vrij gemakkelijk zien.

Metallica - Cyanide

Nu kan je dit niet echt vergelijken:  cool jazz van Dave Brubeck met heavy metal van Metallica - ze zijn twee zeer verschillende soorten muziek - dus laten we eens kijken naar enkele anderen. (Een waarschuwing voor al deze experimenten - Ik weet niet altijd de herkomst van de  mp3's - sommige kunnen worden van remasters waar de geluidstechnici de luidheid kan hebben aangepast, terwijl sommige de originele mix kan zijn).

Hier is het eerbiedwaardige Stairway to Heaven - met een dB van -40 dB tot ongeveer -5dB voor een bereik van 35 dB. Dat is een heleboel.



Vergelijk het geluidsniveau van de Sex Pistols. Minder volume, en minder dynamisch bereik - maar dat is hoe punk is - allemaal één volume.  Er is geen emotionele boog zoals je kunt zien in een nummer als Stairway to Heaven.

Sex Pistols - Anarchy in the U.K.

woensdag 1 maart 2017

The Story of The Beatles, deel 7

Het laatste officiële bestaansjaar van The Beatles (1970)  begint succesvol: de nieuwe – maar wel een jaar eerder opgenomen – single ‘Let it be’ is weer een nummer 1-hit, maar al snel is duidelijk dat de leden hun eigen weg gaan. Begin april brengt Ringo zijn eerste solo-elpee ‘Sentimental Journey’ uit, een collectie oude deunen. In diezelfde maand start Paul McCartney zijn eigen muziekproductiemaatschappij en brengt zijn eerste solo-elpee uit, simpelweg ‘McCartney’ geheten. In de hoes zit een zelf afgenomen interview waarin hij verklaart dat The Beatles voorbij zijn. Paul: ‘I didn't leave the Beatles. The Beatles have left The Beatles, but no one wants to be the first to admit it’ (‘Ik heb The Beatles niet verlaten. The Beatles hebben The Beatles verlaten, maar niemand wil de eerste zijn dit toe te geven’). Als toegift verschijnt in mei de onuitgebrachte elpee ‘Get Back’ alsnog, ’bewerkt’ door producer Phil Spector en uitgebracht als ‘Let It Be’, met opnamen van de ‘Get Back’-sessies van ruim een jaar daarvoor. The Beatles hebben er weinig belangstelling voor, net zomin als voor de première op 13 mei van de film ‘Let It Be’ waarin The Beatles gevolgd worden tijdens de opnamen van de elpee. Ringo komt eind september met zijn tweede elpee, ‘Beaucoups Of Blues’, en George brengt het driedubbelalbum ‘All Things Must Pass’ uit, dat door de pers zeer goed wordt ontvangen. Zo verstrijkt dit laatste – in feite onproductieve – jaar voor The Beatles en het eindigt letterlijk op 31 december wanneer Paul bij de rechter verzoekt om ontbinding van het bedrijf The Beatles, waarin de vier sedert april 1967 zijn verenigd.
Er wordt in de jaren zeventig nog meermalen geprobeerd om de groep weer bij elkaar te krijgen. Paul McCartney en John Lennon zijn in 1974 zelfs nog bij elkaar om te jammen, maar van blijvende samenwerking is geen sprake. Wanneer John Lennon wordt vermoord door M.D.C.op 8 december 1980 voor zijn huis, een appartement in het Dakota Building aan 72nd street, New York, is het fenomeen The Beatles echt geschiedenis.


Eind 1994 brengt Apple Records een dubbel-cd uit met vroege Beatles-opnamen die zij voor de BBC-radio maakten, getiteld ‘Live At The BBC’. George Harrison, Paul McCartney en Ringo Starr zijn dan bezig met het samenstellen van het levenswerk van The Beatles: ‘Anthology’. Ook Johns weduwe Yoko Ono werkt eraan mee. Allereerst worden in 1995 en 1996 drie dubbel-cd's uitgebracht die speciale versies en outtakes bevatten van Beatles-nummers, in een hoes die ontworpen is door hun oude Hamburgse vriend Klaus Voormann. De nieuwe singles ‘Free As A Bird’ en ‘Real Love’, waarvoor audiocassettes van John Lennon als basis dienden, brengen The Beatles opnieuw onder de aandacht van het grote publiek. De ‘Anthology’-cd's worden in 1996 gevolgd door een documentaire (waarvan een deel als televisie-documentaire wordt uitgebracht) op video (verschijnt in 2003 als dvd-box) en in 2000 door een boek waarin ‘het verhaal van The Beatles wordt verteld door The Beatles zelf’. Datzelfde jaar brengen The Beatles hun ‘Best of…’-cd, simpelweg getiteld ‘1’, uit. Hierop staan 27 nummer 1-hits van de groep. Weer staan The Beatles wereldwijd bovenaan de hitlijsten.
Tot verdriet van de fans en veel andere muziekliefhebbers overlijdt George Harrison op 29 november 2001 in Los Angeles aan de gevolgen van kanker.


In november 2003 brengen de twee overgebleven Beatles, Ringo Starr en Paul McCartney, het album ‘Let it Be.. naked’ uit, een remake van het oude album ‘Let it Be’, maar zonder Phil Spectors muzikale overdaad.