zaterdag 22 juni 2013

Plezier en protest (deel 5)

Het meest opvallend is misschien nog wel dat de meeste protestsongs zich richten op de brede thema's van discriminatie, uitbuiting en oorlog, en niet op de woningnood — een van de thema's waar jongeren echt last van hadden en de steen des aanstoots van de kraakbeweging — of op politieke inspraak, medezeggenschap en participatie — de strijdpunten van kritische studentenbeweging.


Een hele, een halve of een dubbele modernisering? Het overgrote deel van de popmuziek bestond gewoon uit vrolijke en spottende liedjes waarin dagelijkse dingen met een knipoog werden bezongen — het poprepertoire bevatte anders gezegd meer Het dan De Groot. Toch, ondanks of misschien juist door al die vrolijkheid, voelde de popmuziek, zowel voor degenen die er door werden aangetrokken als degenen die er door werden afgestoten, onmiskenbaar aan als een uiting van verzet. Die erfenis van de rock-'n-roll raakte de popmuziek gedurende de jaren zestig niet kwijt. In die zin kan bijna elke popsong worden gelezen als een indirect protest tegen de beknotting van de individuele vrijheid en de expressie van het zelf. Meer direct verwoorden vele songs het feestelijke en bevrijdend gevoel van de Summer of Love van 1967 en de daarop volgende hippiejaren, waarin de jeugdcultuur van de jaren zestig met veel uiterlijk vertoon haar zelfstandigheid verklaarde. Het was ook dat gevoel van verzet dat de rock-'n-roll en de vroege popmuziek belichaamden, waardoor de politieke jeugd werd aangetrokken en gefascineerd. Dat gold onder meer voor de oprichters van Provo die zichzelf wel eens als "supernozems" afficheerden. Voor een antwoord op de vraag naar de relatie tussen popmuziek en maatschappijkritiek zullen we ons daarmee wat meer moeten verdiepen in de aard van de maatschappelijke veranderingen waarvan de popmuziek het vehikel was.

De popcultuur die zich in de jaren vijftig nog manifesteerde als een vorm van verzet eindigde, zo constateert Melly met een ondertoon van spijt, in de jaren zeventig als een ongevaarlijke en opgeblazen uiting van stijl. Anderen, die juist de principiële gerichtheid van de jeugdcultuur op individuele stijl en identiteit benadrukken, wijzen andersom beschuldigend op de politisering van de stijlgerichte jeugdcultuur die bijna zo rond 1967 en 1968 een aanvang neemt en samenvalt met een groeiende malaise in de wereld van de popmuziek. Die laatste optie vinden we onder meer terug bij Righart (2003) die om die reden zelfs af en toe zijn eindeloze jaren zestig al in 1967 voortijdig lijkt te willen laten eindigen.


Het moment van de stijl, zoals we de Summer of Love van 1967 kunnen benoemen, lijkt inderdaad een kritisch draaipunt te vormen in de ontwikkeling van de popcultuur. Rond dat jaar was de muzikale revolutie van de jeugdcultuur min of meer voltooid. De centrale principes van respect, reciprociteit en empathie waren verbreed tot een algemeen ideaal van liefde voor de wereld. "All you need is love," zingen de Beatles in de zomer van dat jaar, omgeven door een groot gevolg van vrienden en collega's, in het televisieprogramma Our World, het eerste programma dat via de satelliet live in een groot aantal landen kon worden gevolgd. Maar dit hoogtepunt van gezamenlijkheid en optimisme leek tegelijk ook het begin van het einde. Een jaar later volgden de eerste tekenen van verval met de geestelijke instorting van Syd Barret, de voorman van Pink Floyd, en de dood van Brian Jones van de Rolling Stones. Weer een jaar pleegde de Manson-family een reeks afschuwelijke moorden, naar eigen zeggen op inspiratie van de Beatles' song Helter Skelter, en valt de eerste dode onder het publiek bij het Stones-concert in Altamont, Californië. In 1970 sterven Jimi Hendrix en Janis Joplin als gevolg van drugsgebruik en gaan de Beatles uit elkaar.